Veestapel te zwaar voor milieu in ontwikkelingslanden

De uitgestrekte weidegronden in Afrika, het
Midden-Oosten en sommige delen van Azië takelen snel af als gevolg van de
steeds grotere kuddes die er rondzwerven. Daardoor levert de veehouderij
steeds minder op. Het Earth Policy Institute, een Amerikaanse
milieudenktank, pleit ervoor de vrij grazende veestapel in die gebieden te
reduceren vooraleer de schade onomkeerbaar wordt.


Volgens de VN-organisatie voor Voedsel en Landbouw (FAO) werden er vorig
jaar wereldwijd ongeveer 1,5 miljard runderen gehouden, meer dan het dubbele
van 50 jaar geleden. Het aantal schapen en geiten steeg van iets meer dan 1
miljard in 1950 tot 1,75 miljard nu. Die toename hangt samen met de
bevolkinggroei en met het verschijnsel dat toenemende welvaart steevast
gepaard gaat met een grotere vleesconsumptie.

Maar te grote kuddes zijn funest voor de weidegebieden. Volgens Christopher
Delgado, een onderzoeker van het International Food Policy Research
Institute in Washington, is de voorbije twintig jaar 20 procent of zo’n 680
miljoen hectare van alle graslanden op aarde zwaar aangetast door
overbegrazing. Waar de begroeiing te snel verdwijnt, gaat eerst de
bodemvruchtbaarheid achteruit. Daardoor daalt de productiviteit van de
veebedrijven die er actief zijn. Als de overbegrazing aanhoudt, slaat de
erosie toe en veranderen de weidegebieden langzaam in woestijnen. Volgens
Lester Brown, de directeur van het Earth Policy Institute, is het heel
moeilijk en tijdrovend om de vruchtbaarheid van dergelijke gebieden weer te
herstellen.

Bijna alle ontwikkelingslanden hebben een te grote veestapel. In Afrika
worden 230 miljoen runderen, 246 miljoen schapen en 175 miljoen geiten
gehouden. Die kunnen bijna allemaal vrij grazen. Veel Afrikaanse landen
zouden hun areaal aan weidegebieden met helft moeten kunnen vergroten om
zoveel vee op een duurzame manier te houden. In India, het land met de
grootste runderstapel ter wereld, verzetten al die herkauwers in 2000 zo’n
700 miljoen ton groenvoer, terwijl het land volgens het Earth Policy
Institute maar 540 miljoen ton duurzaam kan produceren. In deelstaten als
Karnataka en Rajasthan, waar de weidegronden zwaar zijn aangetast, lopen
daardoor veel uitgemergelde dieren rond die nauwelijks nog iets opbrengen,
oordeelt Brown. Ook in het noordwesten van China, waar het land van iedereen
is en er geen omheiningen zijn die de overbegrazing binnen de perken zouden
kunnen houden, zijn de kuddes veel te groot en schrijdt de verwoestijning
ongenadig voort.

Volgens een studie uit 1995 kost de aantasting van weidegronden door
overbegrazing de veehouders wereldwijd 23 miljard dollar per jaar. De
verliezen zijn in relatieve termen het grootst in Afrika; in absolute
cijfers doet Azië de slechtste zaak. Maar ook de boeren in Zuid-Amerika
zouden er jaarlijks toch nog altijd twee miljard dollar bij inschieten.

Minder vee houden is de radicaalste oplossing voor het probleem, maar dat
lijkt onhaalbaar omdat de vraag naar vlees in de meeste ontwikkelingslanden
nog snel stijgt. Maar volgens Lester Brown kan de druk op de weidegronden
ook verminderen door meer oogstafval als veevoeder te gaan gebruiken. China
produceert bijvoorbeeld jaarlijks 500 miljoen ton rijststro en ander
plantaardig materiaal dat niet geschikt is voor menselijke consumptie maar
wel in de voederbakken van het vee kan. Nu wordt dat materiaal nog vaak
verbrand of tot grondverbeteraar verwerkt. In de grote landbouwgebieden in
het oosten en het centrum van China wordt al een deel van de oogstresten als
veevoeder gebruikt. Daardoor wordt er in die streken nu al veel meer vlees
geproduceerd dan in de traditionele weidegebieden in Binnen-Mongolië,
Qinghai en Xinjiang. (292).

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2916   proMO*’s steunen ons vandaag al. We hopen 2021 te kunnen starten met 3000 proMO*‘s, word jij er één van?

Word proMO* of Doe een gift