Bananentelers staan garant voor kromme arbeidsrechten

Bananenproducenten in Ecuador schenden voortdurend de internationale arbeidsnormen. Ze laten jonge kinderen gevaarlijk werk doen en beletten de volwassenen vakbonden te vormen. Dat blijkt uit een rapport van Human Rights Watch (HRW) dat vandaag (donderdag) wordt voorgesteld.



Het HRW-rapport ‘Tainted Harvest’ is gebaseerd op drie weken intensief onderzoek in de bananenproducerende gebieden aan de Ecuadoraanse kust. Het roept de regering in Quito op veel strenger toe te zien op de naleving van de bestaande wetgeving op kinderarbeid en de arbeidswetgeving zo te wijzigen dat bananenwerkers zich vrij kunnen organiseren. Ook worden de grote Ecuadoraanse en Amerikaanse bananenexporteurs ertoe aangespoord de werkomstandigheden op de plantages beter te volgen en de lokale bananentelers te stimuleren tot meer respect voor de internationale arbeidsnormen.

Ecuador is de grootste bananenexporteur ter wereld. Het land tekende in 2000 voor een kwart van de Amerikaanse bananeninvoer en bijna een vijfde van de Europese. De Ecuadoraanse bananenproductie is in handen van plaatselijke telers: kleine familiebedrijven van enkele hectaren maar ook grootschalige plantagebedrijven. Deze uitzonderlijke situatie - in andere landen bezitten de grote multinationals zoals Chiquita, Dole en Del Monte meer dan zestig procent van de plantages - is te danken aan een verreikende landhervorming uit de jaren zestig. Controle en druk op de producenten worden hierdoor wel bemoeilijkt.

Volgens het rapport is kinderarbeid op de plantages zeker niet ongebruikelijk. De meeste kinderen zijn tussen acht en dertien jaar oud. Zij maken lange dagen en werken in gevaarlijke omstandigheden. Tegen de vliegtuigjes met pesticiden vormt hun T-shirt de enige bescherming en de kinderen klagen dan ook over hoofdpijn, koorts, duizeligheid, branderige ogen, maagpijn, misselijkheid, braakneigingen, vermoeidheid en gewrichtspijnen. Ze moeten werken met scherpe haken en messen en torsen veel te zware gewichten. Meisjes worden vaak seksueel misbruikt. Minder dan vier op tien kinderen uit het rapport lopen op veertien jaar nog school.

De kinderen werken niet voor de lol. Om te kunnen overleven moeten zij het magere loon van hun ouders aanvullen met hun eigen hongerloon. Het werk op de plantages is immers zwaar onderbetaald. Zelfs het minimumloon van 5,85 dollar per dag wordt door de producenten niet gerespecteerd net zo min als de verplichte verzekering voor de arbeiders. Om de eindjes aan elkaar te knopen moeten de kinderen wel meewerken, voor een nog lager loon.

Onder de Ecuadoraanse wet hebben werkgevers nochtans een vergunning nodig om kinderen onder veertien jaar te laten werken. Volgens het rapport wordt die bepaling in de praktijk nooit afgedwongen. De bureaucratie van de regering laat alles op zijn beloop.

Dat geldt ook voor de moeilijkheden die werknemers in de bananensector ondervinden om zich te organiseren. Slechts één procent van de bananenwerkers is lid van een vakbond; dat is het laagste percentage onder Centraal-Amerikaanse bananenexporteurs. Het probleem zit volgens het rapport opnieuw bij de zwakke wetgeving en de onwil van de staat om bepaalde reguleringen af te dwingen. Zo zijn werkgevers niet verplicht werknemers opnieuw aan te nemen die ze ontslagen hebben omwille van vakbondsactiviteiten. In het beste geval moet aan de staat een kleine boete betaald worden.

Ook de gewiekste tactiek van de telers om onderaannemers arbeiders te laten aanwerven of om ‘permanent tijdelijke’ arbeiders in te huren wordt niet bestraft. Zo slagen de telers erin bepaalde verplichtingen te omzeilen, en kunnen ze hun werknemers het recht op vereniging ontzeggen. Voor georganiseerd protest tegen de abominabele werkomstandigheden en de absurd lage lonen hoeven ze dan ook niet bang te zijn.

Ondanks hun eigen gedragscodes inzake arbeid en milieu weigeren de multinationals in de bananenexport de Ecuadoraanse plantages te verplichten de internationale arbeidsnormen te respecteren. De onderzoekers van HRW kregen daarvoor nul op het rekest. Enkele exportreuzen verklaarden hun zakelijke verhoudingen met de producenten koeltjes tot gevoelige bedrijfsinformatie.


Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift