Geld is niet waardeneutraal

Het is tijd voor ander geld

Public domain (CC0)

 

Hoe komt het dat ons geld een gemeenschap doet afbrokkelen, vraagt Koen Develter zich af. Het antwoord op die vraag vindt hij in de boeken van de vorig jaar overleden Bernard Lietaer, een wereldautoriteit op het vlak van munten. ‘Ons financieel systeem deugt niet.’

Elke utopie schetst een wereld zonder geweld of wedijver, een wereld waarin de mensen alleen maar het goed voorhebben met elkaar. Rutger Bregman heeft een heel boek gewijd aan de stelling dat de meeste mensen deugen, maar hoe komt het dan dat zo veel mensen ervan overtuigd zijn dat heel veel mensen lui, dom of egoïstisch zijn? Volgens Bregman is dat te wijten aan het nieuws, de geschiedenisboeken en andere verhalen die focussen op conflicten, maar volgens Bernard Lietaer (1942 – 2019) is er meer aan de hand: ons geld.

Ons financieel systeem deugt niet, en de hoofdoorzaak is dat we een monocultuur hebben van nationale munten die geschapen worden door bankschuld en rente dragen.

Onze landgenoot Lietaer was een (of zelfs dé) wereldautoriteit op vlak van munten. In de jaren ’90 werd hij ooit uitgeroepen tot trader of the year door een of ander zakentijdschrift, hij was werkzaam bij de Nationale Bank van België, stond aan de wieg van de ECU (voorloper van de euro) en gaf les aan enkele universiteiten. Hij had al heel wat (monetaire) watertjes doorzwommen toen hij zijn boek ‘Het geld van de toekomst’ uitgaf in 2001. In 2012 schreef hij voor de Club van Rome nog een lijvig rapport met als titel ‘Geld en duurzaamheid’.

In beide boeken breekt hij een lans voor complementaire munten. Ons financieel systeem deugt niet, en de hoofdoorzaak is dat we een monocultuur hebben van nationale munten (euro incluis) die geschapen worden door bankschuld en rente dragen. Hij wil deze munten niet afschaffen, maar hij wil andere, complementaire munten in het systeem, zodat het systeem lijkt op een ecosysteem.

Eén munt gebruiken voor al je aankopen is dan wel heel efficiënt, maar de theorie van complex flow networks leerde hem dat naarmate een systeem efficiënter is, het minder veerkrachtig is – en vice versa. Duurzaamheid definieert hij dan als het leefbare optimum tussen efficiëntie en veerkracht. Ons financieel systeem heeft dus nood aan meer veerkracht; meer verschillende soorten munten.

Het is een wijdverbreide misvatting dat geld waardeneutraal is. Geld is niet zomaar een ruilmiddel. Geld dat rente draagt, stimuleert de competitie en de concurrentie. Geld zonder rente stimuleert daarentegen het samenwerken. Lietaer noemt het dan ook geen toeval dat Darwin vooral oog had voor de competitie onder de levende wezens en niet voor hun samenwerken; dat paste binnen de tijdsgeest waarin nationale munten (toen vrij nieuw) en hun rente het imperialisme en kapitalisme aanvuurden.

Het is mij ook al opgevallen dat ik liever mijn wieltjes (de LETS-eenheid in Roeselare) uitgeef dan euro’s.

Rentedragende munten slagen er moeiteloos in om gemeenschappen te ontwrichten. Lietaer zag met eigen ogen hoe een inheemse gemeenschap in Peru uit elkaar viel binnen één generatie zodra de nationale munt er werd ingevoerd. Zelf ken je ongetwijfeld wel ergens een familie die ogenschijnlijk vredevol was tot de erfenis verdeeld moest worden. Nooit was een reclameboodschap ironischer dan die van de bank die luidde: ‘Er is iets dat ons bindt.’

Ook voor het verbindende en gemeenschapsvormende karakter van renteloos geld vond Lietaer voorbeelden van over heel de wereld. In een stadje nabij Washington DC was er een wijk die de inwoners met elkaar wist te verbinden door een eigen complementaire munt in te voeren, in Engeland heeft de regering een tijd lang LETS financieel ondersteund vanwege het gemeenschapsvormende aspect, in Nederland is er een LETS-groep (Vrouw Holle) die de eerste zaterdag van de maand reserveert om met een grote bende bij iemand te gaan klussen. Meestal blijven ze dan nog iets eten en drinken. Het is mij ook al opgevallen dat ik liever mijn wieltjes (de LETS-eenheid in Roeselare) uitgeef dan euro’s.

Het bracht Lietaer bij de simpele vraag wat een gemeenschap eigenlijk is. Hij dook in antropologisch onderzoek en kwam uit bij een weinig verrassend antwoord: een gemeenschap is een groep mensen die elkaar geschenken geeft. Dat is weinig verrassend, want het woord communitas (Latijn voor gemeenschap) betekent letterlijk ‘geven onder elkaar’. Dat geldt niet alleen voor inheemse culturen (noem ze aub niet primitief), maar ook voor bv de wetenschappelijke gemeenschap. Wie zijn ideeën schenkt aan de samenleving, krijgt waardering en status. Wie enkel studieboeken schrijft (een commerciële activiteit) of het op een andere manier enkel voor het geld doet, krijgt geen waardering of erkenning, misschien wel verachting.

Hoe komt het nu dat ons geld een gemeenschap doet afbrokkelen? Wel, er is een wezenlijk verschil tussen iemand iets zomaar geven en iemand iets geven en ervoor betaald worden. Wanneer een transactie een geschenk is, houdt ze een belofte in van een toekomstige transactie in de andere richting. Er ontstaat een afhankelijkheidsrelatie met de ander.

Geschenken krijgen is leuk, maar nog beter is geschenken geven; het doet ongelooflijk veel deugd om iemand te kunnen plezieren met iets. Het maakt het leven ook zinvol: wie zich gewaardeerd voelt of wie het gevoel heeft dat zijn inbreng moeilijk kan gemist worden, ervaart zin in het leven. Ook het gevoel krijgen dat je opgenomen bent in een gemeenschap maakt je leven zinvol.

Laatst was ik kersen aan het plukken toen de overbuur zijn brievenbus leegde. We sloegen een praatje en ik bood hem wat kersen aan. Dat aanbod sloeg deze lekkerbek niet af. Door dit geschenk te aanvaarden, verplichtte hij zich als het ware aan mij, net zoals ik mij aan hem verplichtte toen hij zijn spijkerpistool drie weken uitleende tijdens mijn verbouwing. Voor mij was het een ongelooflijke opluchting dat ik geen spijkerpistool moest kopen of huren voor weken aan een stuk, dus ook al zijn we geen vrienden, we helpen elkaar waar we kunnen want dat is nu eenmaal wat mensen in normale omstandigheden doen én het schept een band.

Als een transactie eindigt met een betaling, dan is ze meteen afgehandeld. Geen belofte van een toekomstige transactie in de andere richting, geen verplichting van de een aan de ander, geen relatie dus. Het is ook zo dat de ruilwaarde (geld) de belevingswaarde heel vaak teniet doet. Het bekendste voorbeeld is wellicht het bloed geven. Er zijn landen waar je betaald wordt voor elke bloedgift, er zijn landen, zoals het onze, waar je niet betaald wordt maar gewaardeerd wordt voor je ‘heldendaad’. Je kunt een bloedtransfusiecentrum niet verlaten zonder een stuk of wat keren bedankt te worden – in Brugge hangt het zelfs in een dozijn talen aan de muur – en je krijgt er nog een cadeautje voor ook, naast een fris drankje of een kopje koffie, een koekje (of twee, drie) en een aantal kranten om in te lezen.

Je kunt het geldschaarsteprobleem oplossen door een extra lening aan te gaan, maar je hoeft geen genie te zijn om in te zien dat dit slechts een tijdelijke oplossing is en het probleem alleen vergroot.

Maar nu komt het; er zijn beduidend meer bloedgevers in landen waar je niet betaald wordt per donatie dan in landen waar dat wel het geval is. Bij ons wordt het geven van bloed immers gezien als een heldendaad, iets waar je levens mee redt, in landen waar je betaald wordt, beschouwt men het als een manier om geld te verdienen. De ruilwaarde maakt de belevingswaarde kapot. Geld maakt het altruïsme in de mens kapot.

Maar Bernard Lietaer beweert nu dat dat enkel het geval is voor óns geld; geld met rente meer bepaald. Het is de (positieve) rente die ons geld zijn slecht karakter bezorgt. Hoe laag de rente ook is, als je een lening afsluit, moet je altijd meer betalen aan de bank dan je hebt gekregen. Deze rente maakt het geld dus schaars. Hoe kun je dat extra geld (=de rente) nu bemachtigen? Dat kan door in concurrentie te treden met je medemens; je probeert meer van de geldtaart te bemachtigen dan je buur. Sterk uitgedrukt: beggar thy neighbour.

Je kunt het geldschaarsteprobleem ook oplossen door een extra lening aan te gaan, maar je hoeft geen genie te zijn om in te zien dat dit slechts een tijdelijke oplossing is en het probleem alleen vergroot.

Toch is dat wat de wereldeconomie doet. Bijna al ons geld wordt immers gecreëerd door bankschuld uit het niets. Fiduciair geld of fiatgeld noemen we dat. Als de bank je een lening geeft van 100.000 euro, dan moet ze slechts een klein percentage daarvan uitstaan hebben als wettelijke reserve. Eigenlijk heeft de bank die € 100.000 niet, maar ze mag en kan dat geld scheppen uit het niets.

Als je je lening terugbetaald hebt, dan verdwijnt die €100.000 ook weer in het niets, maar in de tussentijd is het wel echt geld geweest. En de rente? Waar moet die vandaan komen? Wel, als al ons geld geschapen wordt door bankschuld, dan kan die rente enkel komen … van een nieuwe bankschuld! Maar om die bankschuld terug te betalen, moet er weer meer verdiend worden, meer gewerkt worden, meer geproduceerd worden, dus moet de economie groeien.

Heel vaak wordt de discussie over de noodzaak van een groeiende economie gevoerd op ideologische basis, maar volgens Lietaer is de kwestie net heel technisch, dus voorziet hij ook een technische oplossing: ander geld. Nu zou je wellicht verwachten dat hij ervoor pleit om de rente gewoon af te schaffen om op die manier de lont uit het kruitvat te halen, maar dat doet hij niet. Hij beseft immers dat je dan nog steeds met een monetaire monocultuur van nationale munten zit en monoculturen zijn nu eenmaal bijzonder broos. In de natuur komen ze dan ook nooit voor.

Complementaire munten dus. Deze munten hebben het voordeel dat ze geen rente dragen (al kan dat wel, zie verder) en dus niet schaars zijn, dat ze niet geschapen worden door bankschuld en dat ze andere aspecten van de mens aanspreken; niet het competitieve maar het coöperatieve in de mens. Alles wat hierboven staat over het verschil tussen een transactie met en zonder geld; is enkel van toepassing op rentedragend geld. Complementaire, renteloze munten lijken volgens Lietaer meer op het geven van geschenken dan op het betalen met euro’s.

Stel dat je verhuist en je roept de hulp in van enkele vrienden. Ga je ze betalen? Dat zou misschien wel de vriendschap schaden – je ontkent dan immers dat de hulp een blijk van genegenheid en vriendschap was. Terecht zouden veel vrienden je geld niet aanvaarden. Maar als je je vrienden zou bedanken met een tuil bloemen uit de eigen tuin, zullen ze je geschenk niet afslaan; ze zullen zich immers niet beledigd voelen maar gewaardeerd. Renteloze munten leunen volgens Lietaer dichter aan bij de bloemen dan bij de euro’s.

De meeste (en volgens Lietaer ook de beste) complementaire munten werken volgens het systeem van wederzijdse kredieten. Zo ook de LETS-munten, de bekendste complementaire munten in Vlaanderen (zie letsvlaanderen.be). Melanie bakt een taart voor Sharon en krijgt daarvoor van Sharon de uren die ze erin geïnvesteerd heeft, betaald (gewaardeerd in het officiële LETS-jargon) in de LETS-munt. De ingrediënten worden betaald in euro’s. Nu heeft Melanie een tegoed en Sharon een schuld. Om te vermijden dat er geprofiteerd wordt van het systeem, is er een ondergrens (en in veel LETS-groepen ook een bovengrens). Er wordt dus complementair geld gecreëerd op het moment dat er iets gedaan wordt, of beter gezegd; op het moment dat men overeenkomt om iets te doen tegen vergoeding.

Bij LETS en de meeste andere complementaire munten is het zo dat een uur werken gelijk staat aan een bepaald bedrag, ongeacht de aard van de activiteit – tenzij de gebruikers overeenkomen om het anders te waarderen natuurlijk. De meeste complementaire munten zijn heel egalitair opgevat en werken dus de gelijkheid in de hand; nog iets dat mensen dichter bij elkaar brengt.

Voor Lietaer is het duidelijk; ons geld is nooit ontworpen om zorg (en onderwijs, …) te betalen, we kunnen er dus beter ander geld voor gebruiken.

Renteloze munten op basis van wederzijdse kredieten kunnen ook voor het zuiden een krachtige hefboom voor ontwikkeling zijn. Zoals Koen Bogaert, Bernard Mazijn, Brecht De Smet, Julie Carlier & Marlies Casier van de vakgroep conflict- en ontwikkelingsstudies (UGent) in hun artikel schrijven, gaat de meeste welvaart die het zuiden creëert naar het noorden (o.a. via terugbetaling van schulden mét rente – daar is die boosdoener weer). Een munt zonder rente gebaseerd op wederzijdse kredieten kan de welvaart van het zuiden ter plaatse houden en er op die manier voor zorgen dat de armen van deze wereld niet ter plaatse blijven trappelen.

Ik ben proMO*

Met MO* zorgen wij voor écht nieuws over echte mensen in heel de wereld. Wil je ook ons unieke journalistieke project mogelijk maken? Word dan proMO*. Als proMO* word je lid van onze community, mag je gratis naar al onze events en kan je in dialoog gaan met onze journalisten. Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Geweldig! Ik word proMO*

Er zijn ook complementaire munten die minder egalitair zijn; de Fureai Kippu in Japan bv. Het land van de rijzende zon heeft al jaren een groot aantal ouderen. De kosten voor de vergrijzing zijn er dan ook niet min. Om die kosten niet de pan te laten uit swingen, bedacht men er het systeem van ouderzorg door buren. Het systeem is simpel, je zorgt voor een hulpbehoevende bejaarde in je buurt en daarvoor word je beloond met een complementaire munt: de Fureai Kippu. De rekeneenheid is een uur dienstverlening, maar men maakt een verschil tussen simpele taakjes (bv boodschappen doen) en delicater werk (bv de bejaarde wassen). Dat laatste verdient dubbel zo goed als het eerste. Wie in dit systeem zorgt voor een bejaarde in de buurt, kan zijn complementair geld sparen op een rekening, maar velen geven het aan hun ouders of grootouders zodat zij in hun buurt ook een beroep kunnen doen op deze zorg.

Dit systeem is een aanvulling op de ziekteverzekering en men heeft gemerkt dat de bejaarden tevredener zijn over de zorg die ze krijgen via dit systeem dan de zorg die ze krijgen van mensen die met de yen betaald worden. Voor Lietaer is het duidelijk; ons geld is nooit ontworpen om zorg (en onderwijs …) te betalen, we kunnen er dus beter ander geld voor gebruiken. Hij verwijst ook naar yinyang.

Dit schema maakt duidelijk wat het probleem is met onze economie, ons geld en misschien wel onze hele samenleving: de yang-samenhang domineert. Om het evenwicht te herstellen hebben we dus yin-munten nodig: zonder rente (dus coöperatief en egalitair), zonder centraal gezag / centrale bank (dus op basis van wederzijdse kredieten), en lokaal (dus kleinschalig).

Hij stelt een munt voor, de civic, die op stadsniveau functioneert en in post-coronatijden wel eens van pas zou kunnen komen. Het concept is meesterlijk eenvoudig. De stad definieert wat wenselijk gedrag is, beloont burgers die wenselijk gedrag stellen met een eigen munt en eist de munt terug in de vorm van belasting. Het maakt het voor steden mogelijk om grote projecten te realiseren zonder extra belastingen (in euro) te heffen en zonder nieuwe schulden aan te gaan. Het stelt mensen met tijd te veel in staat om op een legale manier een extra inkomen te verwerven, zinvol bezig te zijn én er een gevoel van waardering aan over te houden. Deze mensen kunnen immers meer werken voor civics dan ze strikt noodzakelijk moeten doen om hun civicbelasting te betalen en hun overschot kunnen ze dan ruilen voor euro’s met mensen die geen tijd of zin hebben om civics te verdienen door gemeenschapsdienst te verrichten.

Voor wie tijd te weinig en geld genoeg heeft, is deze nieuwe vorm van belasting dus geen groot probleem, wie tijd genoeg heeft en geld te weinig kan deze kans grijpen om zijn precaire toestand zelf te verbeteren. Vandaar dat Lietaer vindt dat complementaire munten niet links zijn, niet rechts, maar de weg voorwaarts. (Waar hebben we dat sedertdien nog gehoord?)

Lietaer voorziet een sleutelrol voor de non-profit. Stel dat een stad een natuurgebied wil aankopen maar geen geld heeft om het te onderhouden. Dan kan de stad een beroep doen op de civics in overleg met bv Natuurpunt. Een onafhankelijke organisatie schat het aantal uren werk dat er jaarlijks nodig is om het gebied te onderhouden en dat bedrag krijgt Natuurpunt dan in civics.

De vereniging kan die civics geven aan de eigen vrijwilligers die in dat natuurgebied werken, maar zal ze ook moeten geven aan mensen die geen lid zijn en gewoon hun civics willen verdienen door een paar uur te werken in de natuur. Er is de evidente winst voor de stad; dit systeem is goedkoop, er is winst voor de vereniging; er komen meer mensen in aanraking met de vereniging; het ledenaantal zal dus vermoedelijk stijgen en sommige Natuurpunters zullen een deel van hun civics teruggeven aan hun geliefde vereniging die op die manier over extra budget beschikt; ten slotte is er ook winst voor alle inwoners van de stad; er is een goed onderhouden natuurgebied.

Complementaire munten kunnen ook rente dragen. Zo stelt Lietaer ‘natuurlijk sparen’ voor, een instrument dat vooral de opslagfunctie van geld realiseert en gebaseerd is op de natuurlijke aanwas van hout in een bos. Stel, een vzw krijgt het beheer over een stuk grond (bv in bezit van een overheid) en schrijft 100 aandelen uit, die worden verdeeld onder de mensen die het stuk grond helpen beplanten met bomen, de administratie doen voor de vzw en/of onderhoudswerkzaamheden uitvoeren in het jonge bos. Zodra er hout wordt geoogst, krijgt iedere aandeelhouder zijn rechtmatige deel van het (brand)hout. Hij kan het hout verkopen voor euro’s, zijn kachel ermee opstoken of – indien het kwaliteitshout betreft – er zelf meubelen of een dakgebinte van maken.

Zoals iedereen weet, neemt de waarde van een bos de eerste tientallen jaren alleen maar toe. De aandelen dus ook. Iemand die niet kan wachten tot de dikste bomen worden geveld, kan gewoon zijn aandelen verkopen voor conventioneel geld.

Lietaer stelt nog een heel andere complementaire munt voor; de terra. De terra zou een munt zijn voor multinationals. Internationale handel wordt nu geplaagd door fluctuerende wisselkoersen. Om daaraan te ontsnappen kiezen nogal wat bedrijven voor barter: ruilhandel, maar dat is natuurlijk ook een heel gedoe. Daar kan de terra een oplossing voor bieden. De terra zou een munt zijn met een standaard; geen goud maar een korf grondstoffen: een kg koffie, een liter aardolie, een kg koper, een kg tarwe … Lietaer kiest voor grondstoffen omdat die niet inflatiegevoelig zijn.

Hij verwacht niet dat een overheid de terra lanceert maar een bedrijf. Dat bedrijf zou zich dus moeten bezig houden met het bijhouden van de standaard; de voorraad grondstoffen. Daar is geen opslagplaats voor nodig, al die producten liggen ergens opgeslagen, maar het bedrijf zou natuurlijk wel eigenaar moeten zijn van die producten en dus mensen in dienst hebben. Zij worden dan betaald met een vertragingsrente op de terra; een vergoeding om de terra te gebruiken. Je zou dit negatieve rente kunnen noemen, maar de officiële term is demurrage, vertragingsrente of (over)liggeld.

Demurrage lijkt een vreselijk nadeel van deze wereldhandelsmunt – wie wil er nu betalen om een munt te gebruiken? – maar vertragingsrente is eigenlijk de logica zelve. Om eender wat te stockeren, moet je betalen, dus waarom zou het stockeren van geld dan gratis zijn? Om een stuk vlees te kopen dat volgende maand al rot is, gebruiken we geld dat volgende maand meer waard is dan nu. Hoe logisch is dat? Het grootste voordeel aan demurrage is echter dat het onze manier van denken zou veranderen. Investeren op de lange termijn wordt plots heel lucratief. Waarom zou je geld met demurrage houden als je het kunt investeren in een project dat pas binnen twintig of vijftig jaar opbrengt? In het oude Egypte was de geldstandaard tarwe en was de rente een vertragingsrente. Geen toeval dus dat toen piramides zijn gebouwd die bedoeld waren voor de eeuwigheid.

Door nu al complementaire munten in te voeren, kunnen we met een iets geruster hart wachten tot het volgende ‘onmogelijk te voorspellen’ financiële debacle zich aandient.

De rol van de overheid is cruciaal. Nu zijn er in heel de wereld al honderden complementaire munten en toch had je er wellicht nog nooit van gehoord. Hun impact is ook klein. Als een overheid ervoor zou kiezen om belastingen te heffen in een complementaire munt, dan wordt iedereen gestimuleerd om die munt te verdienen en zal die complementaire munt bijzonder veel gebruikt worden. De overheid kan immers als geen ander zorgen voor vertrouwen in een munt. En had ik je al verteld dat geld vertrouwen is?

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Zouden daarmee alle problemen van de baan zijn? Wellicht niet, want de aantrekkingskracht van geld met positieve rente is en blijft bijzonder groot. Maar tussen 1972 en 2012 telde Lietaer maar liefst 425 financiële crisissen in de wereld! Een bank die failliet gaat, een land dat met een schuldencrisis worstelt, de beurs die keldert; dergelijke fenomenen kwamen de laatste tijd wel minder voor, maar de impact werd wel groter. Door complementaire munten nu al in te voeren, kunnen we met een iets geruster hart wachten tot het volgende ‘onmogelijk te voorspellen’ financiële debacle zich aandient. Want dan kunnen we vlotjes overschakelen op de civic, de aandelen van het natuurlijk sparen, de terra of nog iets anders.

In ‘De meeste mensen deugen’ heeft Bregman voldoende aangetoond dat mensen van nature geneigd zijn tot samenwerken, dat ze te vertrouwen zijn als je ze vertrouwen geeft en niet als slechte wezens benadert. Dat we in het westen (en ook enkel in het westen) echter al honderden, zo niet duizenden jaren uitgaan van het tegendeel, heeft misschien simpelweg te maken met de aard van ons geld. Het is dus tijd voor ander geld.

Koen Develter is leerkracht Nederlands en godsdienst

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2630   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift