Nieuw laboratorium moet vermisten identificeren

Nieuws

Nieuw laboratorium moet vermisten identificeren

Vesna Peric Zimonjic

27 september 2002

Een nieuw DNA-laboratorium in Belgrado moet
uitsluitsel brengen over de meer dan 40.000 mensen die nog steeds vermist
zijn in voormalig Joegoslavië. Het laboratorium heeft de capaciteit om 1000
stalen per maand te onderzoeken. Dat is niet veel in verhouding tot het
aantal vermisten, maar het is het grootse project van deze aard in de
wereld, stelt Dr. Oliver Stojkovic, hoofd van het laboratorium.

Het laboratorium is een initiatief van de Internationale Commissie voor
Vermiste Personen (ICMP) die in ‘96, na de oorlog in Bosnië-Herzegovina,
werd opgericht. Het is het vierde DNA-laboratorium in de regio en zal
Y-chromosomen onderzoeken. Alle mannelijke leden van één familie hebben
dezelfde Y-chromosomen die doorgegeven worden van vader op zoon. De drie
andere laboratoria bevinden zich in Bosnië-Herzegovina omdat daar de meeste
vermisten zijn. Ze zijn gespecialiseerd in respectievelijk de analyse van
bloedstalen, van beenderen en van gecompliceerde gevallen zoals verbrande of
door chemicaliën vernietigde lichamen.

Met dit netwerk van laboratoria moet het mogelijk zijn de overblijfselen van
vermisten over heel voormalig Joegoslavië te identificeren. Buiten Slovenië
en Montenegro (dat deel uitmaakt van de Servische Republiek) ontsnapte geen
enkele regio aan de oorlog en vielen overal doden. Begin jaren 90 leidden
bloedige oorlogen tot de onafhankelijkheid van Kroatië en Bosnië. Later was
er een gewelddadig conflict tussen de Servische strijdkrachten en het
Kosovaars Bevrijdingsleger in Kosovo. Recenter was het onrustig in
Macedonië.

De laboratoria moedigen zoveel mogelijk familieleden van vermisten aan om
stalen te geven. Als ze dit niet doen, kunnen we de slachtoffers nooit
identificeren, stelt Ed Huffine, directeur forensische wetenschap bij de
ICMP. De drie laboratoria in Bosnië hebben al een databank van 15.000 stalen
van bloed en beenderen samengesteld. Daarnaast zijn ook in Kosovo nog 3500
stalen verzameld. Ongeveer 3700 mensen -voornamelijk Albanese Kosovaren-
zijn daar nog vermist. Het gemakkelijkst verloopt de identificatie via
stalen van ouders. Kinderen dragen namelijk de DNA van de beide ouders in
zich. Als die niet meer leven, probeert men het via broers en zussen. Elk
staal krijgt een streepjescode en wordt in een centrale computer in Tuzla
ingebracht. De programma’s die het genetische materiaal dan linken aan een
bepaalde familie zijn een indrukwekkend staaltje van moderne software. Maar
volgens experts moeten men minstens 100.000 stalen hebben om de
overblijfselen van de 40.000 vermisten te kunnen identificeren.

Zolang de pijnlijke waarheid achter deze vermisten niet achterhaald is, en
de daders niet veroordeeld zijn, kan er ook geen sprake van verzoening zijn
, stelt Nebojsa Covic, een belangrijk Servisch ambtenaar. Volgens
statistieken zijn de meeste vermisten niet-Servisch. Voor de nieuwe
Servische regering is het dan ook een belangrijk symbool dat het nieuwe
laboratorium in Belgrado gevestigd is. Daarmee distantieert ze zich
duidelijk van de politiek van Milosevic.