Pleidooi voor een zorgende economie

Kwetsbaarheid is de brandstof van deze globalisering

Calspan Corporation, National Highway Traffic Safety Administration / Public domain

Onze economie kraakt onder de gevolgen van de coronamaatregelen en voor het eerst sinds lang worden we geconfronteerd met een gevoel van kwetsbaarheid. Eigenlijk hoeft dit niet te verbazen want onze economie is altijd al op een dubieuze manier omgegaan met het weerloze, schrijft Tom Ysewijn. Hoog tijd dus om onze economie zorgzaam te maken.

Stelt u zich onze economie even voor als een voertuig. Een auto die ons dichter bij een doel brengt -bijvoorbeeld welvaart- liefst in veilige omstandigheden. Om de betrouwbaarheid van het vehikel te testen worden wagens wel eens tegen een onverwacht obstakel gekatapulteerd om naderhand nauwkeurig te analyseren hoe zowel het voertuig als de inzittenden het er van af hebben gebracht.

Deze coronacrisis is ook zo’n crash test, en geeft ons een duidelijk beeld van de zwakke plekken in ons mondiale economie (die op een wrak lijkt). Een blik op de inzittende crash test dummies is ook niet zo fraai. Uit dit onverwachte ongeluk kunnen we heel wat leren om te sleutelen aan het ontwerp van onze economie. Die moeten we niet beoordelen op de winst of de groei die wordt gerealiseerd, maar wel op de manier waarop ze omgaat met onze onvermijdelijke kwetsbaarheid.

Het primaat van de kwetsbaarheid (over economie)

Ergens midden maart werd pijnlijk duidelijk dat we wel erg afhankelijk zijn geworden van mondiale goederenstromen. Toen onze economie tot stilstand kwam bleek, voor wie dat nog niet besefte, hoe we onze producten (tot mondmaskers toe) laten maken door arbeiders aan het andere eind van de wereld. Hoe onze op export georiënteerde landbouw verzuipt in melk en stikt in aardappelen omdat grenzen gesloten zijn. Hoe we onderdelen zijn geworden van een complex web waarin alles aan elkaar hangt zonder dat iemand nog goed kan zeggen wat daar precies de voordelen van zijn, laat staan hoe onze veiligheid gegarandeerd kan worden.

De economische schade is ongezien en een globale recessie is een zekerheid. 

Dit was een onverwachte crash test, en we voelden ons sinds lang nog eens kwetsbaar. Maar belangrijker nog dan het besef van economische kwetsbaarheid was het besef dat we ook vrij weerloos waren tegenover het nieuwe virus.

Toen duidelijk werd dat dit ons gezondheidssysteem onder druk ging zetten overtuigde een leger experts de meeste overheden om de economie op pauze te zetten. Beurzen kelderden prompt, de olieprijzen gingen mee de dieperik in. Wereldwijd sloten winkels en fabrieken hun deuren, waardoor de werkloosheid de hoogte in schoot, miljoenen mensen raakten letterlijk op de doel. De economische schade is ongezien en een globale recessie is een zekerheid. 

Maar toch ging alle economische orthodoxie op de schop en werd ze ondergeschikt gemaakt aan het beschermen van onze kwetsbaarheid. Dit is in de geschiedenis van het kapitalisme een waarlijk uniek moment. Geen we ons vanaf nu vooral zorgen maken om de auto, of om de inzittenden?

Het wagentje der globalisering rijdt op een bedenkelijke brandstof

Ooit waren we blij met globalisering. Decennia lang zagen we vooral de voordelen ervan en profiteerden we ervan dat heel wat producten goedkoop en in overvloed beschikbaar waren en dat we tegen spotprijzen de wereld konden afreizen op zoek naar vertier en vervulling. Het was comfortabel rijden in dat wagentje der globalisering. 

Waarom hadden we niet door hoe fragiel deze economie geworden is?

Zijn we daarom al te makkelijk mee gegaan in het de lofzang van dit systeem, het geglobaliseerde kapitalisme, dat zoveel mensen uit armoede heeft getild, waarin wetenschap en techniek floreerden, waarin dankzij een gezonde competitie producten steeds beter en goedkoper werden? Terwijl het even duidelijk was dat deze groei ook ecologische rampspoed met zich meebracht en dat ongelijkheid wel degelijk groter geworden is. 

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Waarom hadden we niet door hoe fragiel deze economie geworden is? En vooral, hoe slecht ze was voorzien op het beschermen van de mensen waarvoor ze leek te bestaan? Zeer simpel: omdat wij de laatste vijftig jaar zelden de crash test dummie waren. Wanneer de mondiale economie naar een andere versnelling schakelde waren de negatieve gevolgen vooral voelbaar op andere plaatsen, bij andere mensen. En wat die gemeenschappelijk hebben is precies hun kwetsbaarheid.   

Wie de geschiedenis van het kapitalisme overloopt zal al vlug inzien dat het huidige globaliseringsconcept al ruim tweehonderd jaar gebouwd is op weerloosheid. Die van slaven, van onbewapenden, van werk- en landloze arbeiders en boeren, van de kwetsbare natuur. 

Het is er helemaal niet op gericht zwaktes te elimineren of levensnoodzakelijke behoeftes veilig te stellen. Het is er op gericht om kosten te drukken en zo veel mogelijk te groeien ten koste van iedereen die betrokken is bij de steeds complexer wordende productketens. Als er al eens herverdeling, of bescherming kwam van mensen- of milieurechten, ging dat steeds gepaard met strijd, sabotage of sociale actie.

Die momenten, bijvoorbeeld de stakingen van de negentiende en twintigste eeuw, waren steeds crash tests voor het economische stelsel en het accumulatieproject dat onze economie is geworden. Vaak leidden die crashes tot herlokalisering van productie en ontginning naar plaatsen waar mensen minder eisen stelden, waar lonen lager zijn, de wetten makkelijker te omzeilen, kortom waar nieuwe dummies voorhanden waren. 

De eerste schakel van geglobaliseerde handelsketens vind je daarom vaak in contexten van weerloosheid. Ze beginnen in de gekapte oerwouden van Borneo, in de artisanale coltanmijnen van Congo, in de naaiateliers van Bangladesh, op de cacaovelden van Ivoorkust en zoals vandaag blijkt ook op de aardappelvelden van de Belgische boer (die met 1 miljoen ton blijft zitten omdat de grens toe is).

Ketens zijn zo lang geworden omdat in de zwerftocht van het kapitalistische ondernemerschap steeds verder moest gezocht worden naar beter uit te buiten mensen en plaatsen.

Maar ook verderop in de keten treffen we weerlozen: matrozen op onze cargoschepen bijvoorbeeld, of de verwerkers van het afval van onze consumptie, dat we liefst zo ver mogelijk exporteren. Ketens zijn zo lang geworden omdat in de zwerftocht van het kapitalistische ondernemerschap steeds verder moest gezocht worden naar beter uit te buiten mensen en plaatsen.

Globalisering is het resultaat van een volgehouden speurtocht naar de goedkoopste manieren om zoveel mogelijk winst te maken die verhindert dat er op een rechtvaardige, laat staan duurzame, manier wordt omgesprongen met mensen en de planeet. 

Het maakt kwetsbaarheid tot de brandstof van ons huidig globaliseringsconcept. 

De archeologie van het economisch weten

En dat brengt ons meteen bij de interne contradictie van onze economische, kapitalistische praktijk. Omdat die gebaat is met weerloosheid, en haar succes daarvan afhangt, kunnen we niet tegelijk verwachten dat ze die kwetsbaarheid remedieert of er zorgzaam mee omgaat. 

Hoe komt het toch dat we te maken hebben met de meest belabberde en meest kwetsende versie van globalisering die denkbaar is?

Hoe je over economie denkt, bepaalt in welk soort economie je leeft. En die visie op wat economie is, of kan zijn, is al te zeer verengd tot één bepaald paradigma waarvan we vergeten zijn hoe particulier, arbitrair en dwingend het eigenlijk is. Er is een zorgwekkend monopolie ontstaan van de neoliberale school over hoe we onze economie inrichten en waaraan dit ontwerp moet voldoen.

De dominante economische theorie lijkt er van uit te gaan dat elke verliezer ooit een winnaar zal worden, als je maar genoeg je best doet.

Daarin ontbreekt elke notie van zorg en kwetsbaarheid en wordt alle heil verwacht van competitie. Maar precies daarin schuilt natuurlijk het gevaar. Want competitie impliceert strijd, en die wordt al te vaak beslecht door de ander te raken waar die kwetsbaar is. Waar winnaars zijn, tref je ook verliezers aan. Maar daarvoor is merkwaardig weinig aandacht in onze dominante economische theorie. Die lijkt er van uit te gaan dat elke verliezer ooit een winnaar zal worden, als je maar genoeg je best doet. 

De vaak geroemde voordelen van dit mondiale systeem (armoedereductie, betere gezondheid, hogere inkomens, …) zijn er eerder ondanks, dan dankzij, de investeerders en ondernemers gekomen. Diens primaire drijfveren zijn niet om de anderen een beter leven te bezorgen. In die zin zijn welvaart en herverdeling dan ook meer de bijproducten van dit kapitalisme dan de bestaansredenen ervan. Laten we dus even stoppen met te kijken hoeveel beter het is dan vroeger (dat is ongetwijfeld zo), maar ons afvragen waarom het niet nog veel beter is nu. 

Dit zal een verhitte discussie worden, want de architecten van de globalisering hebben veel te verliezen bij een aanpassing van het economisch discours. We kunnen het gesprek openen met een citaat van Adam Smith die er -in zijn minder gelezen Theory of Moral Sentiments- al op wees: ‘When the happiness or misery of others depends in any respect upon our conduct, we dare not, as self-love might suggest to us, prefer the interest of one to that of many.’ Met andere woorden: ondernemingsdrang mag nooit leiden tot miserie bij anderen.  

Gezocht: gewetensvolle ontwerper

Wellicht zijn we, in slaap gesust door de vele vruchten die we ervan plukten, in de richting geëvolueerd van een onrechtvaardige, destructieve globalisering en zien we nu pas hoe kwetsbaar we zijn in dit vehikel waarmee we net tegen een muur zijn geknald. 

Mensen en de planeet hebben recht op een economie die er op gericht is ieders kwetsbaarheid te verkleinen, niet om die systematisch uit te buiten. 

Deze ontnuchterende ervaring verplicht ons de economische uitgangspunten te herijken, en de zogenaamde wetten te betwisten. Onze kwetsbare wereld heeft nood aan minder markt en strijd, aan een andere economische blauwdruk. 

Hoog tijd dus voor een nieuwe ontwerpopdracht, waarin centraal zal moeten staan dat het vehikel optimaal de inzittenden zal moeten beschermen. Dat nieuwe ontwerp van onze economie kunnen we niet in handen laten van hen die tot nu toe in de tekenkamer zaten en zeggenschap hadden over het functioneren van ons voertuig. Het zijn nalatige ontwerpers -zo weet elke crash test dummy- die het aan verbeeldingskracht ontbreekt. Mensen en de planeet hebben recht op een economie die er op gericht is ieders kwetsbaarheid te verkleinen, niet om die systematisch uit te buiten. 

De onvermijdelijke spoiler

De vergelijking met de crash test vertoont een pijnlijk gebrek. De dummies die in deze persoonlijke beoordeling van onze economie zijn opgevoerd zijn helaas mensen, wiens kwetsbaarheid zeer reëel is.

Excuseer voor deze spoiler. Als onze economie een voertuig is moet de rit veiliger en we moeten ons dringend beraden over de bestemming ervan. De auto is er voor de inzittenden, niet omgekeerd, en hun functie is niet om te wachten op de klap.

Nu we zelf eens stoemelings crash test dummies zijn geworden zou het dom zijn daar niks aan te doen. 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Beleidsmedewerker Oxfam-Wereldwinkels en zwerfjournalist

    Tom Ysewijn schrijft bijdragen over duurzamer leven, transitie en (eerlijke) handel. Hij is is beleidsmedewerker bij Oxfam België, maar schrijft voor MO* in eigen naam.