Hoe luid moeten niet-witte mensen roepen voor witte mensen hen horen en er iets verandert?

Waarom ik een witte man ben (en zo genoemd mag worden)

© MO* / Iratxe Alvarez

MO*hoofdredacteur Jago Kosolosky las aandachtig het essay in Knack waarin Walter Pauli stelt geen ‘witte man’ genoemd te willen worden. Hij reageert: ‘Mijn huidskleur is niet irrelevant. Ik ben een witte man en mag zo genoemd worden.’

‘Eindelijk — éíndelijk — is er een internationale golf van afkeer en protest tegen racisme.’ Net als mijn ex-collega Walter Pauli ben ik daar blij om. Het is uitstekend nieuws dat steeds meer mensen zich expliciet uitspreken tegen racisme en discriminatie. Velen beseffen éindelijk dat dat verzet geen politiek standpunt is, maar louter respect voor elementaire mensenrechten. Ik ben ook tevreden om te lezen hoe Walter Pauli ook subtielere vormen van discriminatie aandacht geeft.

Hoewel dit alles de essentie is en meer dan wat ook onze aandacht verdient, moeten we het eerst over mijn huidskleur hebben. Wanneer ik zoals Walter ‘mijn hand op een blad papier leg’, zie ook ik ‘een duidelijk verschil tussen het wit van het blad en mijn rozig-gelige huidskleur’. ‘Wit’ is een constructie en geen loutere beschrijving van een huidskleur. Hetzelfde geldt voor ‘zwart’, een écht zwarte huid is namelijk al even zeldzaam als een écht witte huid (al bewijzen modellen als Nyakim Gatwech en Diandra Forrest ook de pracht ervan).

Blank was in het beste geval eurocentrisch en in het slechtste geval neigt de term vandaag naar racisme en xenofobie.

De constructie ‘wit’ ontstond als antwoord op de oudere constructie ‘blank’ – een term die nooit poogde een kleur te beschrijven, maar wellicht begon als een klasse-onderscheid tussen de aristocratie in hun donkere burchten en het plebs op het veld, onder de ongenadige zon. Blank was in het beste geval eurocentrisch en in het slechtste geval (denken we maar aan de anonieme internettrollen die zichzelf vandaag op sociale media omschrijven als ‘BLANKE Vlaming’ en er vooral hun gal richting niet-witte mensen spuwen) neigt de term naar racisme en xenofobie. 

Deze passage uit Pauli’s essay vat het werkelijke probleem goed samen: ‘Ook al zijn onze machtsstructuren vandaag formeel neutraal, hebben we racisme officieel uit onze wetgeving en opvoeding gebannen en heeft elk beschaafd land zijn antiracismewetten en gelijkheidsinstituten, toch ervaren mensen “van kleur” elke dag opnieuw dat de samenleving niet kleurenblind is.’ In die niet-kleurenblinde samenleving eigenen niet-witte mensen zich vandaag eindelijk het recht toe mee te praten én ervoor te zorgen dat de enige groep wiens lichte huidskleur nooit benoemd werd, nu ook mee in het bad getrokken wordt.’

Dit volgt nadat ze decennialang het duurzame en leugenachtige riedeltje mochten aanhoren dat ieders huidskleur irrelevant is. Ondertussen zagen ze hoe die van hen en hun naasten er te vaak wél toe deed. Daarover schreef de Nederlandse Anousha Nzume in haar boek ‘Hallo witte mensen’ het volgende: ‘Als je in eerste instantie geen kleur ziet, dan zie je natuurlijk al helemaal geen machtsstructuur die is gebouwd op basis van kleur.’

Moeten we ons, nu er ook over ‘onze’ huidskleur gepraat wordt door anderen, dan zorgen maken? Neen, niet elke verwijzing naar iemands huidskleur is problematisch. Mijn huidskleur is vandaag niet irrelevant, net als de huidskleur van elke niet-witte persoon die ik ken. Ik ben een witte man en mag zo genoemd worden. Ik erken het feit dat ik vandaag en hier in een realiteit leef waarbinnen racisme en discriminatie geen directe bedreigingen voor mijn persoon vormen.

Op een straathoek niet ver van waar ik woon babbel ik wel vaker met een groepje Belgische jongeren met Maghrebijnse roots die er (naar mijn smaak) iets te veel en te vaak jointjes staan roken. Uit nieuwsgierigheid vroeg ik hen een tijd geleden of ze door de COVID-19-pandemie en bijhorende reisbeperkingen nog wel eenvoudig cannabis konden kopen. Met een knipoog stelden ze voor dat ik maar even voor hen naar Nederland moest rijden om er een voorraad voor hen in te slaan. ‘Jou zal de politie niet tegenhouden, broer’, lachten ze. Ik ben wit en dus is er minder kans dat de politie mij zal controleren op het bezit van drugs, is hun redenering. De jongeren kaarten daarmee zelfs zonder het woord ‘wit’ in de mond te nemen een realiteit aan die voor de meeste witte mensen moeilijk te bevatten is. En als er nu één bestaansreden is voor begrippen en concepten, is het wel dat: een realiteit bevattelijk maken voor iemand die ze niet beleeft.

Zou de discussie over ‘wit’ en ‘blank’ niet sneller hebben plaatsgevonden indien niet-witte mensen sneller toegang hadden gekregen tot het publieke debat?

Naar mijn mening vergeten velen, net als Walter Pauli, dat het ‘identitaire debat’ niet begon zodra niet-witte mensen (eindelijk!) platformen kregen om hun mening te uiten richting een breder publiek. Het ‘identitaire debat’ begon toen overwegend witte mensen systematisch niet-witte mensen begonnen te onderdrukken door hen als minder dan mens te beschouwen én te behandelen. Is de discussie over ‘wit’ en ‘blank’ dan een recent fenomeen? Als je in het digitale media-archief van GoPress zoekt zoals Walter deed, lijkt dat inderdaad het geval. Maar ik hoef toch geen enkele eerlijke journalist uit te leggen dat Vlaamse redacties niet uitblinken qua diversiteit. Te veel journalisten zouden moeten toegeven dat de enige niet-witte mensen die ze op hun redactie zien de poetsvrouwen en -mannen zijn. Ooit moest ook ik dat toegeven. Toegang tot de media was en blijft onder andere daardoor een uitdaging voor niet-witte mensen. Zou de discussie over ‘wit’ en ‘blank’ niet sneller hebben plaatsgevonden indien Vlaamse journalisten sneller naar hun mening gevraagd hadden, indien niet-witte mensen sneller toegang hadden gevonden tot academische instellingen en het publieke debat?

In lijn met de gedachte dat het debat nieuw is, pent Walter Pauli het volgende: ‘Als ik denk aan de jeugdboeken uit mijn eigen jonge jaren, dan herinner ik mij dat indianen nog met enige regelmaat “roodhuiden” werden genoemd. Afrikanen waren “zwarten”, “zwartjes” of “negers”. Vandaag is het onbetamelijk om die woorden nog te gebruiken. Op “neger” rust een feitelijk taboe. Als het echt niet anders kan, zullen we het omschrijven als het “n-woord”. Het ligt gevoeliger dan ooit. Je zegt beter geen “indiaan” meer, laat staan het beledigende “roodhuid”, wel native American.’ Wat de auteur hier lijkt te vergeten is dat mensen vandaag niet gevoeliger zijn dan ooit, maar dat onderdrukte groepen eindelijk hun stem luid genoeg kunnen laten weerklinken opdat er (soms kleine) zaken veranderen en dat ze andere klemtonen leggen dan hun voorgangers deden in het verleden.

In dat verleden wou de niet-witte mens zelden aangesproken worden met de terminologie die de witte mens hanteerde, maar met hen werd simpelweg geen of nauwelijks rekening gehouden. Ook wanneer Walter Pauli het heeft over blackface, benadrukt hij ‘dat het vroeger duidelijk wel mocht’. Ja, het mocht, net zoals het nu nog mag en kan binnen een maatschappij waarin de spelregels grotendeels opgesteld worden door witte mensen. Veronderstellen dat zwarte mensen tot voor kort nooit een probleem hadden met Zwarte Piet of met hoe ze omschreven werden tot Vlaamse journalisten interesse in het onderwerp kregen, is meer dan een brug te ver.

De suggestie dat groepen doorheen de tijd gevoeliger zijn geworden, van mening zijn veranderd (begin maar eens in eender welk café De Leeuw van Vlaanderen over ‘wit’ en ‘blank’) over hoe ze omschreven willen worden, of plots veel radicaler uit de hoek komen dan vroeger is schadelijk en foutief. Natuurlijk leggen nieuwe generaties nieuwe klemtonen, die trend is zo oud als het leven. Bepaalde (zeldzame) individuen uit die groepen hebben zich eindelijk een weg vrij kunnen knokken en kunnen nu niet meer opzijgeschoven worden. En er wordt vandaag zelfs af en toe geluisterd. Maar denken we werkelijk dat mensen die (ook met geweld) onderdrukt werden in het verleden niet leerden in stilte te lijden?

Hoopten sommigen misschien stiekem dat nieuwe stemmen zich volledig zouden inschrijven in de bestaande strijd en niet voor enkele discussies zouden zorgen?

Dat ‘witte man’ als term steevast zou verwijzen naar de onvervreemdbare schuld van mannen met een westers-Europese achtergrond, daar ben ik het niet mee eens. Mijn eigen achtergrond bevindt zich van het Polen van de achttiende eeuw tot het Nederland van de twintigste eeuw. De term ‘witte man’ staat een gelaagde identiteit niet in de weg. Zal ik mezelf tot ‘witte man’ reduceren? Neen, net zoals geen enkele niet-witte persoon zich zou (moeten laten) reduceren tot zwarte persoon, al gebeurt dat nog steeds dagelijks en met verrassend groot gemak.

Wanneer je niet het doelwit bent van racisme, discriminatie en xenofobie, is het te eenvoudig, ook voor wie al decennia racisme bestrijdt, de gevolgen en impact ervan te onderschatten. Daarom is luisteren naar de ervaringen van niet-witte mensen vandaag zo belangrijk en wordt er ook zo op gehamerd. Het spijt me te moeten vaststellen dat dat luisteren makkelijker lijkt te zijn voor de generatie witte mensen die opgegroeid zijn mét en niet naast niet-witte mensen. In de volgende editie van ons kwartaalmagazine, in een briefwisseling met uittredend hoofdredacteur Gie Goris, schrijf ik hierover: ‘Ook ik werd hoopvol toen jongeren hier via de zoveelste #BlackLivesMatter-golf onze media dwongen om eindelijk de ogen en oren te openen voor mensen die normaliter dag na dag genegeerd worden. De vragen van de mensen die, ondanks de coronapandemie, op straat kwamen om racisme en discriminatie aan deze kant van de oceaan aan te klagen, waren bescheiden. Maar ze werden vrijwel onmiddellijk en nagenoeg compleet van tafel geveegd. Dat gebeurde met behulp van goedkope aanvallen op stropoppen, én ook door enkele progressieve stemmen die zich ingehaald voelden door de straat. Voor hen leek het toch allemaal plots té snel te gaan, ondanks soms jarenlange mooie praatjes over werken aan een inclusieve samenleving.’

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Decennialang werd er gehoopt op meer diverse stemmen in de strijd tegen racisme en discriminatie. Vandaag zijn die er. Hoopten sommigen dan misschien stiekem dat die nieuwe stemmen zich volledig zouden inschrijven in de bestaande strijd en niet voor enkele discussies zouden zorgen? Ik vind het jammer dat bepaalde mensen die al decennia de juiste strijd voeren schrikken om twistpunten die bovenkomen nu niet-witte mensen zich eindelijk kunnen mengen in het debat.

Geloof me, deze nieuwe generatie voert nog altijd dezelfde strijd, een strijd met – alle verhalen over geradicaliseerde woke-strijders elders ter wereld ten spijt – bescheiden eisen. Maar al voor de discussie goed en wel geopend was in ons land werden de nieuwe stemmen met de grond gelijkgemaakt door opiniemakers en politici die geen contact met hen opnamen maar het voldoende vonden naar uitwassen van de beweging te verwijzen of zich blind te staren op het schrappen van een aflevering van FC De Kampioenen of Fawlty Towers. Met dergelijke ingrepen dekken organisaties vooral zichzelf in, terwijl ze niet ingaan op belangrijke vragen die gesteld worden. Ze stappen mee in een symboolpolitiek waar niemand echt om vraagt.

Wanneer ik zie hoe er over generaties heen vandaag niet of nauwelijks wordt samengewerkt om racisme en discriminatie te bestrijden, maak ik me zorgen.

Als het gebruik van ‘wit’, dan wel ‘blank’ het enige is wat sommige mensen met decennia ervaring in het strijden tegen racisme en discriminatie weghoudt van de veelal jonge en minder ervaren mensen die de fakkel willen overnemen, maak ik me zorgen. Wanneer ik hoor hoe weinig mensen die zich in de media luid uitgesproken hebben tegen de #BlackLivesMatter-beweging in België daadwerkelijk met de mensen waarover ze het hadden in gesprek zijn gegaan, maak ik me zorgen. Wanneer ik zie hoe er over generaties heen vandaag niet of nauwelijks wordt samengewerkt om racisme en discriminatie te bestrijden, maak ik me zorgen.

Ik citeer graag even uittredend hoofdredacteur van MO*, Gie Goris, voor een belangrijke toevoeging: ‘Zowel tegenstanders als voorstanders van het gebruik van “wit” lijken een magische waarde toe te kennen aan termen. Woorden bepalen mee de werkelijkheid, maar échte verandering vindt plaats op het niveau van het échte leven, van kansen op school tot kansen op de arbeidsmarkt. Uiteindelijk is de vraag of de coalitie om tot echte verandering te komen groot genoeg wordt. Wie dat uit het oog verliest, geeft meer belang aan taal en wie die mag bepalen, dan aan het leven en hoe dat voor iedereen kan verbeteren.’

Zijn er radicale identitaire denkers en auteurs die, naar mijn mening, te ver gaan? Natuurlijk, en gelukkig maar. Wie kostbare allianties vernietigt (soms nog voor ze opgezet zijn) en alle zonden onder de zon exclusief wil afschuiven op álle witte mensen, slaat de bal mis. Dat veralgemeningen binnen de strijd tegen racisme contraproductief kunnen zijn, spreekt eigenlijk voor zich. Maar het gemak waarmee Walter Pauli de analyse van iemand als Gloria Wekker in verband met de term ‘blank’ en het gewicht ervan binnen het westerse superioriteitsdenken van tafel veegt, is me te eenvoudig.

Wie ben ik om te twijfelen aan het Nederlands etymologisch woordenboek van Jan De Vries in de boekenkast van Walter Pauli? ‘Blank’ is in oorsprong een Frankisch woord en dus meer dan duizend jaar ouder dan het kolonialisme, dat klopt. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het Nederlands de keuze laat tussen twee dominante talen: het Franse ‘blanc’ of het Engelse ‘white’. Het grote gewicht van de zwarte ontvoogdings- en burgerrechtenstrijd in de Verenigde Staten zou mee kunnen verklaren waarom activisten vandaag ‘wit’ als term verkiezen.

Maar bepaalt de oorsprong de toekomstige betekenis van een woord? Betekent dit dat sommige mensen vandaag niet het woord ‘blank’ bewust gebruiken met een xenofobe of racistische agenda? Discriminatie en racisme zijn niet ontstaan tijdens de koloniale periode, ze waren enkel de ideologische sauzen die het veroveren van de aardbol door voornamelijk West-Europese machten mede mogelijk maakten.

Ik blijf met één vraag achter. Hoe luid moeten niet-witte mensen roepen voor witte mensen hen horen en er iets verandert? Wie weet helpt het wel dat ze af en toe tegen enkele witte schenen schoppen. Dan krijgen de thema’s die ze aankaarten aandacht, al gebeurt dat te vaak zijdelings en verliezen we kostbare tijd met discussies over de huidskleur van mij en mijn ex-collega.

Dit artikel verscheen eerder op Knack.be.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2771   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Hoofdredacteur MO*

    Jago Kosolosky (28) staat vanaf 1 augustus 2020 aan het hoofd van MO* en MO.be. Hij volgde Gie Goris op, hoofdredacteur van MO* van bij het ontstaan van de publicatie in 2003.