Podcast met Jeanne Devos: ‘De solidariteit onder de armen is veel groter dan onze solidariteit met hen’

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

 

We ontmoetten elkaar voor het eerst in juni 1989, toen haar Indiase miljoenenstad nog niet Mumbai maar Bombay heette. Zuster Jeanne Devos nam me mee naar arbeiderswijken, stoepbewoners, de Gateway of India; naar middenklasseappartmentjes waar ik interviews deed met het huispersoneel en naar bijeenkomsten van die domestic workers na de uren.

Jeanne Devos is geen barricadennon, maar wat ze toen stilaan begon op te bouwen werd later een nationale vakbond met honderdduizenden leden en impact op miljoenen levens, en gaf de aanzet tot nieuwe internationale regelgeving. She gets things done, dat weten ze intussen in India, maar ook bij de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO). MO* zette de microfoon aan voor hét kerstgesprek van 2019.

Mensen horen niet in hokjes

Je hebt 53 jaar in India gewoond en gewerkt. Ben je dan nu “terug thuis” of ben je een immigrant in je geboorteland?

Jeanne Devos: Ik denk dat ik eerder migrant in mijn geboorteland ben. Ik ben anderhalf jaar terug in België en ben me nog altijd aan het aanpassen. Veel zaken voelen toch nog vreemd aan, vooral het gegeven dat men eerder rekent op de techniek om je te helpen dan op je buurman. Vraag de weg aan iemand, en het antwoord is de gps.

Wat merk je nog op als je als halve buitenstaander naar dit land kijkt?

Jeanne Devos: Dat mensen in hokjes geplaatst worden. Je bent allochtoon of autochtoon, migrant of vluchteling. Men vertrekt niet van de menselijkheid, van ieder kind is kind, ieder mens is mens. Je wordt automatisch geklasseerd en je loopt dan ook meteen het risico dat je er van tussen valt. Omdat je boven een bepaalde leeftijd bent, omdat je vreemdeling bent, omdat je migrant bent – en dat blijf je blijkbaar, ook al ben je al derde of vierde generatie.

‘Vroeger was ook iedereen die niet in het dorp geboren was een inwijkeling, maar dat is nu veel uitdrukkelijker’

Is die neiging om mensen in hokjes te plaatsen altijd aanwezig geweest in Vlaanderen, of heb je dat over de jaren zien toenemen?

Jeanne Devos: Ik heb dat heel sterk zien toenemen, vooral in landelijk Vlaanderen. Vroeger was ook iedereen die niet in het dorp geboren was een inwijkeling, maar dat is nu veel uitdrukkelijker. Dat lijkt me anders in steden. In Genk, bijvoorbeeld, waar 130 nationaliteiten leven en waar een sterke verbondenheid is.

Als je ziet dat mensen benaderd en ook wel gediscrimineerd worden naargelang hun afkomst, hoe oordeel je daarover? Hoe handel je dan?

Jeanne Devos: Voor mij is afkomst bijkomstig. Wat telt, is dat je mens bent. En dus heb je mensenrechten, zoals iedereen. Die gelijkheid in rechten moet doorgetrokken worden. Maar dat zie je minder en minder gebeuren. Wat doe je daaraan? Wat je kan: protesteren, doen wat nu mogelijk is, en vooral: zoveel mogelijk samen doen. Er zijn in Vlaanderen heel veel initiatieven om migranten of vluchtelingen op te vangen, maar ook die initiatieven zitten in aparte hokjes. Er is te weinig gezamenlijkheid in die aanpak.

Bedoel je: er is nood aan een brede beweging, of eerder: de initiatieven van “allochtonen” en van “autochtonen” zouden veel meer in elkaar moeten vloeien?

Jeanne Devos: Eerder dat laatste. Er moet meer samen gewerkt en samen gedacht worden. Media hebben daarin een belangrijke rol. We moeten in onze levenshouding en in onze aanpak opnieuw de mens en het menselijke centraal stellen.

We hebben blijkbaar meer angst van het andere in mensen dan vertrouwen in het menselijke dat we delen?

Jeanne Devos: De angst vindt voor een goed deel zijn oorsprong in de media. De slogans en de waarschuwingen domineren. We worden voortdurend gewezen op alles en iedereen waarvoor we schrik moeten hebben.

India is een groot huis met vele kamers, en een aparte WC

De tegenstelling tussen wij en zij is ook in India, dat veel diverser is dan Vlaanderen, toegenomen de voorbije decennia.

Jeanne Devos: Enorm, vooral op vlak van godsdienst. India is altijd nogal gesloten geweest voor buitenlanders. Maar nu worden minderheidsgroepen in het vizier genomen. Zij worden uitgesloten. Die tendens zie je overal in Azië en in de hele wereld groeien.

India heeft nochtans een traditie van omgaan met diversiteit. Waarom lijkt die vaardigheid te verdwijnen? Zijn er gewoon te veel mensen, zijn er grote economische belangen in het spel?

‘Eigenlijk draait het vooral rond macht. En je moet behoren tot de groep die macht heeft, of die groep nu gebaseerd is op religie, taal of wat dan ook.’

 Jeanne Devos: Er spelen veel elementen mee. Er is de economische onzekerheid en daartegenover de vraag: wie heeft de macht? Welke partij, welke religieuze of etnische gemeenschap heeft het voor het zeggen? Eigenlijk draait het vooral daarrond: macht. En je moet behoren tot de groep die macht heeft, of die groep nu gebaseerd is op religie, taal of wat dan ook.

Terzijde: ben jij ooit Indiaas staatsburger geworden? Die andere belangrijke Belg in India, Jean Drèze, heeft die stap gezet.

Jeanne Devos: Neen. Ik heb het een tijd geprobeerd, en toen werd het geweigerd omdat ik verantwoordelijk was voor de studentenbeweging. Dat was politiek fout, blijkbaar. Nadien is het staatsburgerschap mij aangeboden, waarop ik het geweigerd heb, omdat ik in toenemende mate geïnteresseerd was in kinder- en vrouwenhandel. Met een Belgisch paspoort kon ik makkelijk van India naar Bangladesh, met een Indiaas paspoort niet.

Bovendien had ik niet meer het verlangen om echt Indiër met de Indiërs te zijn. Ik besefte intussen dat dat toch nooit mogelijk is. Ongeacht je nationaliteit, je bent toch nooit in India geboren of ondubbelzinnig deel van India.

De consequentie is wel dat de Indiase staat je de toegang tot het grondgebied kan ontzeggen. En dat is niet louter theoretisch, want India weigert wel eens vaker activisten, ngo-medewerkers of christelijke missionarissen.

Jeanne Devos: De dreiging is er inderdaad altijd geweest. Mijn voordeel was dat ik een opleiding had als gehandicaptenwerker, en dat heeft in India wel prioriteit.

Je hebt dan ook in een school voor dove en slechthorende kinderen gewerkt. Maar je bent snel actief geworden in de studentenbeweging en daarna heb je het initiatief genomen om een beweging van dienstmeisjes of huispersoneel op te zetten. Wat heeft je gemotiveerd om daaraan te beginnen?

Jeanne Devos: De studentenbeweging werd, in de jaren 1968-1970, een radicale beweging voor ontwikkeling. Afgestudeerden gingen zich als vrijwilligers inzetten in oorlogs- of rampgebieden, en daar werd voor mij heel duidelijk dat in die extreme omstandigheden vrouwen en kinderen altijd de grootste slachtoffers waren. Zij moeten het leven verderzetten, zij moeten oplossingen zoeken. Vandaar het verlangen om me te engageren voor vrouwen, en dan met name voor de meest uitgesloten groepen vrouwen. Dat waren toen duidelijk: seksarbeidsters, gebonden arbeidsters en huisarbeidsters.

‘Seksarbeidsters, gebonden arbeidsters en huisarbeidsters zijn de drie groepen vrouwen die het meest uitgesloten worden’

Ik ben dan beginnen werken met seksarbeidsters. Maar heel vlug stelde ik vast dat je te laat komt als die vrouwen in de seksindustrie aan de slag zijn. Zij konden niet terug, niet naar hun dorp, niet naar hun familie. De sector van de seksarbeid zelf wordt hun thuis. Dat was anders bij huisarbeid, al zijn de vrouwen ook daar vaak “gebonden arbeidsters” die werken om leningen af te betalen, die seksueel ook zéér kwetsbaar zijn. Bovendien staan zij helemaal alleen. Daarom ben ik uiteindelijk met huisarbeidsters beginnen werken.

Cultuur van macht versus cultuur van gedeelde kracht

Toen ik je in Bombay leerde kennen dertig jaar geleden, bracht je me tot bij een aantal dienstmeisjes. Dat betekende ook dat je van de werkgevers toegang kreeg. Was dat omdat je een katholieke non was?

Jeanne Devos: Met bezoekers kon ik alleen terecht bij de één of twee procent werkgevers die open stonden voor ons werk. Bij de rest kon zelfs ik niet binnen. De echte situaties van uitbuiting en slechte behandeling kon ik dus niet laten zien. We hebben ook geprobeerd om te werken met de werkgevers, maar het waren altijd die zelfde enkelingen die opdaagden, terwijl degenen die we écht wilde bereiken, hun kat stuurden.

Is dat de reden dat je uiteindelijk gekozen hebt voor een vakbondsmodel, wat allesbehalve vanzelfsprekend is voor een beweging die werkt met meisjes die vaak ongeletterd zijn en die individueel tewerkgesteld worden in een situatie van totale machtsafhankelijkheid?

Jeanne Devos: Die keuze is gegroeid vanuit de beweging. Na een tiental jaren was dat verlangen naar een vakbond er al, maar we konden die niet beginnen omdat de dienstmeisjes niet erkend waren als arbeidsters. Het is pas dankzij de Conventie 189 van de Internationale Arbeidsorganisatie, over waardig werk voor huisarbeiders, dat ze uit die toestand van slavernij gehaald zijn. In de arbeidsbeweging die we daarop gebouwd hebben, moest de leiding in handen zijn van huisarbeidsters zelf, niet in handen van degenen die de beweging wilden steunen. Zoals Cardijn stelde: doe het eerst voor hen, doe het dan samen met hen en laat het hen dan zelf doen, maar steun hen wel.

‘Ik dacht niet dat iemand die niet kan lezen of schrijven secretaris kan zijn van een beweging, maar dat lukt wel’

Ik heb daarin veel bijgeleerd. Ik dacht niet dat iemand die niet kan lezen of schrijven secretaris kan zijn van een beweging, maar dat lukt wel. Ze dicteren aan iemand die het intikt en het dan voorleest, en zij corrigeren wel. Ze kunnen ook een duidelijk gestructureerd verslag van een half uur geven, zonder de papiertjes die ik daarvoor nodig zou hebben.

We hebben ooit straattheater gemaakt met dalit-huisarbeidsters. Zij zijn “onaanraakbaar”, en worden dus beschouwd als onrein. Zij mogen niet aan de tafel van de werkgever raken, ze mogen zijn trap niet gebruiken, ze mogen het toilet niet gebruiken. Wij hadden dat stuk opgebouwd rond de eis om gelijk behandeld te worden. Een van de leidsters van de beweging heeft nu zelf een stuk gedicteerd aan iemand, en zij draait de situatie om. Het verhaal vertrekt van een huisarbeidster die stelt dat ze zo belangrijk is, dat de werkgever speciaal voor haar een trap en een WC geïnstalleerd heeft – voor haar alleen. Hun energie en manier om zich uit te drukken verstaan wij nog niet altijd, maar die is krachtiger dan wat wij doen.

Jullie hebben ook zwaar ingezet op wetgevend werk.

Jeanne Devos: Inderdaad, wij vonden dat heel belangrijk. Je kan die misstanden niet individueel aanpakken. Op een bepaald moment stelde de Wereldbank dat er in India 92 miljoen huisarbeiders waren, dan kan je niet telkens opnieuw beginnen. Het belang van de wet hebben we gezien in een ander dossier, namelijk de wet op kinderarbeid. Gestemd in 2006 naar aanleiding van de dood van een kind van tien jaar, zagen we dat de kinderhandel voor huisarbeid scherp naar beneden ging. In 2016 werd een zogenaamde verstrenging van die wet doorgevoerd, maar er zat wel een reuzegroot achterpoortje in, waardoor we die kinderhandel plots weer zagen toenemen. Wetgeving geeft ook een instrument om sociale druk te organiseren en af te dwingen.

We moeten gewoon op alle niveaus actief zijn. Dat zie je ook aan het enorme belang dat de internationale samenwerking in het kader van de IAO voor onze beweging in India gehad heeft.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Hoe belangrijk was in dat verband de samenwerking met en steun van ngo’s zoals WSM, het vroegere Wereldsolidariteit?

Jeanne Devos: Dat is héél belangrijk, want het toont de internationale kracht van solidariteit. De samenwerking met ACV Voeding en Diensten gaat verder dan financiële steun. Er is ook uitwisseling van kennis en vaardigheden. De financiële steun heeft ons wel in staat gesteld om vrijwilligsters voor de beweging te laten werken, wat de kracht van de armen inbrengt. Ook in de kinderrechtenbeweging krijgen kinderen de kans om hun eigen waarde te ontdekken, hun eigen bijdrage en ook hun eigen verantwoordelijkheid.

‘Het bijzondere is dat die kinderen vandaag weten dat ze naar school kunnen omdat dat hun recht is’

Die kinderrechtenbeweging is je volgende project.

Jeanne Devos: Die beweging is begonnen door Christy, een advocate en maatschappelijk werkster  die nu de coördinatie doet van de beweging. De beweging focust op kinderen die in huisarbeid werken of die als slachtoffer uit kinderhandel terugkeren. Zij volgen halve dagen les, werken nog wat bij en volgen ’s avonds coaching waarin ze onder elkaar bespreken wat aangenaam of moeilijk is, en hoe ze elkaar kunnen helpen.

Het bijzondere is dat die kinderen vandaag weten dat ze naar school kunnen omdat dat hun recht is. Ze werden altijd uitgesloten, nu mogen ze aan boeken komen, krijgen ze potloden… Dat geeft hen energie, maar ze nemen daardoor ook meer verantwoordelijkheid. Ze trekken naar de stoepbewoners om kinderen ervan te overtuigen mee naar school te gaan, … omdat het hun recht is. Daardoor ontstaat een volksbeweging in de armste wijken rond de rechten van hun kinderen.

En resulteert zo’n kinderrechtenbeweging ook in een andere omgang met gender onder de kinderen zelf?

Jeanne Devos: Heel duidelijk. Wij hechtten altijd al veel belang aan de gelijkwaardigheid en de bijdrage van de vrouw, maar mannen wezen dat af. Dat was te bedreigend. Maar nu het van hun kinderen komt, doen de mannen wel mee en ontstaat er een beweging. Dat is hoopvol.

Hoop overweegt altijd in je verhalen. Hoe vaak overvalt je de wanhoop?

‘Wanhoop duurt net zo lang tot ik opnieuw ondergedompeld word in zo’n groep kinderen of vrouwen.’

Jeanne Devos: Wanhoop duikt zo nu en dan op. De vraag waarmee we bezig zijn of de schrik dat we het nooit zullen halen. Die wanhoop duurt net zo lang tot ik opnieuw ondergedompeld word in zo’n groep kinderen of vrouwen. Die kracht, die dynamiek sleurt je opnieuw mee. Als je daar buiten komt, geloof je er weer in. Maar de tegenstand is en blijft groot, op alle terreinen. Het ergste voel ik dat aan in het gerecht, bijvoorbeeld wanneer er een zaak van verkrachting van een kind voorkomt, die je niet kàn verliezen, terwijl je toch verliest. Dan weet je dat de macht van de connecties of de macht van geld groter is dan recht of rechtvaardigheid.

Maar de kracht van de groep is sterker dan die ontmoediging. Het is echt de cultuur van macht tegen de cultuur van kracht. We zien dat gebeuren met de vrouwen die spontaan gaan protesteren als een van hen ontslagen wordt. Als juwelendiefstal als reden gegeven wordt, dan weten wij: iemand is verkracht en moet uit het gezin verdwijnen voor de eer van de familie. Op luttele minuten staan er tientallen vrouwen voor die deur, en dat soort shaming and blaming is vaak veel effectiever dan een rechtszaak. Maar je mag het gerecht niet uitsluiten, het blijft toch de hoogste instantie die instaat voor rechtvaardigheid.

Geloof, hoop en liefde

Je sprak voor het eerst over vertrekken naar India toen je nog een kind was, later werd het je religieuze roeping. Maar wat is dat eigenlijk, een religieuze roeping?

Jeanne Devos: Voor mij is dat totale gave en totale inzet. Concreet: inzet voor de armen en tegen armoede. Toen wij vertrokken in de vroege jaren zestig, namen wij de Blijde Boodschap voor de armen mee. Dan kwamen we in de sloppenwijken van Bombay en zagen kinderen sterven van honger – we doopten die kinderen nog snel, in de overtuiging dat we een kind dat het hier niet haalde dan een blijde boodschap voor het hiernamaals konden meegeven. Maar heel snel was duidelijk dat dat niet klopte, dat het “hiernamaals” hier en nu moest kunnen beginnen. Wij brachten geen boodschap, we ontdekten de boodschap. Want de solidariteit onder de armen is veel groter dan onze solidariteit met hen.

Een religieuze roeping heeft ook te maken met geloof. Welk geloof drijft jou?

‘Het is niet de god die je in kerkgebouwen of rituelen vindt, maar een god die vooral met de armen begaan is’

Jeanne Devos: Het geloof in de God van Hagar, die zegt: ‘Ik zal er zijn.’ [Hagar was de dienstmeid van Abraham en Sara, bij wie Abraham een eerste zoon verwekte omdat Sara onvruchtbaar bleek. Jahweh verzekerde Abraham herhaaldelijk dat hij Hagar en haar zoon Ismaël niet in de steek zou laten.] Die belofte geldt voor elke mens en sluit uit dat er uitgeslotenen zijn. Het is een geloof in een god die begaan is met mensen. Dat is Kerstmis, Emmanuel of God met ons.

Het is niet de god die je in kerkgebouwen of rituelen vindt, maar een god die vooral met de armen begaan is. Dat vind je ook in het bijbelboek Exodus, hoofdstuk drie, waarin god tot Mozes zegt: ik heb de ellende van mijn volk gezien en gehoord, en ik stuur u. Ik herken de aarzeling van Mozes, tot wie god vanuit de brandende braamstruik sprak. Wie ben ik? Ik ken de taal niet, en ik heb nog zo veel excuses. Maar de scène eindigt opnieuw met god die zegt: ga toch maar, ik zal er zijn.

Naast het geloof is er de hoop. Wat betekent die voor jou?

Jeanne Devos: Hoop is sterker nog dan geloof. De hoop die zegt dat het zal lukken, al weet je niet wanneer. Het vertrouwen, de god van goedheid en van liefde.

Van geloof, hoop en liefde, is liefde de grootste, zegt de apostel Paulus. Wat betekent liefde voor een celibataire zuster die haar hele leven gegeven heeft aan een sociale beweging?

Jeanne Devos: Solidariteit is een vorm van graag zien. En dat graag zien onder de huisarbeidsters is de sterkte van de beweging. Het is een van de mooiste resultaten van het werk. Vroeger werden ze tegen elkaar opgezet, nu weten ze dat ze gelijken zijn die samen op weg zijn, wat samenwerking en kracht biedt. Daarom kan je geloof, hoop en liefde niet scheiden.

Alsof de Weg ons zocht. Jeanne Devos en haar strijd voor dienstmeisjes in India door Julie Hendrickx is uitgegeven door Lannoo. 268 blzn. ISBN 978 94 014 5836 8

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2630   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur