Een schilder van onze tijd. In memoriam John Berger (1926-2017)

Leermeesters heb je nooit teveel. Vaak kan je ze op één hand tellen. En meestal weet je pas en cours de route – jaren later dus – wie je echte leermeesters zijn of waren. John Berger is er – voor mij althans – één. Nu is hij… ja, god weet waarheen. Dood, zeggen we dan. Maar dat doet hem, of beter: zijn leven en werk tekort. Want hij is er nog altijd: in woorden, in beelden, in gedachten. Op papier of pellicule.

  • Diana (CC BY-NC-ND 2.0) Subcomandante Insurgente Marcos met John Berger (2007) Diana (CC BY-NC-ND 2.0)
  • Antonio Marín Segovia (CC BY-NC-ND 2.0) Antonio Marín Segovia (CC BY-NC-ND 2.0)
  • Tony Hall (CC BY-ND 2.0) Tony Hall (CC BY-ND 2.0)
  • Steve Bowbrick (CC BY 2.0) Steve Bowbrick (CC BY 2.0)

Hij: ‘Als iemand sterft, is het niet louter een kwestie van fijngevoeligheid, dat je zegt: wie weet kunnen we dit verhaal vertellen. Want een leven kan je pas ná iemands overlijden lezen. Eerder is het leven niet leesbaar.’ | Zij [sceptisch]: ‘Iemand die op z’n 37ste sterft, is toch niet vergelijkbaar met een 77-jarige?’ | Hij [gedreven]: ‘Klopt, maar het kan ook zijn dat iemand op z’n 90ste sterft. Ook dán pas wordt het leven leesbaar. De verteller kan van dan af met het verhaal beginnen.’

[John Berger en Susan Sontag in gesprek, 1983, ‘To Tell a Story’, Voices, Channel 4]

Antonio Marín Segovia (CC BY-NC-ND 2.0)

Op maandag 2 januari stierf de Britse schrijver-activist John Berger op 90-jarige leeftijd. In 1962 – op het toppunt van zijn carrière – emigreerde hij naar Genève en kort daarop naar een bergdorpje in de Franse Alpen. Daar schreef hij zijn belangrijkste essays en romans. Berger was een linkse intellectueel en kunstcriticus met een scherp oog en een vileine pen, die zichzelf liever ‘balling’ noemde in een almaar uitdijende neoliberale wereld. Hij schreef ook voor theater en filmscenario’s, maakte documentaires en spraakmakende tv-programma’s. Ondanks zijn zelf opgelegd isolement, was hij tot op het laatst strijdvaardig en een gerespecteerde publieke stem. Vorig jaar kwam de documentaire The Seasons in Quincy uit, waarbij een collectief van filmmakers – met o.a. Tilda Swinton – een gevoelig, veelzijdig portret van hem maakten.

In de Engelse letteren is John Bergers stem ongeëvenaard. Zijn stijl is uniek en wars van conventies. Hij laat zich niet in een strak literair keurslijf vatten. Genereus mengt Berger alle genres: verhalen, gedichten, brieven, essays. Foto’s, tekeningen of reproducties – van bevriende kunstenaars of oude meesters, maar ook van hemzelf – zijn vaak evenwaardig aan de tekst. En net zo goed leest hij voor of vertelt hij, mét of zonder camera. Treffend is de typering van Jeanette Winterson: ‘Passie is wat John Berger kenmerkt. Er is niets afstandelijks aan deze man. Hij hanteert gedachten zoals een schilder verf gebruikt en je kunt zijn taal bijna aanraken.’

‘Passie is wat John Berger kenmerkt. Er is niets afstandelijks aan deze man. Hij hanteert gedachten zoals een schilder verf gebruikt en je kunt zijn taal bijna aanraken.’

John Berger – van bescheiden komaf – wilde aanvankelijk beeldend kunstenaar worden. Maar al vlug merkte hij dat al schrijvend meer kon betekenen. Zelf zegt hij hierover in 2010: ‘Het was een bewuste keuze met schilderen te stoppen en te gaan schrijven, hoewel ik altijd ben blijven tekenen. Er waren voor mij te veel prangende kwesties om mijn leven aan schilderen te wijden. En de grootste urgentie was de dreiging van een nucleaire oorlog – het risico kwam natuurlijk uit Washington, niet uit Moskou.’ Het was het begin van de Koude Oorlog.

Berger zou heel zijn leven een uiterst kritische, dwarse denker blijven. Hij noemde zichzelf – ‘naast allerlei andere zaken’ – een ‘marxist’, al was hij nooit lid van een communistische partij. Je zou hem een naoorlogse Britse Multatuli kunnen noemen. Een atypische denker-duizendpoot, al beschouwde hij zich vooral als een ‘verteller’ die – onafhankelijk van elke ideologie of instelling – spreekt in naam van wie veelal geen stem heeft: Afro-Amerikanen, gastarbeiders, plattelandsbewoners, vluchtelingen, Palestijnen en andere vervolgde etnische groepen. Zijn omvangrijk oeuvre is in vele talen vertaald en krijgt wereldwijd aandacht.

Bergers cultuurkritiek en literaire stem zijn nog het meest verwant aan de joodse denker-flaneur Walter Benjamin, die in 1940 voortijdig uit het leven stapte. Met hem deelt hij de opvatting dat de massamedia de samenleving zodanig hebben veranderd dat de dagelijkse ervaring van de werkelijkheid niet meer authentiek is. Sterker nog: door onze verzadigde blik zijn we niet langer in staat de werkelijkheid te ervaren. We ondergaan, we beleven slechts. Onbewust nemen we informatie tot ons, uit een ongeordende, niet aflatende stroom van beelden en boodschappen die niet langer in een gemeenschappelijke traditie zijn ingebed. Dit heeft ook gevolgen voor de artistieke expressie en de manier waarop wij vandaag naar kunst kijken.

Ways of seeing

Berger werd vooral bekend met de vierdelige BBC-reeks Ways of Seeing uit 1972. Eigengereid zette hij het medium televisie naar zijn hand, maar nodigt de toeschouwer uit om zijn verhaal niet zomaar te slikken. In de openingsscène snijdt hij zelfverzekerd met een cutter de vrouwenfiguur uit een (namaak)schilderij van Botticelli’s Venus en Mars. Met de onbevangen blik van een kind benadert hij allerlei meesterwerken.

Tony Hall (CC BY-ND 2.0)

Door te vertrekken van de beelden zelf leert hij het publiek anders kijken. Tegelijk stelt hij indringende vragen over de verborgen ideologieën in het beeld. Zo maakt hij brandhout van de aloude, vertrouwde westerse kunstbenadering. Die noemt hij elitair, blasé en ronduit seksistisch. De gedrukte versie van Ways of Seeing groeide – in de nasleep van de jaren ’60 – uit tot een cultboek in progressieve kunstmiddens aan beide zijden van de Oceaan.

In 1972 ontving John Berger ook de prestigieuze Booker Price voor G., een experimentele Bildungsroman zonder duidelijke verhaallijn, verteld vanuit het standpunt van diverse protagonisten, met afwisselend beschouwende commentaren. Als lezer ga je in het grillige voetspoor van een jongeman die op de vooravond van de Eerste Wereldoorlog een reis maakt door Europa en zowel seksueel als politiek ontluikt.

Toen Berger tijdens de uitreiking aankondigde dat hij de helft van het prijzengeld aan de zwarte burgerrechtenbeweging Black Panthers schonk, wekte dit enorm schandaal. Hierdoor ‘keert de prijs zich tegen zichzelf’, zo stelde Berger onomwonden, hiermee verwijzend naar de slavenhandel uit Afrika voor de suikerplantages in de Caraïben waarmee de sponsor zich al eeuwenlang verrijkte.

In zijn laatste roman Van A tot X (2008) – een beklijvend ‘brievenboek’ waarin de liefde tussen twee mensen tot haar uiterste grenzen weerstand biedt tegen de onmenselijke gevestigde orde, en verplichte lectuur is in deze tijden van veelkoppige terreur, angst en onderdrukking – schrijft de intussen 72-jarige Berger: ‘We zijn niet de gevangenen van het verleden. We kunnen precies doen met het verleden wat we willen, maar de con­se­quen­ties ervan kunnen we niet ontlopen.’

Tot spreken brengen

Het is dit realistische maar hoopvolle adagium dat onverminderd met slagkracht en met verve doorklinkt in zijn hele oeuvre. Elk woord, elke zin, elke summiere lijn van zijn (teken)hand ademt maatschappelijke betrokkenheid en doorleefde eenvoud. ‘Waar weinig anders is, zijn woorden belangrijk,’ zo stelt hij. En handen. De hulpeloze, vaardige, altijd te lege ‘handen die dit alles schrijven’.

Imposant zijn niet alleen de zeer diverse thema’s die hij aansnijdt, maar ook de vele gedaantes, de vaak gedurfde expressievormen en stijlregisters. Toch staat het waarnemen – met álle zintuigen – altijd centraal. Met als inzet: kijken leidt tot ervaren en is de enige, waarachtige bron tot begrijpen. Zo benaderde hij ook allerlei vormen van artistieke expressie, met Rembrandt, Caravaggio, Goya, Courbet, Neizvestny en Francis Bacon als zijn favoriete (rebelse) kunstenaars. Hij trachtte te ‘luisteren naar kunstwerken’ en ze – ‘van binnenuit’ – ‘tot spreken’ te brengen.

‘Een verhaal gaat nergens naartoe, het is er gewoon. […] Romans gaan over Wording, terwijl een vertelling altijd verwijst naar wat voorbij is. Maar wel zodanig dat een vertelling feiten kan bewaren en onthouden. Dit is niet zozeer een kwestie van herinnering als wel van het gelijktijdige bestaan van verleden én heden. Verhalen gaan over het Zijn. […] Ze gaan over het leven zelf en worden verteld aan mensen die nog onverminderd geloven dat het leven een verhaal is.’

[John Berger, ‘Márquez: The Secretary of Death Reads it back’, in: New Society, 61, 1982]

John Berger voelde zich in de eerste plaats chroniqueur, een dolende, kritische stem – nergens thuis, maar geestelijk vrij en ongebonden. Zoals Velázquez’ Aesopus, op één van zijn lievelingsschilderijen, en zoals Gabriel García Márquez met wie hij zich erg verwant voelde. ‘We maken van ons leven een verhaal om onszelf een kern te verschaffen, we dissen elkaar verhalen op om onszelf niet te verliezen. We blijven vertellen, verzinnen en herinneren – lees: beelden aan elkaar rijgen – om houvast te hebben.’ Zo wordt vertellen een levenshouding, een noodzakelijk ritueel. ‘De enige verdediging tegen de oprukkende tijd en ruimte’, zoals Berger het formuleert in En onze gezichten, mijn hart, vluchtig als foto’s (1984).

Diana (CC BY-NC-ND 2.0)

Subcomandante Insurgente Marcos met John Berger (2007)

In het verhaal

In 1975 stellen Berger en de Zwitserse fotograaf Jean Mohr een collageboek samen over economische migranten in Europa. Jaren later geeft hij in een interview te kennen dat hij zich erg trots voelt over A Seventh Man. ‘We gingen recht op ons doel af. Nee, dit is geen boek voor sociologen – wat zou dat! –, maar voor de anonieme, stemloze gastarbeiders zelf.’ Elders schrijft hij kernachtig: ‘Je kiest je verhaal niet. Je leeft het, zodat het – ná jou – kan worden doorverteld.’ Berger was er vast van overtuigd dat elk geleefd of verteld verhaal zinvol is, betekenis heeft. En hij voelde het als zijn plicht om die verhalen te verzamelen en aan de vergetelheid te ontrukken.

‘Je kiest je verhaal niet. Je leeft het, zodat het – ná jou – kan worden doorverteld.’

‘Het verbazende van wat ik waarneem of me verbeeld, zit in het bijzondere’, laat hij zich al aan het begin van zijn schrijversbestaan ontvallen. Aan die stelregel bleef hij zijn hele leven trouw. Dit blijkt vooral ook in Ten Huwelijk (1995). Deze indringende roman over verlies en le­vensvreugde is opgevat als een meerstemmig kwartet waarin je als lezer de genadeloze tijd voelt kloppen. Als een reeks ritmische hartslagen. In de muziek ‘vormen hoop en verlies een paar’. En als de tijd ritme is – zoals in de muziek – ‘dan bestaat de eeuwigheid daartussenin’.

Alsof Berger je wil zeggen: wie ontvankelijk luistert, danst mee met het bruidspaar en zit in het verhaal, wie vraagt naar de zin ervan, doorbreekt de magie, stapt eruit en ‘vraagt naar wat onuitspreekbaar is’. Aan elk verhaal komt natuurlijk een einde, maar ‘de belofte van elk verhaal’ is dat het met anderen kan worden gedeeld. ‘Echte verhalen confronteren je met je sterfelijk lot,’ dat je nu eenmaal alleen moet dragen, ‘al laten ze je nooit eenzaam achter.’

Steve Bowbrick (CC BY 2.0)

In zijn magistrale romantrilogie De vrucht van hun arbeid [onlangs opnieuw verschenen bij uitgeverij Schokland] ontpopte Berger zich tot een klassieke verteller. In Varken aarde (1979), Weg van Europa (1987) en Sering en vlag (1990) brengt hij de teloorgang in beeld van de traditionele landbouwcultuur waarin hij jarenlang leefde. Door talloze levensverhalen te vertellen tracht hij inzichten en ervaringen aan onze tijd door te geven. Hij haalt ze terug naar het nu. Meedogenloos, glashelder, liefdevol. En zo wordt wat definitief voorbij is, op slag weer brandend actueel. Het nu is immers een grote ketel waarin alle tijdperken uit de geschiedenis opborrelen en zich vermengen, zoals Octavio Paz ooit beeldrijk omschreef.

Waarheen?

Bij Berger wordt vertellen een vorm van persoonlijke geschiedschrijving. Niet van jaartallen, plekken of gebeurtenissen, maar zoals een landschap boordevol geheugen zit. Ogenschijnlijk fragmentarisch, maar daarom niet minder levensecht.

Hij nodigt je uit om je vaste kaders en zekerheden te herzien en te herdenken. Op de vraag: ‘Waarheen leidt de weg die wij moeten gaan?’ luidt Bergers antwoord: ‘Gebruik je hart en je verbeelding en herteken de kaart van je leven.’ En bij uitbreiding ook die van de wereld, de (kunst)ge­schiedenis…

‘Gebruik je hart en je verbeelding en herteken de kaart van je leven.’

Maar wees voorbereid: verbeelding leidt nergens toe. Ze brengt je thuis bij jezelf. Hoezo? Het is niet ingewikkeld, probeer het gewoon eens. Met gewone lucht. Geen parfum, maar de eerlijke zompige geur van aarde en regen. En gebruik je twee ogen, zoals een koe.

En besef, zoals Berger schrijft in Waarom naar dieren kijken? (1977): ‘Het veld waarop je staat, weerspiegelt de afmetingen van je eigen leven.’ Maar haast je, want de dieren waarmee we nog een intieme, ‘ogenblikkelijke relatie’ hebben, sterven in deze tijd van vluchtige, virtuele sensaties – stilzwijgend, onopgemerkt haast – uit. In het gedicht Zij zijn de laatsten (2001) klinkt het als volgt: ‘Nu ze er niet meer zijn, missen we hun duurzaamheid. Anders dan de boom, de rivier of de wolk, had het dier ogen en in hun blik lag bestendigheid.’

‘Tegen jou zeg ik JA, tegen het leven dat we moeten leven, zeg ik NEE. Toch ben ik trots op dit leven, trots op wat we hebben gedaan, trots op ons. En wanneer ik dat denk, word ik een derde persoon, niet jij of ik, en jij wordt diezelfde derde persoon – boven elk ja of nee verheven!’

[John Berger, Van A tot X. Een verhaal in brieven, 2008]

Er is nog zoveel niet gezegd, er is nog zoveel dat je mensen of dieren niet kunt aandoen, zelfs al moeten we allemaal sterven. Maar alles wat John Berger nalaat – woorden, beelden, inclusief zijn leven –, ligt klaar om te worden gelezen. Niet louter als boek of testament, maar als een levendig gesprek, een troostvolle vertelling te midden van het soms wrede, absurde bestaan. Ja, laten we zijn leven teruglezen én opnieuw vertellen. Zoals een tekst, want het ligt vast. Zijn woorden zijn nu voor altijd. Het is volbracht.

Joris Capenberghs is cultuurhistoricus en antropoloog.

Laat een reactie achter

Javascript is vereist om dit formulier te gebruiken.

LEES OOK

© Brecht Goris
‘De mensheid heeft al problemen genoeg zonder dat religie er daar nog een aan toe moet voegen.’ De Nigeriaanse Nobelprijswinnaar voor Literatuur Wole Soyinka (1934) hekelt de onverdraag