Iraaks oliewapen dreigt vooral ontwikkelingslanden te treffen

Amerikaanse analisten achten de kans klein dat
de Iraakse beslissing om de uitvoer van olie minstens voor een maand stop te
zetten, de prijzen voor langere tijd kan opdrijven. Maar als nog andere
moslimlanden zich bij het initiatief zouden aansluiten en er echt schaarste
komt op de markt, zullen de ontwikkelingslanden daar het meeste last van
hebben, en niet de rijke landen tegen wie de exportboycot eigenlijk werd
afgekondigd. Irak hoopt die landen onder druk te zetten hun steun aan Israël
op te zeggen en op die manier de Palestijnse zaak vooruit te helpen.


De Iraakse president Saddam Hussein had maandag aangekondigd de export van
olie stop te zetten, in eerste instantie voor een periode van 30 dagen of
tot wanneer de Zionistische entiteit zijn troepen onvoorwaardelijk heeft
teruggetrokken uit de Palestijnse Gebieden. Volgens de Organisatie van
Olie-exporterende Landen (OPEC) komt dat neer op een productiebeperking van
twee miljoen vaten per dag, of ongeveer vier procent van het internationale
aanbod. Maar toevallig is door een staking in het Venezolaanse oliebedrijf
PDVSA de olie-uitvoer uit dat land - de vierde exporteur ter wereld -
momenteel ook sterk verminderd. Daardoor stegen de olie-futures in Londen
maandag met ongeveer zes procent.

De analisten schrikken niet van die prijsstijging. De stijging is niet
significant, zegt Michael Pineles van het financiële onderzoeksbureau
IDEAglobal in New York. De olieprijzen vertonen al een hele tijd een
stijgende tendens. Bovendien verwachten sommige traders en analisten dat
Saudi-Arabië, Koeweit en andere OPEC-leden stilletjes hun productie zullen
opvoeren. Anonieme medewerkers van het kartel verzekeren zelfs dat dit zal
gebeuren als de olieprijzen zo hoog zouden stijgen dat het herstel van de
Amerikaanse economie erdoor in het gedrang zou komen. Daarvan zou immers
heel de wereld en dus ook de OPEC slechter worden. Bovendien lijkt het ook
aannemelijk dat niet-OPEC-leden als Mexico, Rusland, Angola en Noorwegen hun
productie zullen aanzwengelen als de prijzen verder stijgen.

Tot een echte verstoring van de oliemarkt lijkt het alleen te kunnen komen
als verscheidene andere olieproducerende landen het voorbeeld van Irak
volgen. Iran en Libië hebben gezegd voorstander te zijn van een boycot ten
voordele van de Palestijnse zaak, maar alleen als alle Arabische producenten
zich daarbij aansluiten.

Maar zelfs in dat onwaarschijnlijke geval komen de rijke landen nog niet
meteen in de problemen. Volgens Matthew Freedman, een medewerker van
Economy.com, hebben de rijke landen genoeg strategische reserves om het bij
een plotse daling van het aanbod en in de hoogste snellende prijzen nog lang
te kunnen blijven uitzingen. Ontwikkelingslanden die zelf geen olie
produceren en een zwakke munt en een kwakkelende economie hebben, zouden
veel sneller uitgeteld zijn. Dat geldt onder meer voor de Aziatische
Tijgers, die nog steeds aan het herstellen zijn van de crisis in ‘97 en ‘98.
Dergelijke landen hebben nauwelijks buffers om de prijsschokken op te
vangen, oordeelt Anindya Chatterjee, een andere medewerker van IDEAglobal.
Hoge olieprijzen zouden de productie- en transportkosten van exportlanden
als Thailand en Zuid-Korea opdrijven, en op die manier de winsten en dus ook
de investeringen aantasten. Ook Brazilië hoort op dat lijstje van
risicolanden thuis. In tegenstelling tot de rijke landen hebben die nieuwe
groeimarkten bovendien nog niet veel geïnvesteerd in energie-efficiëntie,
wat stijgende olieprijzen voor hen extra pijnlijk maakt.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift