Booming India en de sociale rol van de staat

Jean Drèze on Booming India and the Social Role of the State

Jean Drèze op bezoek bij MO*

De Belgisch-Indiase econoom Jean Drèze schreef een aantal essentiële boeken over de Indiase economie, samen met Nobelprijswinnaar Amartya Sen. Onlangs gaf hij op uitnodiging van MO* een expert seminar over de relatie tussen economische groei en sociale vooruitgang in India. Het rapport van de grootste democratie en de tweede snelst groeiende grote economie ter wereld is op sociaal vlak ronduit negatief. Dat kan en moet beter, zegt professor Drèze.

Is India goed bezig? Onder die titel verscheen eind 2011 een tekst van Amartya Sen (Nobelprijs Economie 1998) en de Belgisch-Indiase econoom Jean Drèze, ook uitgegeven als MO*paper. Die paper hebben de twee top-economen intussen uitgewerkt tot een volwassen boek dat midden 2013 verscheen. An Uncertain Glory wijkt niet af van de fundamentele vastellingen die twee jaar geleden al gedaan werden, het werkt die beter uit en onderbouwt ze met meer cijfers en argumenten.

Kort samengevat zeggen Drèze en Sen dat de snelle economische groei van de voorbije twee decennia niet of nauwelijks gebruikt werd om de miserabele levensomstandigheden van de honderden miljoenen armsten in India te verbeteren. Daardoor ontstaat de paradoxale situatie dat India snel veel rijker wordt dan zijn buurlanden, maar dat die buren –uitgezonderd Pakistan– tegelijk India voorbijsteken op het vlak van sociale ontwikkeling.
Drèze en Sen zijn zeker niet tegen snelle economische groei, integendeel, maar ze verwijten de Indiase beleidsverantwoordelijken dat ze de opportuniteiten van die groei niet gebruiken om te zorgen voor meer en beter onderwijs, gezondheidszorg en sociale zekerheid voor iedereen.

Uit de vergelijking met buurlanden, BRIC-landen en deelstaten onderling concluderen de auteurs dat een performante staat die zich actief op sociaal beleid richt een groot verschil kan maken. Dat sociaal beleid moet dan best gestoeld zijn op het principe van universele dienstverlening, op het bestrijden van ongelijkheid in plaats van enkel armoede, en op het cultiveren van de capaciteiten van de hele bevolking, ongeacht kaste, klasse of gender.

Daarbij maken de auteurs duidelijk dat ongelijkheid in India vele gezichten heeft, die elkaar versterken, wat het bestrijden ervan ongemeen moeilijk maakt. Opvallend zijn bijvoorbeeld de cijfers over de dominantie van hogere kasten in leiderschapsposities in ngo’s en vakbonden –respectievelijk 80 en 90 procent- en in de media -85 procent. ‘Zelfs anti-establishmentkrachten reproduceren de oude tegenstellingen in hun politieke acties’, schrijven Drèze en Sen.

Tijdens het seminarie, dat onder andere bijgewoond werd door Steven Vanackere, prof. Lode Berlage, India-kenners Chris Verschoote en Prakash Goossens, legde Drèze sterk de nadruk op de verantwoordelijkheid van de staat, omwille van de potentieel grote impact dat die kan hebben.

2014 is het jaar van de parlementsverkiezingen in India. Drèze erkent dat die verkiezingen vrij en democratisch zijn en dat ze behoorlijk goed georganiseerd worden. Maar een heel grote groep mensen heeft er geen deel aan, zegt hij. De belangen van de grote meerderheid aan armen in india spelen geen grote rol in de politieke competitie aangezien de stem van de meerderheid afwezig blijft in het gemediatiseerde debat. Het gevolg is dan ook dat het beleid dat door de verkozen politici gevoerd wordt wél uitgebreide subsidies voorziet voor ondernemers allerhande, maar veel minder of moeizamer voor de straatarme meerderheid. De Indiase staat geeft dan ook slechts vijf procent van haar budget uit aan sociaal beleid, met ongeveer drie procent voor onderwijs –een  essentieel terrein indien India op duurzame manier de armoede van haar bevolking wil bestrijden– en een erg magere één procent voor gezondheidszorg. Vergelijk dat met een gemiddelde sociale uitgave van 37 procent in OESO-landen en dan besef je hoe triest het in India gesteld is. Meer dan de helft van de gezinnen in India beschikt niet eens over een rudimentair toilet, wat een enorme druk plaatst op kwetsbare groepen, maar ook voor de hele bevolking een groot gezondheidsrisico creëert. Ter vergelijking: in Bangladesh heeft 10 procent van de gezinnen geen toilet, in China één procent.

Een van de cruciale voorwaarden om tot meer en beter sociaal beleid te komen, is ervoor te zorgen dat de kwaiteit van het bestuur beter wordt. Want als de overheid al beslist sociale investeringen te doen, dan bereiken die al te vaak de bestemmelingen niet. Drèze geeft het voorbeeld van de voedselrantsoenen die vaak in de zakken van ambtenaren of tussenhandelaren verdwijnen. Daarom werd in de deelstaat Chattisgarh overgegaan tot het de-provatiseren van de rantsoenwinkels. Door die in handen te geven van de gemeenschap verbeterde de dienstverlening snel, want het was in het belang van de “eigenaars” dat de “consumenten” zo goed mogelijk bediend werden. Die ingrepen leverden bovendien elektoraal voordeel op voor de partijen aan de macht, zodat ook andere deelstaten tot vergelijkbare ingrepen geïnspireerd werden.

Sociaal-economische rechten, die in de grondwet ingeschreven staan als fundamenteel maar niet afdwingbaar voor de rechtbank, worden hoe langer hoe meer vertaald in specifieke wetgeving. Dat is een evolutie die Drèze hoopvol stemt, omdat daardoor zaken als voedselzekerheid, onderwijs en sociale bescherming wél afdwingbaar worden. De eerste grote doorbraak op dat vlak was de –zeer verregaande- wet op het recht op informatie, met de uitgebreide infrastructuur die daarrond gebouwd werd om dat recht voor miljoenen mensen toegankelijk te maken. Het levert jaarlijks een miljoen vragen voor informatie bij de overheid op. Een ander groot sociaal programma van de overheid is NREGA, het tewerkstellingsprogramma voor de armsten in rurale gebieden. Er zijn jaarlijks zo’n 50 miljoen Indiërs die binnen dat programma (tijdelijk) werk en een inkomen vinden. Deze en andere sociale nprogramma’s zijn behoorlijk populair, maar hebben wel af te rekenen met sterk verzet vanuit de ondernemerswereld. Nochtans is een beter sociaal beleid en betere herverdeling van inkomen en kansen niet enkel in het voordeel van de armsten, maar van iedereen, van het hele land.

Gie Goris

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift