Bitter overleven voor cacaoboeren, zoete winsten in het Noorden

Reportage

Wie moet zich verantwoorden voor kinderarbeid en onleefbaar lage prijzen in cacaohandel?

Bitter overleven voor cacaoboeren, zoete winsten in het Noorden

Bitter overleven voor cacaoboeren, zoete winsten in het Noorden
Bitter overleven voor cacaoboeren, zoete winsten in het Noorden

De chocolade-industrie is een van de rijkste ter wereld, maar toch leeft bijna 55 procent van de cacaoboeren onder de armoedegrens. Met certificatiesystemen van Fairtrade en Rainforest Alliance wordt getracht een eerlijk loon voor de boeren te voorzien. Is het zinnig om daar heil van te verwachten?

‘Dit is de prijs van de suiker die u in Europa eet.’

Voltaire legt die woorden in de mond van een slaaf die Candide ontmoet op de plantages van Suriname. Hij verwijst naar zijn linkerbeen en rechterarm die werden geamputeerd omdat hij probeerde te vluchten. Een scherpe en terechte aanklacht, maar ook dubbelzinnig, omdat Voltaire als investeerder zelf betrokken was bij slavenhandel.

Vandaag is de vraag: wat is de prijs van de chocolade die wij in Europa eten? Een onderzoek naar uitbuiting, verontwaardiging en de dubbelzinnigheden van 2020.

Om dat te onderzoeken, trokken we om te beginnen naar Ivoorkust, waar veertig procent van alle cacao geproduceerd wordt. Maar een onderzoek over cacao ligt gevoelig, aldus Ivoriaanse collega’s. Het laatste corruptieschandaal over verduistering van cacaogeld door Ivoriaanse banken is nog geen maand oud. In het Ivoriaanse dorp Kokonou hadden we de hulp van overheid of ngo’s niet nodig, we kregen vooraf het akkoord van de dorpsoudste.

© Daan Bauwens

Drie landarbeiders aan het werk op een cacaoplantage op Kokonou, Ivoorkust.

© Daan Bauwens

De prijs van chocolade

Kokonou is een armtierig dorp van tweeduizend zielen aan de Komoé-rivier in Ivoorkust. Cacaoboer Abri Brou en Ange-Désiré Kuaku, zowel plaatselijke schooldirecteur als cacaoboer, wandelen mee over de rode piste, de hoofdweg waarlangs trucks over een maand de oogst komen ophalen.

‘Het is nu augustus. Pas over een maand is de cacao rijp’, zegt Kuaku. ‘Het dorp kan niet langer wachten, het geld van de vorige oogst is op. De meesten hebben geen geld om de kinderen dan nog te voeden, laat staan om hen naar school te sturen.’ We passeren jonge kinderen op de velden, sommige met machetes in de handen, maar volgens de schooldirecteur is hier van kinderarbeid geen sprake.

Boeren zullen na de oogst nemen wat ze krijgen, ook al ligt dat onder de prijs die de overheid vastlegde. Pisteurs, die het land rondrijden met cash om zoveel mogelijk cacao te verzamelen, dingen af op de prijs omdat de weg er niet goed bij ligt. Enkele boeren in Kokonou hebben leningen uitstaan bij de _pisteurs. Z_e leven op krediet en zijn verplicht hun cacao ver beneden de prijs te verkopen. Het gros van de boeren in Kokonou verkoopt zijn oogst aan de coöperatie Benkadi, die zowel door Fairtrade als Rainforest Alliance is gecertificeerd.

Luxe-industrie

Cacaodorp Kokonou is een perfecte illustratie van de bevindingen van de Wereldbank, die deze zomer een rapport publiceerde over de Ivoriaanse cacaosector. Dit zijn de cijfers: Ivoorkust produceert twee miljoen ton cacao per jaar en telt ongeveer één miljoen cacaoboeren — kinderen, vrouwen en arbeiders niet meegeteld. De opbrengst van de cacao-oogst zorgt voor vijf miljoen Ivorianen, ongeveer één vijfde van de bevolking, voor een inkomen.

De chocolade-industrie is met een wereldwijde omzet van 100 miljard euro per jaar één van de rijkste industrieën ter wereld.

Vanaf hier worden de cijfers iets grimmiger: de gemiddelde boer bezit vijf hectare grond en verdient 1,15 euro per dag. 54,9 procent van de cacaoboeren en hun families leven onder de armoedegrens.

‘Ivoorkust voorziet de wereld van veertig procent van haar cacao, maar deelt maar voor vijf tot zeven procent in de mondiale winst van de chocolade-industrie’, zegt de Wereldbank. Ter vergelijking: 35 procent van de winst is voor de chocoladefabrikanten, en maar liefst 44 procent voor de retailers. De Ivoriaanse staat neemt een vijfde van de prijs die in de haven betaald wordt.

De Wereldbank houdt, net als de International Cocoa Organisation, de lippen stijf op elkaar als het gaat om de almacht van voornamelijk Europese bedrijven en hun rol in de extreem lage prijs voor cacao. Dit zijn de hallucinante cijfers: de chocolade-industrie is met een wereldwijde omzet van 100 miljard euro per jaar één van de rijkste industrieën ter wereld.

Dat heeft de industrie niet in kleine mate te danken aan steeds goedkopere cacao. Op 27 januari was een ton cacao 2666 dollar waard op de wereldmarkt. Dertig jaar geleden was dat driemaal zoveel.

© Daan Bauwens

Een straat in het Ivoriaanse cacaodorp Kokonou. ‘Wanneer we wachten op de oogst, hebben de meesten geen geld om de kinderen te eten te geven.’

© Daan Bauwens

Het monster van de wereldmarktprijs

‘De helft tot zestig procent van alle cacao gaat rechtstreeks naar drie bedrijven: Olam, Cargill en Barry Callebaut.’

‘Het volledige verdienmodel van de chocolade-industrie steunt op de extreme armoede van de boer’, zegt Antonie Fountain, directeur van de internationale cacao-waakhond Voice Network.

‘Een handvol bedrijven heeft de touwtjes in handen. Wereldwijd wordt 4,4 miljoen ton cacao geoogst. De helft tot zestig procent daarvan gaat rechtstreeks naar de drie bedrijven: Olam, Cargill en Barry Callebaut. Als je weet dat drie bedrijven zestig procent van de wereldproductie invoeren, is het heel moeilijk te geloven dat zij geen invloed kunnen uitoefenen op de wereldmarktprijs.’

Die drie, maar bij uitbreiding alle grote chocoladeproducenten, steken zich volgens Fountain al te gemakkelijk weg achter wat hij het ‘monster van de wereldmarktprijs’ noemt. ‘Betalen wat de wereldmarktprijs voorschrijft, is een keuze. Het is een minimum. Niemand is verplicht zich daar aan te houden.’

Volgens Fountain is het niet zo dat een hogere prijs voor de boeren zich meteen zal vertalen in een hogere prijs in de rekken. ‘Er is weliswaar een verband, maar dat moet niet overschat worden.’

Hij verwijst naar de cacaocrisis van 2016 en 2017, toen de wereldmarktprijs door overproductie in één klap een derde goedkoper werd. ‘Maar de prijs van een chocoladereep bleef exact gelijk. Vier miljard dollar werd afgesneden van de inkomens van de boeren en de budgetten van de overheden. Afrika ging de mist in en de bedrijven maakten megawinsten. Barry Callebaut noteerde een monsterwinst. Dus: het verband tussen de prijs die de boer krijgt en de prijs die de consument betaalt, is niet eenduidig.’ Dat geldt in elk geval als de prijs op de wereldmarkt daalt.

Fountain: ‘Verschillende bedrijven uitten toen hun bezorgdheid over het lot van de boeren in Ivoorkust en Ghana. We vroegen hen: wat gaan jullie doen, nu jullie op hun kap megawinsten maken? Het bleef stil aan de andere kant van de lijn.’

Kinderhandel

Terug naar Kokonou. Ange-Désiré Kuaku, de schooldirecteur van het schooltje op de hoogste heuvel van het dorp, vertelt dat vier op de tien ouders hun kinderen niet naar school sturen. Dat ze de ouders helpen op het veld, is hier de normaalste zaak van de wereld — zoals dat in Europa een eeuw geleden ook was.

Dat wordt hier niet gezien als kinderarbeid of als problematisch. Dat wordt het natuurlijk wel als het veroorzaakt en in stand gehouden wordt door extreem lage prijzen in een westers businessmodel.

Kinderarbeid speelt een sleutelrol in het verhaal van de chocolade-industrie en hun omgang met cacaoboeren.

Kinderarbeid speelt een sleutelrol in het verhaal van de chocolade-industrie en haar omgang met cacaoboeren. Een BBC-documentaire over kinderarbeid en -slavernij op de Ivoriaanse en Ghanese cacaovelden zorgde in 2000 voor schokgolven over de hele wereld. De Amerikaanse senator Tom Harkin en congreslid Eliot Engel wilden zo snel mogelijk werk maken van wetten om die kinderarbeid tegen te gaan.

Maar de cacao-industrie gaf tegengas. Zij zouden het probleem wel opgelost krijgen. Het Harkin-Engel-protocol, in 2001 getekend door de senatoren, de ambassadeur van Ivoorkust en acht directeurs van grote chocoladebedrijven, verklaarde dat er in 2006 geen kinderarbeid meer te bespeuren zou zijn in de toeleveringsketen.

Het publiek-private protocol was niet-bindend, vrijwillig en had geen juridische gevolgen als de doelstelling niet gehaald zouden worden. Volgens de ngo Terre des Hommes, in hun Child Labour Report van 2019, zijn er twintig jaar na ondertekening nog steeds naar schatting 2,2 miljoen kinderen aan het werk in de cacaosector in Ivoorkust en Ghana. Twee miljoen van hen voeren de ‘ergste vormen van kinderarbeid’ uit, namelijk het bedienen van scherpe voorwerpen en het torsen van zware gewichten.

De Australische Walk Free Foundation tekende samen met de Tulane University uit New Orleans tussen 2014 en 2017 ongeveer 3000 gevallen van gedwongen arbeid op in Ivoorkust en Ghana, waarbij het kind aan het werk gezet werd door iemand anders dan een familielid.

Kidnapping en kinderhandel zijn ook een hardnekkig problemen. Volgens het International Cocoa Initiative, een internationale organisatie voor de bescherming van kinderen in de cacaosector, werden tussen 2012 en 2014 vierduizend kinderen bevrijd uit de klauwen van mensenhandelaars.

Nog recenter: op 9 en 10 januari van dit jaar, nog geen maand geleden, werden 137 kinderen bevrijd uit de handen van mensenhandelaars nadat de politie cacaovelden had uitgekamd in de Ivoriaanse grensregio Aboisso. Een groep van negentien werd bevrijd uit een vrachtwagen. De kinderen in de vrachtwagen kwamen uit Benin, Togo en Niger.

© Daan Bauwens

Twee kinderen keren terug van de cacaoplantages in Kokonou

© Daan Bauwens

Onrecht voor de rechter

De deadline van 2006, vastgelegd in het protocol, werd dus niet gehaald. De tweede deadline van 2015, waarin de industrie zichzelf een iets bescheidener doelstelling van zeventig procent vermindering aanmat, werd ook niet gehaald. Het protocol werd opnieuw verlengd. In maart 2020 verschijnt het eindrapport.

In de VS zorgt die naderende deadline opnieuw voor aandacht voor de problemen. In een brief, geschreven in juli, vragen twee senatoren de minister van Binnenlandse Veiligheid om alle cacao tegen te houden in de haven tenzij aangetoond kan worden dat de lading vrij is van kinderarbeid. Een team Amerikaanse douaniers reisde eind oktober al naar Ivoorkust om een onderzoek te starten.

Het tegenhouden van cacao in de haven lost het probleem van extreme armoede niet op, integendeel.

Maar het tegenhouden van cacao in de haven lost het probleem van extreme armoede niet op. Kinderen zouden het eerste slachtoffer worden van een dergelijke aanpak, want als de handel stilvalt, dreigt voor hen ondervoeding. Dat was de eerste reactie van de Ivoriaanse overheid en verschillende ngo’s.

Niet de boeren, niet de staten, maar bedrijven moeten verantwoordelijk gesteld worden. Dat is de logica van de Amerikaanse mensenrechtenadvocaat Terry Collingsworth. Die haalde eind december het wereldnieuws toen hij een procedure opstartte tegen Tesla, Apple, Google, Dell en Microsoft namens veertien kinderen die om het leven kwamen of ernstig verminkt raakten in Congolese kobaltmijnen.

© Daan Bauwens

De Amerikaanse mensenrechtenadvocaat Terry Collingsworth (rechts) spant een procedure aan tegen de grote chocoladebedrijven namens ex-kindslaven.

© Daan Bauwens

Op dit moment spant hij een nieuwe procedure aan tegen Nestlé, Cargill, Callebaut, Mars, Olam, Hershey en Mondelez, op basis van de Amerikaanse Trafficking Victims Protection Reauthorization Act, een wet tegen mensenhandel met specifieke bepalingen tegen kinderarbeid. Hij spant de zaak in namens ex-kindslaven.

Bovendien, en dit kan heel vreemd lijken, worden Fairtrade International en Rainforest Alliance in deze zaak genoemd als medeplichtigen. ‘Het lijdt geen twijfel dat Fairtrade en Rainforest Alliance financieel voordeel halen uit de status quo’, vertelt Collingsworth aan de telefoon vanuit Washington DC. ‘Ze krijgen enorme bedragen betaald om te participeren in een systeem dat consumenten misleidt.’

Fairtrade International en Rainforest Alliance worden niet genoemd als beklaagden, al is de advocaat dat eventueel wel van plan. ‘Ze kunnen vervolgd worden met dezelfde wet tegen mensenhandel. Ze halen namelijk voordeel uit het gebruik van kinderarbeid door de bedrijven. Of dat zal gebeuren of niet, hangt af van de vraag of ze al dan niet willen stoppen met wat ze doen en het publiek informeren over de realiteit van kinderarbeid.’

Collingsworth ontmoet de leiding van Rainforest Alliance in Amsterdam op 7 februari. Voor Fairtrade International heeft hij nog geen datum, maar hij hoopt op een ontmoeting in de ‘redelijk nabije toekomst’.

Slaafvrije chocolade

Nestlé reageerde al op de eerste rechtszaak van Collingsworth door te stellen dat het bedrijf ‘expliciete beleidsmaatregelen’ heeft tegen kinderarbeid. Cargill zei dat de claims van Collingsworth ‘ongegrond’ waren aangezien het ‘geen mensenhandel, dwang- of kinderarbeid toelaat in de toeleveringsketen’.

Met 2,2 miljoen kinderen aan het werk op de cacaovelden in Ghana en Ivoorkust is die claim erg moeilijk hard te maken. Zelfs Tony’s Chocolonely, het bekende Nederlandse merk dat uit idealisme ontstond en expliciet voor slaafvrije chocolade ging, durft vijftien jaar na oprichting die claim niet meer maken.

En ook Fairtrade doet dat niet. ‘Geen enkel certificatiesysteem kan vandaag beweren dat er geen kinderarbeid voorkomt in zijn systeem’, zegt Charles Snoeck, woordvoerder van Fairtrade Belgium. ‘Onze standaarden zijn heel duidelijk: er is een verbod op de ergste vormen van kinderarbeid. Er is een vorm van tolerantie voor kinderen die hun ouders op het veld helpen, zolang dat niet in de weg staat van schoolgaan en zolang het geen gevaarlijk werk is. Met steekproeven wordt daar op gecontroleerd.’

Maar waterdicht is dat systeem van steekproeven niet, geeft de woordvoerder toe. Iedereen die zaken observeert die in strijd zijn met de Fairtrade-standaarden kan het wel melden aan Flocert, de auditorganisatie van Fairtrade. ‘Dat triggert een controlemechanisme waarbij meteen gekeken wordt hoe de slachtoffers opgevangen en gecompenseerd kunnen worden.’

© Daan Bauwens

Twee jonge landarbeiders op de cacaoplantage van Désiré Kuaku.

© Daan Bauwens

Ode aan de kinderen die werken voor Europa

De beschuldiging van Collingsworth tegen fairtrade-certificatiesystemen zijn minder uitzonderlijk dan de meeste mensen denken. In november 2017 diende het Italiaanse Europarlementslid Ignazio Corrao samen met 34 collega’s een parlementaire vraag in, waarin ze de koffie- en cacaobedrijven aanklagen voor gebruik van kinderarbeid en onleefbaar lage prijzen.

Daarnaast schreven de parlementsleden ook: ‘Zogenaamde certificatieprogramma’s krijgen miljoenen aan subsidies van de EU en laten multinationals toe koffie en cacao aan te kopen voor minder dan het kost om ze te produceren, terwijl ze Europese consumenten misleiden met valse beweringen.’

In de parlementaire vraag wordt de activist Fernando Morales-De La Cruz geciteerd. Die lobbyt al jaren in Brussel en Straatsburg tegen de verantwoordelijkheid van Europese multinationals in kinderarbeid, soms op een wel heel creatieve manier. Het koor in deze video zingt de Ode aan de vreugde van kinderen die werken voor Europa, door Morales geschreven op de tonen van het Europese volkslied.

Wanneer het Fairtrade betreft, is de activist minder beleefd. Voor zijn halloweenboodschap liet Morales T-shirts printen waarop het logo van Fairtrade scherpe tanden heeft.

Waarom de tanden? ‘Omdat het wreed en illegaal is om een systeem dat armoede bestendigt en consumenten misleidt “fair” te noemen. Fairtrade-boeren verdienen minder dan één derde van wat ze nodig hebben om degelijk te leven’, zegt de activist wanneer we hem spreken op het Luxemburgplein in Brussel.

‘In het Fairtrade-systeem zou de boer een eerlijke prijs of alleszins meer moeten krijgen dan boeren die niet Fairtrade-gecertificeerd zijn. Dat is bijna nooit het geval’, stelt ook de Ivoriaanse journalist Ange Aboa.

Inhouse labels

De critici gooien Fairtrade op één hoop met alle andere certificatiesystemen en beschuldigen meteen iedereen van fairwashing. Labels dienen tot weinig meer dan de consument een goed gevoel geven, zeggen ze, terwijl de industrie onverminderd doorgaat met het uitbuiten van West-Afrika.

Wat zeggen de feiten? Een eerste observatie: critici maken tijdens interviews niet altijd het onderscheid tussen fair trade - als in eerlijke handel — en de organisatie Fairtrade. Ze blijken vaak de verschillen niet te kennen tussen certificatiesystemen.

Die zijn nochtans aanzienlijk. Er zijn maar twee labels die als onafhankelijke partij cacao certificeren: Fairtrade en Rainforest Alliance. Fairtrade is het enige label dat boeren voor elke ton cacao een minimumprijs en een niet-onderhandelbare premie garandeert. Rainforest Alliance doet dat niet. Er is geen minimumprijs en een premie waarover te onderhandelen valt.

Fairtrade (de organisatie) staat voor net geen 7 procent van alle verhandelde cacao. Het is dus de kleinste, maar vangt steeds het meest wind.

Volgens dit rapport is Rainforest Alliance goed voor 1,5 miljoen ton cacao, Fairtrade voor net geen 300.000 ton. Rainforest Alliance certificeert dus een derde van alle verhandelde cacao, Fairtrade net geen zeven procent. Fairtrade is dus de kleinste, maar vangt steeds het meeste wind.

Een tweede observatie: in de wereld van labels en eerlijke handel maken inhouse labels opgang. Grote chocoladebedrijven runnen hun eigen duurzaamheidsprogramma’s en voorzien hun chocolade van hun eigen label. Nestlé heeft haar “Cocoa Plan”, Cargill de “Cocoa Promise” en Barry Callebaut spreekt van “Cocoa Horizons”.

Zo is er bijvoorbeeld het groene label Cocoa Life dat je op repen Côte d’Or, Milka en Daim vindt. Het label is bezit van Mondelez, één van de grootste chocoladeproducenten ter wereld met een jaarlijkse omzet van 26 miljard dollar. Mondelez verklaarde eind 2018 dat 43 procent van zijn chocolade afkomstig was van het eigen duurzaamheidsprogramma Cocoa Life. Sinds de start werd al 400 miljoen dollar in het label gepompt. De merken die gebruik maken van het label, financieren van tijd tot tijd persreizen om het project in de kijker te zetten.

Het programma zelf krijgt wel kritiek te verduren. ‘Een maand voor de prijscrash van 2016 besloot Mondelez de jarenlange samenwerking met Fairtrade te stoppen en over te schakelen op het eigen label. In volle crisis zagen de boeren hun premie van 200 naar 80 dollar dalen. Er werd geen minimumprijs meer gegarandeerd. Het ene label werd vervangen door het andere, dat de lat een stuk minder hoog legde’, vertelt Antonie Fountain van Voice Network.

Daar staat tegenover dat Mondelez meteen een veel grotere hoeveelheid cacao van het label voorzag, waardoor de totale uitgave ongeveer gelijk bleef en meer boeren van de (kleinere) voordelen konden genieten.

De grotere schaal en kleinere premie van Cocoa Life zijn niet de enige verschillen met Fairtrade. Het programma zorgt volgens Annick Verdegem, woordvoerster van Mondelez voor West-Europa, voor ‘investeringen die direct ten goede komen aan cacaotelende families in plaats van aangewend te worden voor certificatie-, audit- en etiketteringskosten.’

Over welke investeringen heeft de woordvoerster het precies? Een blik op de resultaten van het programma vertelt dat het gaat om bosbescherming, gendergelijkheid en het opdrijven van de productie. Zo organiseert Cocoa Life trainingen voor boeren en deelde het in 2018 8.428.682 kiemplanten voor cacaobomen uit.

De logica van het programma gaat dus niet uit van hogere aankoopprijzen, maar van de verhoging van de productie. Als boeren meer produceren, verdienen ze meer en raken ze uit de armoede.

Maar volgens experts is overproductie net een van de oorzaken van de steeds dalende wereldmarktprijs. Onder andere de International Cocoa Organisation (ICCO), die cacaoproducerende en -consumerende landen samenbrengt, houdt het erop dat de daling een resultaat is van constante overproductie. Een programma dat inzet op meer productie zal het armoedeprobleem dus niet meteen oplossen.

Rainforest Alliance: Plantages in nationale parken

Over naar de grootste speler in onafhankelijke certificatie. Rainforest Alliance beleeft op dit ogenblik een imagocrisis. In januari 2018 smolt het samen met UTZ, toen nog het derde onafhankelijke label. Op cacaoplantages die gecertificeerd waren door UTZ in Ivoorkust ontdekte de Washington Post eind oktober 2019 een resem inbreuken tegen de eigen regels.

4900 plantages bevonden zich middenin nationale parken. In gecertificeerde boerderijen was meer kans op kinderarbeid dan in niet-gecertificeerde boerderijen. Auditors van één van de vier auditingbedrijven lieten zich volgens getuigenissen omkopen of werden met de dood bedreigd als ze geen positieve audit schreven.

UTZ gaf meteen toe dat de 4900 boerderijen zich in beschermd gebied bevonden, maar voegde eraan toe dat dat een ‘klein aantal is in vergelijking met de 423.000 boerderijen die gecertificeerd zijn in Ivoorkust’. Corruptie zou tot een minimum beperkt zijn en kinderarbeid zou nu eenmaal meer voorkomen in interviews en getuigenissen omdat gecertificeerde boeren zich meer bewust zijn van wat kinderarbeid inhoudt. Omdat het zich al bewust was van de problemen, had Rainforest Alliance al in april 2019 een tijdelijke stop ingelast voor nieuwe boeren die zich wilden laten certificeren, tot wanneer de controlesystemen zouden verbeterd zijn.

© Daan Bauwens

Drie jongeren uit Kokonou op de weg tussen de cacaoplantages

© Daan Bauwens

Vangnet voor vrije val

Dan blijft Fairtrade nog over. Bestendigt Fairtrade armoede door consumenten te misleiden? ‘Fairtrade zorgt ervoor dat producenten in het Zuiden een eerlijk inkomen krijgen’, staat te lezen op de site van Fairtrade Belgium. Is dat werkelijk het geval?

Fairtrade International laat geen kans onbenut om te zeggen dat het als enige label een gegarandeerde minimumprijs en vaste premie biedt. Dat eerste is een vangnet voor wanneer de wereldmarktprijs in vrije val is. Maar die gegarandeerde Fairtrade-minimumprijs is niet bijzonder ambitieus. Het gekozen bedrag is zo laag dat het vrijwel steeds veilig onder de wereldmarktprijs blijft. De eerste keer in tien jaar dat dit niet het geval was, was tijdens de prijscrash in 2017, voor een tijdsduur van slechts vier maanden.

François Ruf, agro-econoom in Abidjan, sprak nadien met 250 boeren die aangesloten waren bij een Fairtrade-gecertificeerde coöperatie. Slechts een achttal wist van de Fairtrade-minimumprijs en had er zelf ook aan verdiend. ‘Dat was niet het enige probleem’, vertelt Ruf aan de telefoon. ‘Een heel aantal importeurs stopten met het aankopen van Fairtrade-cacao omdat ze elders een lagere prijs konden krijgen, er waren gevallen waarin chauffeurs en importeurs het geld onder elkaar verdeelden. Het meest voorkomende geval: het bestuur van de coöperatie vertelde niets aan de boeren.’

Fairtrade International erkent de problemen. Bronwyn Page-Shipp, regionaal manager voor Afrika en het Midden-Oosten van Fairtrade’s auditorganisatie FLOCERT, zegt dat het inderdaad mogelijk is dat boeren geen voordeel hebben gehaald uit de gegarandeerde Fairtrade-minimumprijs. ‘Maar dat was volgens de regels’, vertelt ze tijdens een Skype-gesprek. ‘Het verschil tussen de wereldmarktprijs en onze minimumprijs ging naar de coöperaties, niet de boeren. Dat was het misverstand van Rufs onderzoek. Sindsdien hebben we trouwens de regels veranderd. Sinds vorig jaar zijn coöperaties verplicht om het verschil in cash te betalen aan de boeren. Daarop zullen we controleren.’

Het effect van premies

In de toekomst zal het verschil tussen de gegarandeerde minimumprijs en wereldmarktprijs dus meteen naar de boeren gaan. Tot vorig jaar was dat niet het geval. Het verwijst naar de kern van de Fairtrade-strategie. Vooral de coöperaties moeten ondersteund worden, want zo kunnen ze op termijn beter opboksen tegen de multinationals. Zo blijft de premie in het Fairtrade-systeem steeds naar de coöperatie gaan. De leden kunnen samen democratisch beslissen wat met het geld gebeurt: wordt het uitbetaald aan de boeren of worden er projecten mee gefinancierd?

Vaak brengt certificatie zoveel kosten met zich mee dat de premies daarin verdwijnen.

Maar ook wat dit betreft, blijken er onvolmaaktheden in het systeem. Een grootschalige reviewstudie van Carlos Oya (University of London) uit 2017 toont op basis van tien onderzoeken naar Fairtrade aan dat premies vaak opgaan aan de administratieve lasten om een coöperatie draaiende te houden, of aan de kosten voor de audits — in het Fairtrade-systeem moeten coöperaties, om hun onafhankelijkheid te garanderen, die kost zelf dragen. Vaak brengt certificatie zoveel kosten met zich mee dat de premies daarin verdwijnen, soms worden ze gebruikt om de financiële put van de coöperatie te delven.

Vaak wordt ook het democratische karakter van de coöperaties in vraag gesteld. Tijdens François Rufs onderzoek ontdekte hij dat de helft van de veertigtal coöperaties die hij onderzocht voordien private ondernemingen waren van traders of chauffeurs, waardoor die ‘de belangen van hun bedrijf verdedigen, niet de belangen van de boeren’. Dit onderzoek van Christopher Cramer (University of London) kwam in 2014 tot de conclusie dat coöperaties heel ongelijke organisaties kunnen zijn, waarbij rijkere leden die veel produceren met de meeste voordelen van het systeem aan de haal gaan.

Ruf kwam tot gelijkaardige conclusies: ‘Men projecteert solidaire en collectivistische motieven op de boeren, maar zij zijn in mijn ervaring eerder individualistisch ingesteld.’

Bronwyn Page-Shipp van FLOCERT reageert dat ‘coöperatieve democratische besluitvorming’ niet noodzakelijk een traditionale manier van werken is in West-Afrika. ‘Dit moet ontwikkelen over de jaren, we zijn ons bewust van de uitdaging.’

Dat neemt niet weg dat de auditorganisatie optreedt wanneer het nodig is. Ivoorkust telt 152 Fairtrade-gecertificeerde coöperaties met een totaal van 129.783 boeren. Negen auditoren controleren op basis van steekproeven of de Fairtrade-standaarden gevolgd worden. In 2018 verloren acht Ivoriaanse coöperaties hun certificatie omdat dat niet het geval was.

Bex Walton (CC BY-NC-ND 2.0)

Bex Walton (CC BY-NC-ND 2.0)

Wat de markt toelaat

De kritiek dat de gegarandeerde minimumprijs en de premie weinig effect hebben op het inkomen van de boer, blijft overeind. De meerinkomsten gaan naar de coöperatie, die dan kan beslissen om ze eventueel aan de boeren uit te betalen. Maar ook indien dat zou gebeuren, zou het nog te weinig zijn om de boer een leefbaar inkomen te geven.

‘Boeren vragen ons om de prijs niet te snel op te drijven.’

Charles Snoeck van Fairtrade Belgium wijst erop dat Fairtrade zich steeds op het slappe koord begeeft tussen een faire prijs en wat de markt toelaat. ‘Als ik het alleen zou mogen beslissen, zou ik de prijs radicaal verhogen tot het niveau waarop boeren er een leefbaar inkomen uit kunnen halen’, zegt Snoeck. ‘Maar de markt zal niet volgen. Boeren, die in alle beslissingsorganen van Fairtrade vertegenwoordigd zijn, vragen ons om de prijs niet te snel op te drijven. Want met een nog hogere prijs zal Fairtrade-chocolade zich uit de markt prijzen. Na jaren campagne en bekendheid hebben we nog altijd geen vijf procent marktaandeel in België.’

Dat betekent niet dat Fairtrade de prijs nooit durft op te drijven. Vorig jaar maakte de organisatie voor het eerst een berekening van wat een ton cacao zou moeten kosten om de boer een leefbaar inkomen te geven. Die prijs werd geschat op meer dan 3000 dollar per ton. Op 1 oktober 2019 verhoogde Fairtrade de minimumprijs van gecertificeerde cacao van 2000 naar 2400 dollar per ton en de premie van 200 naar 240 dollar. Maar een waardig loon voor de boer zit er daarmee nog niet meteen in. Spelers als Oxfam Fair Trade of Belvas, een privé-chocolatier, betalen daarom bovenop de Fairtrade-premie een bijkomende premie. Voor OFT bedraagt die extra premie 1060 euro per ton, voor Belvas 800.

Een valse keuze

Hebben Ange Aboa, Terry Collingsworth, Fernando Morales-De La Cruz en de 34 Europarlementariërs gelijk met hun kritiek? Zijn fairtrade-initiatieven medeplichtig aan een systeem van uitbuiting? Niet meteen. De aanklagers in dit stuk zien labels als fairwashing, een excuus voor bedrijven om hun verantwoordelijkheid te ontlopen. In plaats van de onvolkomenheden van faitrade aan te vallen, zeggen waarnemers, moeten de critici pleiten voor het vervangen van vrijwillige initiatieven door afdwingbare wetten. En die wetten moeten bedrijven strafbaar stellen voor mensenrechtenschendingen in hun toeleveringsketen.

© Daan Bauwens

Landeigenaar Désiré Kuaku op zijn plantage met één van zijn landarbeiders

© Daan Bauwens

In Kokonou, in het Ivoriaanse binnenland, krijgen Abri Brou en Ange-Désiré Kuaku bitter weinig voor hun cacao. Maar zij zijn aangesloten bij een coöperatie die hen steeds de prijs die door de regering is vastgelegd, garandeert. Elk jaar komen alle boeren die leveren aan de coöperatie samen in een algemene vergadering om beslissingen te nemen. Dat blijkt uit de getuigenissen van zowel de voorzitter van de coöperatieve, zelf een cacaoboer, en de twee boeren in Kokonou.

Mais ‘y a pas de Fairtrade’, zegt Ange-Désiré. Zijn coöperatie Benkadi is gecertificeerd, maar slaagt er al meer dan een jaar niet in haar cacao te verkopen aan de Fairtrade-prijs omdat er geen vraag naar is. Er worden geen beslissingen over Fairtrade-premies genomen op de algemene vergadering, het komt niet ter sprake. Sommige boeren zijn zich zelfs niet bewust dat de coöperatieve nog aangesloten is bij het programma.

De conclusie: het is misschien onzinning om alle heil te verwachten van certificatie, zeker in een context van vrije marktprincipes en winstmaximalisatie op de kap van Afrikaanse boeren. Er zijn grenzen aan wat certificatie kan doen. De vraag is niet: werkt certificatie? Eerder: wat doet certificatie? En wat doet het niet?

Benkadi, de coöperatie uit Ivoorkust, ontving in het verleden extra’s die haar hielpen zichzelf draaiende te houden. Aangesloten boeren kennen elkaar en kennen hun rechten, zo blijkt uit de getuigenissen van de boeren in Kokonou. Ze zijn georganiseerd en de hoop van Fairtrade is dat ze zich zo op termijn in een betere onderhandelingspositie kunnen wringen tegenover multinationals.

‘Zonder regelgeving blijft het dweilen met de kraan open.’

De slabakkende vraag naar Fairtrade-gecertificeerde cacao brengt net dat in gevaar. Het marktaandeel van nieuwe labels met minder grote of transparante engagementen groeit ondertussen.

Staat Fairtrade in de weg van wetten? Dat is een vals debat volgens Bart Van Besien van Oxfam Wereldwinkels en Voice Network. Beide zijn nodig. ‘De zwakste schakel in het hele systeem zijn de boeren, die georganiseerd en versterkt moeten worden, daarvoor zorgt Fairtrade. Ondertussen werkt de hele fairtradebeweging aan de regelgeving om extreme armoede en kinderarbeid tegen te gaan, want zonder regelgeving blijft het dweilen met de kraan open.’

Doorbraak?

Bedrijven, enkele althans, lijken sinds kort zelf vragende partij voor zo’n regelgeving. Op 2 december 2019 publiceerde cacao-waakhond Voice Network een brief ondertekend door Fairtrade International, Rainforest Alliance, Barry Callebaut, Mars en Mondelez. In de brief roepen de bedrijven en ngo’s de EU op om regels op te stellen die bedrijven verplichten verantwoordelijkheid te nemen voor mensenrechten en het milieu in hun toeleveringsketen. De brief was het resultaat van één jaar onderhandelen achter de schermen.

Of zo’n regelgeving er inderdaad komt, hangt af van politieke goodwill. De bal ligt in het kamp van de Europese Commissie. Maar de kaarten liggen goed: de laatste deadline van Harkin-Engel, het protocol over kinderarbeid, loopt dit jaar af en de VS dreigen met een blokkade van Ivoriaanse cacao. Dat is niet wat de bedrijven of de overheid van Ivoorkust willen.

Maar volgens Van Besien gaat het om veel meer dan dat. Cacao is volgens hem de testing ground voor een nieuw Europees handelsbeleid met het Zuiden. ‘Als het met cacao niet lukt, dan lukt het met niets. De EU heeft deze keer geen excuses om de harde regels van de wereldhandel op het Zuiden toe te passen: we moeten China niet vrezen want daar zijn geen grote chocoladefabrikanten. Er is geen angst voor voedseltekorten want het gaat om chocolade, een luxeproduct.’

‘Ondanks alle Europese praatjes over mensenrechten, onderhandelen we in handelsbesprekingen zo hard we kunnen, waardoor extreme armoede en kinderarbeid blijven bestaan. Nogmaals: de EU heeft nu geen excuses. Het Europese handelsbeleid mag niet enkel in functie staan van onze bedrijfsbelangen maar moet minstens in het belang zijn van de mensen die ons de cacao leveren.’

Als de EU inderdaad mensenrechten opneemt in nieuwe handelsakkoorden, zoals Fairtrade International, Rainforest Alliance, Barry Callebaut, Mars en Mondelez in hun open brief vragen, dan is dat volgens Bart Van Besien ‘voor het eerst sinds de dekolonisatie’.