Subsidies en overproductie drijven West-Afrikaansekatoensector naar de afgrond

De katoenprijs bevindt zich op zijn laagste peil in
dertig jaar en dat is slecht nieuws voor West-Afrika, dat een groot deel van
zijn inkomen haalt uit de export van ruwe katoen. Oorzaak van de malaise
zijn de overproductie en de subsidies waarvan telers in concurrerende landen
profiteren. Terugplooien op de eigen markt is geen oplossing voor de
West-Afrikaanse landen: slechts vijf procent van de textielvezel wordt in de
lokale industrie verwerkt.


De subsidies in de katoensector kosten de ontwikkelingslanden 9,5 miljard
euro per jaar, aldus een studie van het International Cotton Advisory
Committee.
Internationale concurrenten als de Verenigde Staten, India, Australië en
China besteden volgens cijfers van de Wereldbank elk jaar 4,8 miljard euro
aan subsidies. De Afrikaanse landen zien zich genoodzaakt jaarlijks 60
miljoen euro aan hun katoenboeren te geven, geld dat beter gebruikt kan
worden voor onderwijs of gezondheidszorg. De Wereldbank heeft berekend dat
wanneer enkel de VS hun subsidies zouden schrappen, de katoenprijs zou
stijgen met 12 procent en de inkomsten van Afrikaanse producenten met 250
miljoen euro.

Reden genoeg voor de ministers van de West-Afrikaanse Economische en
Monetaire Unie (WAEMU) om de koppen bij elkaar te steken in de Ivoriaanse
havenstad Abidjan. Landen die hun productie subsidiëren moeten ons geen
lessen in armoedebestrijding komen geven, verklaarde Francois Traore,
voorzitter van de Unie van Katoenproducenten in Burkina Faso. De Verenigde
Staten moeten ophouden hun katoenproducenten financieel te steunen, stelde
de Ivoriaanse landbouwminister Sebastian Dano Djedje, Wanneer ze dat niet
doen, moeten internationale financiële instellingen niet komen aandringen
dat we onze landbouwindustrie privatiseren.

De WAEMU-landen, Benin, Burkina Faso, Ivoorkust, Guinee-Bissau, Mali, Niger,
Senegal en Togo, zijn de derde katoenexporteur ter wereld. Elk jaar voeren
ze 800.000 ton uit, evenveel als de katoenconsumptie in de Europese Unie.
Omdat ze het overgrote deel van de ruwe vezel onbewerkt uitvoeren, zijn de
landen bijzonder gevoelig voor prijsschommelingen op de wereldmarkt. Benin
haalt 22 procent van zijn inkomsten uit katoen en in Burkina Faso is katoen
goed voor 60 procent van de export.

Slechts vijf procent van de textielvezel wordt in de lokale industrie
verwerkt. In de Togolese hoofdstad Lome is daarom een comité opgericht dat
donorlanden ervan moet overtuigen te investeren in de Afrikaanse
katoenindustrie. In Abidjan spraken de landbouwministers een
gemeenschappelijke strategie af voor de onderhandelingen over katoen binnen
de Wereldhandelsorganisatie (WHO). Er werd ook overeen gekomen bilaterale
onderhandelingen te beginnen met landen die hun katoensector subsidiëren.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift