Bangladesh, een tragedie

Nieuws

Bangladesh, een tragedie

Bangladesh, een tragedie
Bangladesh, een tragedie

Steffi Vermeire

14 mei 2013

De brand die in 1911 de Triangle Shirt Waist fabriek in New York verwoestte en 146 doden tot gevolg had, was de aanleiding om de arbeidsomstandigheden in de Amerikaanse kledingindustrie flink onder de loep te nemen. De instorting op 24 april van het Rana Plaza in de Bengalese hoofdstad Dhaka had een nog veel gruwelijkere afloop. Met meer dan 1100 doden, en dat getal zal de komende dagen nog oplopen, groeit de druk op kledingfabrieken in ontwikkelingslanden om hun veiligheidsvoorschriften te verbeteren. MO* vroeg Ann Claes van de kledingketen JBC om een reactie.

11 april 2005, de Spectrum kledingfabriek in Bangladesh kan de illegaal bijgebouwde verdiepingen niet meer dragen en stort in. 64 arbeidsters komen om en 80 geraken gewond. Nog geen jaar later is het weer van dat. Op 25 februari 2006 begeeft een kledingfabriek het in Tejgaon, een district in de Bengalese hoofdstad Dhaka. 21 doden is de balans ditmaal.

Nog vele rampen volgen en bijna altijd opnieuw met hetzelfde verhaal. Het gebouw was niet geconstrueerd om kledingfabrieken te huisvesten, er werden verdiepingen bijgebouwd die het complex niet kon dragen, de gebouwen waren al langer onveilig verklaard maar de werkneemsters werden gedwongen, met vrees voor ontslag, om toch te blijven werken. In november volgt de brand in de Tazreen Fashion Fabriek die opnieuw 112 levens eist.

Naar schatting zijn er tussen 2006 en 2012 zo’n 500 werkneemsters omgekomen als gevolg van instortingen of branden in illegaal geconstrueerde gebouwen. Dat aantal is nu, sinds 24 april van dit jaar, verdriedubbeld. En dan hebben we het alleen nog maar over Bangladesh.

Kledingketens voelen druk

Terwijl de zoektocht naar lichamen voortduurt in wat de meest dodelijke ramp in de kledingindustrie ooit moet zijn, wordt druk gespeculeerd over de grote schuldige in dit verhaal. De druk op kledingketens die hun producten in Bangladesh laten vervaardigen groeit.

Het Britse Primark, waarvan al snel labels werden ontdekt in het ingestorte Rana Plaza, kwam twee weken geleden met de belofte op de proppen om de slachtoffers van de ramp  een schadevergoeding uit te betalen. Vele andere  kledingketens haastten zich om blinkende woorden als duurzaam ondernemen in de mond te nemen en te benadrukken dat zij wel uitgebreide controles voeren op hun leveranciers in Bangladesh en ze de werkomstandigheden nauwlettend in het oog houden.

De dodelijke gebeurtenissen van de afgelopen jaren benadrukken echter dat de controles die deze bedrijven uitvoeren, tekortschieten. ‘Veel van deze internationale merken hebben hun eigen vorm van audits. Desondanks is geen enkele van hen erin geslaagd om de illegale bouw- en veiligheidsvoorschriften te identificeren’, vertelt Ben Vanpeperstraete, coördinator van de Schone Kleren Campagne.

Bangladesh fire and building safety agreement

Vanpeperstraete benadrukt het belang voor bedrijven om het Bangladesh Fire and Building Safety Agreement te ondertekenen, een overeenkomst die samen met Bengalese en internationale vakbonden en ngo’s werd ontwikkeld. Het verdrag omvat onder andere een verplichte doorvoering van verbeteringen bij gebreken aan de gebouwen en onafhankelijke en transparante fabrieksinspecties.

‘Ondertussen hebben ook al meer dan een miljoen mensen de petitie ondertekend’,zegt Vanpeperstraete. ‘Een duidelijk signaal naar internationale kledingketens die beroep doen op fabrieken in Bangladesh, zoals onder andere H&M, Mango, Primark, C&A en Carrefour. We vragen aan merken om onmiddellijk de nodige maatregelen te nemen in hun toeleveringsketen om een ​​nieuwe tragedie zoals Rana Plaza te voorkomen.’

De eis voor onafhankelijke controles is er niet zomaar. Scott Nova van de drukkingsgroep Workers Rights Consortium (WRC) legt in een interview aan The New York Times uit dat controleurs vaak gewoon worden ingezet door de fabrieken die ze inspecteren. ‘Een essentieel belangenconflict dus. Vaak wordt bij controles vooral aandacht gehecht aan andere belangrijke zaken zoals werkuren en kinderarbeid, maar nooduitgangen of brandveiligheid worden nauwelijks gecontroleerd.’

‘Pas als grote ketens meedoen, kan er iets veranderen’

Het  Belgische kledingbedrijf JBC gaf eerder al aan dat ook zij voor een deel van hun kleding beroep doen op Bengalese toeleveranciers. Ann Claes, mede-eigenaar van JBC en hoofd van inkoop, gaat meerdere malen per jaar ter plaatse om de leveranciers met wie het bedrijf samenwerkt te ontmoeten.

‘Om de fabrieken te controleren werken we samen met Wethica, een onafhankelijk auditbedrijf uit Shanghai,’ zegt Claes. ‘Zij werken samen met lokale mensen. Dat is uiteraard noodzakelijk, aangezien ik de taal niet spreek en dus ook geen gesprekken kan voeren met de werknemers en weinig kan opmaken uit de documenten die men mij voorlegt.’ Claes merkt op dat het moeilijk is voor bedrijven als het hare om druk uit te voeren op de leveranciers.

‘We vinden het Bangladesh Fire and Building safety Agreement een belangrijk document, maar wij alleen zijn te klein om echt iets te bewegen bij de fabriekseigenaars. De bestellingen die wij plaatsen bij onze leveranciers zijn miniem in vergelijking met andere ketens. De fabrieken moeten de overeenkomsten die in dit charter staan respecteren maar wij zijn niet belangrijk genoeg om de druk op hen te vergroten. Dan zouden wij op zoek moeten gaan  naar nieuwe leveranciers  terwijl de situatie niet verbetert. Pas als de grote ketens meedoen, kan er iets veranderen. Om dit charter effectief en uitvoerend te maken is een brede samenwerking noodzakelijk tussen de retailers, de overheid, de kledingindustrie, de ngo’s en de vakbonden.’

Ann Claes legt een deel van de verantwoordelijkheid van rampen als die in Rana Plaza bij de fabrieken zelf. ‘Het is de vraag van de kip of het ei. In eerste instantie zijn het nog steeds de eigenaars van de lokale fabrieken die beslissen of ze meegaan in die prijzenoorlog van de kledingketens. Bij JBC zitten we gelukkig niet in dat heel goedkope prijssegment.’ Er zijn ook zeer veel “goede” lokale ondernemers, zegt Claes, mensen die wel op een verantwoordelijke manier produceren en met hun personeel omgaan.

Volgens Claes zou ook de Bengalese overheid haar verantwoordelijkheid moeten opnemen. ‘Er moeten betere wetten worden opgesteld en ook de controle op de naleving ervan moet een stuk grondiger gebeuren.’

Ondertussen werd de website van JBC aangepast en vindt men een rubriek “Ethisch ondernemen” waar het bedrijf uitlegt op welke manier het aandacht besteedt aan de omstandigheden waarin de kleding geproduceerd wordt. Voelt het bedrijf een groeiende druk door de voorbije gebeurtenissen?  ‘We beseffen meer dan ooit dat transparantie noodzakelijk is. De behoefte aan kennis over hoe artikelen vervaardigd worden, leeft bij de mensen en we willen daar zeker aan beantwoorden.’

Vakbonden in de kiem gesmoord

In Bangladesh kopten verschillende kranten al gauw met “moord” om de gebeurtenissen van 24 april te beschrijven. ‘Als er vakbonden actief waren geweest, had deze ramp kunnen voorkomen worden. Die hadden ten minste verhinderd in dergelijke omstandigheden het werk te hervatten’, Is ondertussen de stelling van velen. Ook Jef Van Hecken, coördinator Zuid-Azië bij de ngo Wereldsolidariteit, onderstreept het grote belang van vakbonden in het land. Maar op zijn blog legt hij uit dat het niet zo simpel is.

‘Bangladesh heeft voldoende wetgeving die de mogelijkheid biedt om zich vrij te organiseren. Dat is niet het probleem. De internationale arbeidsnormen zijn onderschreven. Maar het schoentje wringt (en dat is zachtjes uitgedrukt) in de omzetting naar de praktijk. Ontslag en intimidatie zijn schering en inslag. Dikwijls hebben arbeiders geen geschreven contract, zodat het bijzonder moeilijk is om voor je rechten op te komen. Als je baas dan nog weigert je rechtmatige karig loon op tijd uit te betalen, dan ben je helemaal een gevangene. Vernieuwen van het volledig personeelsbestand is een ander gevolgde strategie om vakbondswerk in de kiem te smoren. Volgens deze aanpak werkt geen enkele arbeider langer dan vijf jaar in je fabriek.’

Drie miljard dollar om veiligheid te garanderen

De dreiging van de Europese Unie om haar voorkeursbehandeling voor kleding uit Bangladesh te herzien tot de arbeidsomstandigheden beteren, lijkt een stap in de goede richting. Maar ook de druk op de internationale kledingmerken moet hoger. ‘Het Bangladesh Fire and Building Safety Agreement kan hier uitkomst bieden’, vertelt Vanpeperstraete. ‘Onderdeel van dit akkoord  is immers ook dat merken toezeggen om de prijs te betalen die nodig is om de kosten te dekken voor het doorvoeren van verbeteringen.’

Scott Nova van de Workers Rights Consortium schat dat het kostkaartje om alle 5.000 Bengalese kledingfabrieken veilig te maken zo’n drie miljard dollar bedraagt. ‘Over enkele jaren verspreid zou dat betekenen dat elk kledingstuk, gemaakt in Bangladesh, een paar cent duurder zou moeten worden. Ik denk niet dat veel consumenten daar een probleem van zouden maken als rampen zoals Rana Plaza hierdoor tot het verleden behoren.’

‘Hoe het ook gebeurt, een inspanning om de  Bengalese kledingfabrieken te verplichten hun veiligheidsnormen te verbeteren, zou in ieder geval betekenen dat het gigantische dodental niet het enige gevolg was van de ramp in Rana Plaza,’ aldus Nova.