Kloof tussen en rijk en arm wordt breder

Nieuws

Kloof tussen en rijk en arm wordt breder

Tran Dinh Thanh Lam

08 april 2002

De kloof tussen arme en rijke Vietnamezen
is al even breed als de inkomenskloof in China, en de ontwikkeling van de
financiële ongelijkheid gaat er momenteel sneller dan in dat grote buurland.
Dat blijkt uit een studie die het Vietnamees Centrum voor Sociale en
Menswetenschappen met steun van het VN-Ontwikkelingsprogramma (UNDP) heeft
gemaakt. Tot hiertoe hadden de Vietnamese beleidsmakers zich altijd sterk
gemaakt dat de ongelijkheid tussen de burgers niet of nauwelijks toenam als
gevolg van de snelle economische ontwikkeling in het land.

Tussen 1993 en 1999 veranderde er volgens de cijfers van het Algemeens
Bureau van de Statistiek nauwelijks iets aan de Vietnamese
inkomensverdeling. De Gini-coëfficiënt - een graadmeter voor de
gelijkmatigheid van een verdeling waarbij 0 voor volkomen gelijkmatigheid
staat en 1 het summum van ongelijkheid is - voor de inkomens in Vietnam nam
in die vijf jaar gezapig toe van 0,33 tot 0,357. Die cijfers wijzen op een
erg egalitaire en stabiele inkomensverdeling - iets wat kan worden verwacht
van een land met een socialistisch verleden.

Maar volgens de nieuwe studie is de Gini-coëfficiënt voor de Vietnamese
inkomens intussen gestegen tot 0,41 - een cijfer dat vergelijkbaar is met de
waarde van 0,404 die vandaag voor China geldt. Dat wil zeggen dat de
inkomensverdeling in Vietnam een stuk schever is geworden, maar vooral dat
die ontwikkeling de laatste jaren sneller gaat in Vietnam dan in China.

Uit de nieuwe analyse blijkt overigens dat de toename van de
maatschappelijke ongelijkheid ook al voor 1999 begon te versnellen. Tussen
1995 en 1999 vergrootte de inkomensgelijkheid in 31 van de 62 provincies
waarin het land is opgedeeld, terwijl de inkomenskloof slechts in 10
provincies versmalde. En in 1999 verdiende de rijkste 20 procent van de
bevolking al 7,3 keer meer dan de armste 20 procent.

In dat licht worden de economische groeiresultaten van het voorbije
decennium waarop de Vietnamese regering zo trots is, opeens een stuk
bedenkelijker. Vietnam heeft zich in de loop van de jaren 90 ontwikkeld van
een land dat moeite had om zijn bevolking te voeden tot de op één na
grootste rijstexporteur ter wereld en ook de gemiddelde levensstandaard van
de bevolking is fenomenaal gestegen, maar experts stellen dat een meer
evenwichtige verdeling van die nieuwe welvaart nog voor een sterkere en meer
bestendige groei had kunnen zorgen.

Bijna alle Vietnamezen hebben het nu duidelijk beter dan tien jaar geleden,
maar de rijken en de stedelingen en vooral dan de inwoners van de grootste
steden hebben duidelijk de beste zaak gedaan. Terwijl de stedelingen sinds
1998 van een ononderbroken snelle groei hebben geprofiteerd, kregen veel
Vietnamese boeren af te rekenen met natuurrampen en ongunstige
prijsontwikkelingen.

De stadsbewoners verdienen niet alleen steeds meer vergeleken met hun
landgenoten in de dorpen, ze hebben ook toegang tot betere onderwijskansen,
een betere gezondheidszorg, meer tewerkstellingskansen en betere sociale
voorzieningen. Ook daardoor laten de centra het platteland steeds verder
achter zich wat economische groei aangaat.

Sommige Vietnamese economen bezweren de overheid er niet van uit te gaan dat
snelgroeiende regio’s de rest van het land wel zullen meezuigen, en dat de
economische vooruitgang die overal merkbaar is ook vanzelf wel overal
financiële ruimte zal scheppen voor de verbetering van het onderwijs, de
gezondheidszorgen en andere openbare voorzieningen. In de Mekongdelta in het
zuiden van het land hebben bijna alle inwoners hun inkomen de laatste jaren
zien toenemen en is de inkomensverdeling nauwelijks scheefgetrokken, maar
toch blijven de inwoners van de streek erg kwetsbaar voor natuurrampen en
schommelingen van de landbouwprijzen. Veel mensen hebben er ook nog geen
toegang tot veilig drinkwater en goede sanitaire voorzieningen. In de
bergprovincies Kon Tum in het centrum van het land en Lai Chau en Lao Cai in
het noorden is de bevolking er nog veel slechter aan toe. Die gebieden
verdienen volgens experts speciale aandacht.

Gedeeltelijk houdt de Vietnamese regering al rekening met die suggesties. In
Hanoi en Ho Chi Minh-stad, de twee grote steden, zet de overheid alles op
industriële groei, gecombineerd met milieubeschermingsmaatregelen en de
strijd tegen ‘sociale kwalen’ als prostitutie en drugsmisbruik. In de
afgelegen berggebieden en de rivierdelta’s wordt van overheidswege vooral
geïnvesteerd in openbare voorzieningen en de stimulering van
nijverheidssectoren die een aanvulling kunnen bieden bij het inkomen dat de
bevolking haalt uit de traditionele landbouwactiviteiten.