'Miljardenproject BP exporteert militaire repressie naar Papoea'

Als China ingaat op het Indonesische bod om vloeibaar
gas te leveren uit de provincie West-Papoea, zal dat heel veel inkomsten
opleveren voor Indonesië. Maar toch zijn weinig inwoners van de door armoede
getroffen provincie West-Papoea enthousiast over het project. De inwoners
vrezen dat de lusten van het contract - heel veel geld - opnieuw naar
Jakarta zullen vloeien terwijl de lasten - intimidatie door het leger,
moorden en ontvoeringen - voor rekening van de Papoea’s zelf zijn.


Eind april heeft Indonesië een laatste bod gedaan aan de Chinese regering om
een contract ter waarde van ruim 2,2 miljard euro in de wacht te slepen voor
de productie van natuurlijk gas in de Bintuni Baai in West-Papoea. Het
project zou worden uitgevoerd door de derde grootste oliegroep ter wereld,
het Britse BP-PLC, in samenwerking met Pertamina, de olie- en
gasmaatschappij van de Indonesische staat. Een aantal hooggeplaatste
Indonesische personen, tot president Megawati Sukarnoputri, zijn naar China
gereisd om Peking te overtuigen. Onderzoek heeft aangetoond dat de voorraad
vloeibaar gas in de baai ten minste 15 tot 20 jaar lang elk jaar tot 3
miljoen ton kan opleveren. Tegen 2006 wil BP klaar zijn met de bouw van de
noodzakelijke installatie.

Het project zou een belangrijke bron van inkomsten vormen voor de
Indonesische regering. Maar vele mensen in West-Papoea, de provincie aan de
oostelijke rand van de Indonesische archipel, weten nu al dat de werkelijke
winst van het project, ook dit keer weer naar Jakarta zal gaan en niet naar
hun provincie. West-Papoea (dat tot begin dit jaar Irian Jaya heette) is nog
steeds straatarm, hoewel heel wat multinationals erin hebben geïnvesteerd.
Geen enkele investering in West-Papoea is voor de Papoa’s. Alle dollars
verdwijnen in de zakken van mensen in de regering. Het enige wat we in de
plaats krijgen is geweld, zegt een Papoea-student in Jakarta. Hij verwijst
naar de militaire pogingen om een lang aanslepende campagne tot afscheiding
van Papoea de kop in te drukken.

Met dit BP-project lopen we het risico op herhaling van de gebeurtenissen
bij Freeport, zegt Nur Hidaryati, campagnevoerster bij het Indonesische
Milieuforum WALHI, een ngo uit Jakarta. In de jaren zestig startte het
Amerikaanse Freeport McMoRan Copper & Gold inc. een groot project voor de
ontginning van koper. Actievoerders hebben aangetoond dat het bedrijf moreel
verantwoordelijk is voor verschillende ontvoeringen en moorden op inwoners
door de militaire bewakers die het ontginningsgebied moesten beschermen. Het
bedrijf, dat ook de grootste belastingbetaler is in Indonesië, ontkent de
feiten.

BP heeft aangekondigd dat het de plaatselijke gemeenschap wil betrekken bij
de veiligheidsmaatregelen om dezelfde problemen te vermijden. Maar critici
hebben hun twijfels. De Britse milieugroep Down to Earth wijst erop dat de
bescherming van bedrijven al lang een lucratieve bron van inkomsten is voor
het Indonesische leger en dat het dus niet eenvoudig zal zijn een eind te
maken aan die militaire betrokkenheid. De groep heeft ook vragen bij
Pertamina. Dat staatsbedrijf werkt ook samen met het Amerikaanse gas- en
oliebedrijf Exxon Mobil in de opstandige provincie Atjeh. Daar zijn onder
andere conflicten ontstaan tussen de plaatselijke gemeenschap en Exxon Mobil
omdat Indonesische troepen die werden betaald om de installaties te bewaken,
zich schuldig maakten aan mensenrechtenschendingen.

Omdat de veiligheidsmaatregelen afhankelijk zullen zijn van externe factoren
die buiten de controle van het bedrijf vallen, zal BP volgens Down to Earth
moeilijk zijn beloften kunnen houden om de bevolking in te schakelen. BP
heeft nu militaire en veiligheidsadviseurs ingehuurd om een
‘veiligheidsprogramma dat steunt op de gemeenschap’ uit te werken om een
confrontatie tussen soldaten en gewapende rebellen in West-Papoea te
vermijden. Down to Earth heeft vastgesteld dat de lokale bevolking vreest
dat het Indonesische leger conflicten zal uitlokken in de nabijgelegen
gebieden om de nood aan een sterkere bewaking op de site te verantwoorden.

Milieugroepen vrezen dat BP net als Freeport de inheemsen zal verplichten
hun voorouderlijke gronden te verlaten. Ongeveer vijfhonderd dorpelingen die
rond het BP-project in Bintuni Bay wonen, zullen hun huis in Tanah Merha
moeten ruilen voor een nieuw opgericht dorp 3,5 km verder westwaarts. Ook
die verhuis kan een lokaal conflict veroorzaken, zegt Nur Hidaryati van
WALHI. De Papoea’s leven volgens tribaal gewoonterecht waarbij het
traditionele grondgebied een belangrijke rol speelt. Als een stam moet
verhuizen naar het grondgebied van een andere stam, kan er tussen de twee
een conflict ontstaan. Maar dat trekt de regering zich natuurlijk niet aan.
Als zij een ontwikkelingsproject opzet, bekijkt ze gewoon de kaart maar
vergeet dat daar ook mensen wonen. Volgens Hidaryati zou BP veel meer
overleg moeten plegen met de plaatselijke bevolking. De dorpelingen zijn al
behoorlijk geïrriteerd omdat ze nog niet weten wanneer ze moeten verhuizen.
Bovendien zouden zij maar een schamele vergoeding ontvangen voor de grond
die ze moeten opgeven.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2945   proMO*’s steunen ons vandaag al. We hopen 2021 te kunnen starten met 3000 proMO*‘s, word jij er één van?

Word proMO* of Doe een gift