De nacht waarop onze wereldoorlog begon

7 oktober. Deze avond, vijftien jaar geleden, veranderde het leven van miljoenen mensen en vernietigde dat van honderdduizenden. De nacht dat de Amerikaanse en Britse bommen op Afghanistan begonnen te vallen, veranderde ook de koers van mijn professionele leven.

  • (c) Brecht Goris 'De opeenvolgende regeringen bleven halsstarrig weigeren om de inzet van het leger in Afghanistan aan een ernstige, democratische controle te onderwerpen.' (c) Brecht Goris
  • (c) Brecht Goris ‘Als wij onze vlaggen oprapen op de velden van de dood / zullen velen zich aansluiten en zullen er talloze karavanen van de liefde vertrekken’, schreef de Pakistaanse dichter Faiz Ahmed Faiz. (c) Brecht Goris
  • (c) Brecht Goris De strijd om Afghanistan, Pakistan en Kasjmir wordt gevoerd met wapens waarvan het Westen gelooft dat het er een overwicht in heeft en maakt veel te weinig gebruik van de mogelijkheden die dichters, predikanten en zieners bieden. (c) Brecht Goris

7 oktober 2001. Het is een zondagavond en ik zit in de auto met mijn jongste dochter, op weg naar haar studentenkamer in Antwerpen Noord. De gsm gaat over en aan het nummer zie ik dat de oproep van de VRT komt. Dirk Tieleman aan de lijn: de Amerikaans-Britse bombardementen op Afghanistan zijn begonnen. Het afscheid in Antwerpen moet kort zijn, want ik moet naar de studio –waar ik uiteindelijk maar een minuutje tijd krijg, want Willy Claes moet zijn licht uitgebreid laten schijnen over de regio die hij als geen ander kent (sic).

Heldhaftige verzetstrijders

Twee maanden voordien stond ik, samen met mijn zoon-fotograaf, op de grens tussen Afghanistan en Pakistan. Daar schreef ik deze notitie:

‘De ijzeren poort in Torkham, op de grens tussen Pakistan en Afghanistan, zwaait even open en meteen stormt de chaos binnen. Toeterende vrachtwagens, kinderen met stootkarren en mannen met grote bundels kleren. Blauwe en bruine boerka’s, waaronder je vrouwen mag vermoeden. Iedereen lijkt wel uit Afghanistan weg te vluchten. Het Pakistaanse leger staat echter paraat. Enkele lokale Rambo’s slaan de Afghanen terug met stukjes tuinslang van een halve meter. Wie voorbij deze eerste verdedigingslinie geraakt, wordt twintig of honderd meter verder geconfronteerd met de uitgestoken hand van soldaten of douaniers: een fikse omkoopsom is het beste visum om toegang te krijgen tot de veiligheid van de Pakistaanse vluchtelingenkampen.

Vijftig kilometer verder, in Jalozai, heeft veiligheid het gepokte gelaat van een eindeloze vlakte tenten en zeilen. Minstens vijftigduizend mensen schuilen hier voor het ontij in Afghanistan. ‘Ik ben meer dan twee weken onderweg geweest om hier te geraken’, zucht Mahmood Khan. Met zijn vrouw en vier kinderen ontvluchtte hij de streek rond Mazar-e-Sharif. Al meer dan twintig jaar oorlog en nog geen zicht op vrede. Al meer dan drie jaar droogte en dus steeds meer honger. ‘Als de regen weerkeert en als er een goede regering komt, dan keer ik terug’, zegt hij. President Musharraf in Islamabad hoopt dat Mahmood Khan het meent. Naar schatting twee tot drie miljoen Afghanen leven momenteel in Pakistan en dat begint te wegen. Twintig jaar geleden waren ze heldhaftige verzetsstrijders tegen het goddeloze communisme, toen konden ze dus rekenen op royale steun uit zowel de westerse als de islamitische wereld. Anno 2001 zijn ze nutteloos voor eender welke geopolitieke strategie, dus moeten ze terug.’

(c) Brecht Goris

‘Als wij onze vlaggen oprapen op de velden van de dood / zullen velen zich aansluiten en zullen er talloze karavanen van de liefde vertrekken’, schreef de Pakistaanse dichter Faiz Ahmed Faiz.

Van precisiebombardement tot grootste Navo-operatie ooit

De aanslagen van 11 september keerden het tij, voor iedereen. Voor de Afghaanse vluchtelingen in Pakistan –zij werden meteen weer wél politiek bruikbaar-, voor de Verenigde Staten –die na een afwezigheid van meer dan tien jaar in volle kracht terugkeerden naar de regio die ze in 1990 lieten vallen, eens de Sovjetunie er vertrokken was, en dus ook voor Pakistan en Afghanistan.

De westerse aanval op Afghanistan begon op 7 oktober 2001 als een blitzkrieg tegen een klein en belachelijk slecht uitgerust leger en tegen het ongeregelde legertje internationalisten van Al Qaeda rond Osama bin Laden –een begrip en een naam dat politici, publiek én pers op de maand voorafgaand aan de bombardementen moesten leren kennen.

Tien jaar later was die interventie uitgegroeid tot een internationale operatie van epische omvang, waaraan ook België in toenemende mate was gaan deelnemen. Die betrokkenheid kostte de Belgische staatskas tussen 2002 en 2014 ongeveer een miljard euro, waarvan het overgrote deel naar de inzet van het Belgische leger ging: opgeteld zou er voor niet-militaire doeleinden “slechts” 85 miljoen vrijgemaakt worden. Die aanhalingstekens betekenen: voor een land dat niet tot de partnerlanden behoort, is dat eigenlijk best veel; maar in vergelijking met de meer dan 900 miljoen die het leger factureerde, is het peanuts. Na de terugtrekking van het Belgische leger in 2014 stopte die civiele steun overigens, alsof de Brussel geen lessen getrokken had uit de periode 1989-1996 (toen de Taliban aan de macht kwamen na een verwoestende burgeroorlog).

Midden 2011 waren er volgens de Navo 132.457 soldaten actief in de International Security Assistance Force (ISAF)  in Afghanistan. Ter vergelijking: op het hoogtepunt van de oorlog van de jaren tachtig had het Sovjetleger net over de honderdduizend “bezettingstroepen” in Afghanistan. Wij deden dus beter, want in 2012 nam dat aantal internationale soldaten toe tot net onder de 150.000.

Een grenzenloze uitdaging

Ik was in oktober 2001 niet enthousiast over de militaire interventie. Niet omdat ik ooit enige sympathie opgebracht had voor de Taliban of Al Qaeda, maar omdat ik vreesde dat het militaire avontuur de kwaal over de grenzen zou verspreiden, eerder dan haar in het stof van Afghanistan te smoren. Al wist ik toen nog niet hoeveel stof er in dat land werkelijk te vinden was.

Maar ik was dus enkele maanden voordien wel de madrassa’s en de gewapende extremisten in Pakistan gaan opzoeken. En een jaar voordien was ik, toen samen mijn vrouw, bijna in de armen gelopen van gewapende groepen Oezbeekse islamisten, die uit Afghanistan terugkeerden in de hoop om vanuit de bergen –waar wij nietsvermoedend op tocht waren- een religieuze opstand te lanceren tegen Islam Karimov, de dictator die er pas hald 2016 het bijltje bij neerlegde.

En vijf jaar daarvoor was ik op reportage geweest in Indiaas Kasjmir en in Pakistan om de opstand in die Himalayaregio te begrijpen. Volgens de Pakistaanse auteur Arif Jamal waren er in de jaren negentig wel 180 gewapende organisaties actief in de vallei, waarvan er wel honderd door de ISI gefinancierd zouden zijn. De militaire training vond plaats in kampen in Afghanistan, Pakistan en Pakistaans Kasjmir. Met Pakistaanse steun werd geprobeerd die versplinterde milities samen te voegen tot één informele strijdkracht. De Hizbul Mujahedeen zou uiteindelijk de grootste gewapende groep worden.

Ik had, met andere woorden, zowel aan de west- als de oostgrenzen van Afghanistan gezien dat het probleem van de gewapende jihad zich al lang niet meer aan staatsgrenzen hield. Die door imperialistische Russen en Britten opgelegde grenzen vormden zelfs een essentieel doelwit van de internationalisten, de Taliban waren daarin opvallend nationalistischer.

Daarom vreesde ik dat de militaire operatie die op 7 oktober 2001 begon de impact van dat jihadisme nog veel ruimer zou gaan verspreiden. Maar zowel op de VRT als op VTM werd me verzocht om dat soort ingewikkelde bedenkingen te reserveren voor mijn eigen papieren magazine. Kijkers (en luisteraars, want op de radio klonk hetzelfde verzoek) hadden daar geen oren naar en zouden het overigens ook niet kunnen volgen.

(c) Brecht Goris

‘De opeenvolgende regeringen bleven halsstarrig weigeren om de inzet van het leger in Afghanistan aan een ernstige, democratische controle te onderwerpen.’

Doe het zelf

Het gevoel dat “het publiek” onvolledig en ronduit onvoldoende geïnformeerd werd over de interventie en later de bezetting van Afghanistan ebde niet weg, integendeel.  Tegen 2006 was België volop betrokken bij de militaire, door de NAVO geleide, International Security Assistance Force. Toch blijft het stil in de media, op een occasionele embedded reportage na. Het is op dat moment dat ik beslis om zelf naar Afghanistan te gaan voor een eerste reportage. Ik ga in de winter, omdat de Taliban dan moeilijk over de besneeuwde bergpassen tussen hun basissen in Pakistan en de steden en dorpen van Afghanistan geraken.

Als ik nu de notities van toen teruglees, klinken ze bijna idyllisch. Deze, bijvoorbeeld, uit Kunduz, de stad die in 2015 een kleine week in handen viel van de Taliban en deze week opnieuw onder vuur kwam te liggen. ‘Een scherpe wind jaagt fijne sneeuw door de straten van Kunduz. De hele dag leek het licht niet verder te geraken dan een prille ochtendschemering en tegen vijf uur is de avondschemering alweer overgegaan in een van Afghanistans lange, onpeilbare nachten. In de hoofdstraat lokken drie gekleurde buislampen de passanten naar de patisserie. Een luidruchtige generator zorgt voor de noodzakelijke elektriciteit. De rest van de winkels en kraampjes in de bazaar van Kunduz worden enkel verlicht door gaslantaarns en petroleumlampen. De stad heeft pas sinds 2003 elektriciteit en de Nato-militairen zijn behoorlijk trots op die verwezenlijking, maar het wonder van de vooruitgang laat het vanavond en vannacht afweten. De flikkerende duisternis past perfect bij het geluid van de paardenkarren en bij het zachte bieden en tegenpruttelen waarmee kopers en handelaars de dag alsnog gunstig willen afsluiten.’

Tijdens datzelfde bezoek aan Kunduz sprak ik met de Duitse luitenant-kolonel Jörg Langer. Hij schetste eerst het vertrouwde beeld van Kunduz en noordelijk Afghanistan als een rustige regio, ver weg van de Pasjtoense opstand in het zuiden en het westen. Wat later bleek dat die vredige reputatie ook in 2006 maar gedeeltelijk terecht was. ‘Er worden relatief weinig aanslagen gepleegd, maar we weten wel dat er heel wat gewapende groepen actief zijn in onze regio. Dat zijn zowel bendes die opium over de grens naar Tadzjikistan smokkelen als politieke groepen, en vaak zijn de scheidingslijnen tussen beide niet zo duidelijk. We treden niet tegen hen op, omdat dat onze taak niet is en omdat we de relatieve rust niet nodeloos willen verstoren.’ Op mijn vraag over hoeveel gewapende groepen het in Kunduz ging, wou Langer niet antwoorden. Meer dan vijftig? ‘Zéker meer dan vijftig’, antwoordde hij, opgelucht dat ik niet nog hoger geschat had.

Dat soort verhalen haalden heel lang de media niet, en de opeenvolgende regeringen die halsstarrig bleven weigeren om de inzet van het leger in Afghanistan aan een ernstige, democratische controle te onderwerpen, wuifden ze al helemaal weg als doemdenken of pamfletaire oppositiepraat.

(c) Brecht Goris

De strijd om Afghanistan, Pakistan en Kasjmir wordt gevoerd met wapens waarvan het Westen gelooft dat het er een overwicht in heeft en maakt veel te weinig gebruik van de mogelijkheden die dichters, predikanten en zieners bieden.

Een karavaan trekt zich op gang

Toen ik in 2011 een half jaar vrijaf nam van mijn werk op MO* om het boek Opstandland. De strijd om Afghanistan, Pakistan en Kasjmir te schrijven, geraakte ik helemaal overtuigd van het feit dat Afghanistan het slagveld was waar de mondiale en regionale grootmachten hun machtsstrijd voor de 21ste eeuw uitvochten –en nog steeds uitvechten. De slotparagrafen van dat boek hebben vijf kaar later alleen maar aan actualiteit gewonnen:

‘Zoals het Grote Spel uit de negentiende eeuw de bril is waardoor men de actuele politieke rivaliteit rond Afghanistan bekijkt, zo is de wereldhandel langs de Zijderoutes het beeld dat telkens opduikt als de toekomstperspectieven van de Afghaanse economie besproken worden. Het voordeel van die mythe is dat ze in de regio tegelijk een sterk cultureel appeal heeft, omdat het hoogtepunt van de handel langs die Zijderoutes samenvalt met de bloeiperiode van het islamitisch wereldrijk, ‘de eerste globalisering’ in de woorden van Midden-Oostenkenner Lucas Catherine.

Het herstel van de economische mogelijkheden van Afghanistan en Centraal-Azië is dan ook niet alleen een zaak van technocraten en handelaars, maar evenzeer een kwestie van culturele strijd en onderhandeling. Een van de belangrijkste boeken die Abdullah Azzam –de oorspronkelijke ideoloog van de global jihad in Afghanistan en Pakistan– heette niet toevallig Join the Caravan. De jihad, schreef Azzam, verheft de deelnemers boven het dagelijkse gekibbel over geld, onmiddellijke verlangens en minderwaardige voorzieningen. ‘Slechte bedoelingen verdwijnen en zielen worden aangescherpt, en de karavaan zet zich in beweging van aan de voet van de berg naar de schitterende bergtoppen, ver verwijderd van de stank van de klei en de twisten van de lagere gebieden.’

Tegenover de aantrekkingskracht van dit soort visionaire oproepen volstaat het niet om met berekeningen van de Aziatische Ontwikkelingsbank te komen. De strijd om Afghanistan, Pakistan en Kasjmir wordt gevoerd met wapens waarvan het Westen gelooft dat het er een overwicht in heeft en maakt veel te weinig gebruik van de mogelijkheden die dichters, predikanten en zieners bieden. ‘Als wij onze vlaggen oprapen op de velden van de dood / zullen velen zich aansluiten en zullen er talloze karavanen van de liefde vertrekken’, schreef de Pakistaanse dichter Faiz Ahmed Faiz. Zijn karavaan koos een linkse route en kon dus nooit op westerse steun rekenen, in tegenstelling tot de rechts-religieuze karavaan van Azzam in Afghanistan. Het is tijd dat het Westen weet welke richting naar liefde leidt en welke naar de dood.’

Abdullah Azzam, waarover hierboven sprake, is niet alleen een spilfiguur in de internationalisering en de militarisering van de jihad tegen de Sovjets geweest, hij is ook vandaag een van de veel gelezen ideologen van de mondiale jihad zoals die door IS, Al Qaeda of andere bewegingen gepredikt en gepraktiseerd wordt. Hij was een Palestijn die uit Jordanië verbannen werd omwille van zijn radicale ideeën, maar daarvoor vond hij wel steun in Saoedi-Arabië.

Na 7 oktober 2001 volgde 20 maart 2003, de inval in Irak. En na Afghanistan en Irak volgde Libië. Daarna Mali en Syrië. En het noorden van Nigeria. Jemen. Kenia. Et les autres. De precisiebombardementen van vanavond precies 15 jaar geleden hebben heel veel collaterale schade aangericht. Het ergste is dat dit te verwachten en te voorzien was.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur