Afrikaanse Ontwikkelingsbank investeert in visserij in Grote Meren

De Afrikaanse Ontwikkelingsbank maakt 14 miljoen euro vrij om de visserij op het Edward- en het Albertmeer op de grens tussen Congo en Uganda uit het slop te halen. De oorlogstoestanden van de afgelopen zes jaar hebben de ooit bloeiende nijverheidstak doen wegkwijnen: de Congolese kant van de meren ligt helemaal in rebellengebied.

Het project gaat uit van het in Entebbe gevestigde Nile Basin Initiative (NBI) - een intergouvernementele organisatie waarin alle landen uit het stroomgebied van de Nijl vertegenwoordigd zijn: Uganda, Congo, Tanzania, Kenia, Rwanda, Burundi, Sudan, Ethiopië en Egypte. De Afrikaanse Ontwikkelingsbank, die voor het geld zal zorgen, onderzoekt momenteel de resultaten van eerste missies naar Uganda en Congo, respectievelijk in december en eind januari. De bank voerde gesprekken met Ugandese en Congolese vissersgemeenschappen om hun problemen in kaart te brengen en na te gaan hoe hun productiviteit kan worden verhoogd. Met de autoriteiten van beide landen werd overlegd over het veiligheidsprobleem in de regio.

De vissers wagen elke dag hun leven en moeten met verouderd materieel werken, zegt Dieudonné Kakura, een visserijexpert van niet-gouvernementele Nationaal Centrum voor Ontwikkeling in Kinshasa. De wegen die naar het Albertmeer voeren, zijn bovendien zes jaar lang niet meer onderhouden en daardoor nagenoeg onberijdbaar geworden. Volgens Kakura had de visserij in het Albertmeer voor het begin van de eerste Congolese burgeroorlog in 1996 een semi-industrieel niveau bereikt. De meeste vis die in Congo werd gegeten, kwam uit het Albertmeer. Maar volgens de schaarse statistieken die beschikbaar zijn, halen de Congolese vissers op het Albertmeer nu 40 procent minder boven dan in 1996. Als gevolg van de transportproblemen wordt het grootste deel daarvan ter plaatste geconsumeerd. Volgens Kakura heerst er ook complete anarchie aan de Congolese kant van het meer. Er zijn geen visserijwetten en er is geen overheid om die af te dwingen. De vissers respecteren zelfs de paaiplaatsen niet meer. Daardoor nemen de bestanden af en gaat de kwaliteit van de vis achteruit.

In het Edwardmeer, dat midden in het Virungareservaat ligt, zijn de problemen nog groter. Het meer was al overbevist voor het begin van de burgeroorlog, weet Amedée Kirarahumu, een collega van Kakura bij het Nationaal Centrum voor Ontwikkeling. De vangsten zijn teruggelopen van 16.000 ton in 1986 tot 13.000 ton in 1990 en 8.000 ton in 1992. De vis uit het meer gaat naar de inwoners van de twee Congolese provincies Noord- en Zuid-Kivu, maar ook naar Rwandese vluchtelingen die na de genocide van 1994 toestroomden. Het meer voedt bijna zes miljoen mensen, schat Kirarahumu. Om de grote vraag in de twee Kivu-provincies te dekken, wordt nu ook vis aangevoerd uit het Tanzaniaanse Mwanza, aan de oever van het reusachtige Victoriameer.

Volgens Jean Futa, de Congolese minister van Economie, is er een goede kans dat het project van de grond komt nu de relaties tussen Congo en Uganda aan de beterhand zijn. Volgens hem moet de Afrikaanse Ontwikkelingsbank wel nog meer investeren.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift