Unctad-chef wil onafhankelijk onderzoek naar effecten hulp

De Minst Ontwikkelde Landen hebben de laatste twee decennia 375 miljard euro minder gekregen dan was beloofd. Maar ook de manier van hulp geven moet veranderen. Volgens Unctad-chef Supachai Panitchpakdi is het tijd voor een grondige, onafhankelijke evaluatie om te zien in hoeverre hulp heeft geleid tot ontwikkeling.

De groep van vijftig Minst Ontwikkelde Landen (MOL’s) heeft de grootste klappen als gevolg van de crisis weten te vermijden. Ze zullen echter moeten leren leven van minder handel, minder investeringen en minder terugboekingen door migranten.

Het is tijd voor een nieuwe richting in de ontwikkelingshulp. “Simpelweg terug naar de situatie van voor de crisis is niet voldoende”, zegt Supachai Panitchpakdi, secretaris-generaal van de VN-Conferentie over Handel en Ontwikkeling (Unctad).

De landen zijn structureel kwetsbaar voor externe schokken en hebben uitgebalanceerde steunmaatregelen nodig. Alleen extra kansen voor markttoegang, die MOL’s vaak krijgen, zijn daarvoor niet voldoende. “Maatregelen moeten bijdragen aan hun veerkracht. Dat kan bijvoorbeeld door verzekeringsmechanismes, hulp bij schokken en contracyclische financieringen”, aldus Panitchpakdi.

Unctad maakt zich ook zorgen over een groeiend deel van de hulp dat bij de sociale sector terechtkomt, en niet bijdraagt aan versterking van de capaciteit van de landen.

Hij pleit voor een onafhankelijk onderzoek naar de effecten van hulp op de ontwikkeling. “Die had al veel eerder moeten plaatsvinden.” Een dergelijke evaluatie zou volgens Supachai goed uitgevoerd kunnen worden door de International Development Association, een onderdeel van de Wereldbank.

Beloftes

In 1981 beloofden de westerse landen 0,15 procent van hun bruto nationaal product aan de MOL’s te besteden. Op de G8-top in Gleneagles, in 2005, beloofden ze de hulp aan Afrika te verdubbelen. Beide beloftes zijn niet waargemaakt, aldus Supachai. Volgens de belofte uit 1981 zou er nu sinds 1990 bijna een half biljoen dollar (375 miljard euro) meer gegeven moeten zijn dan in werkelijkheid gedaan is.

Toen de Verenigde Naties de categorie van Minst Ontwikkelde Landen (MOL’s) in 1971 in het leven riepen, voldeden 25 landen aan de eisen voor toetreding. Intussen zijn het er vijftig, en hebben alleen Botswana en Kaapverdië genoeg voortgang geboekt om te mogen promoveren. Equatoriaal-Guinea, de Malediven en Samoa willen hun voorbeeld volgen.

Risico van promotie

Het risico van promotie is dat de landen terugvallen omdat er dan minder hulp binnenkomt. Dat zegt ambassadeur Anwarul Chowdhury van Bangladesh, voormalig Hoge Vertegenwoordiger voor de MOL’s. “Ik heb altijd gepleit voor een overgangsperiode van drie jaar. Het risico bestaat nu dat de donoren hun steun in deze periode al intrekken, als gevolg van de economische crisis.”

Elke drie jaar bekijkt de Commissie voor Ontwikkelingsbeleid de voortgang van de MOL’s. De eilandstaten Tuvalu, Vanuatu en Kiribati kwamen eerder in aanmerking voor promotie, maar lijken toch niet genoeg voortgang te maken. Zimbabwe is een land dat wel bij de MOL’s mag horen, maar het zelf niet wil.

“We moeten heel voorzichtig zijn met promotie. Ik hoop dat donoren de promotie van Samoa en de Malediven, in december en januari, opvatten als succes, en niet als  straf.”

Volgend jaar is er weer een conferentie over de MOL’s. Volgens Supachai worden er dan weer landen uitgeroepen als promotiekandidaat. “Al zijn dat er niet zoveel als ik zou willen.”

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2925   proMO*’s steunen ons vandaag al. We hopen 2021 te kunnen starten met 3000 proMO*‘s, word jij er één van?

Word proMO* of Doe een gift