Blank bloed

Het was dertig jaar geleden dat ik nog bloed had mogen geven. Maar nooit eerder kreeg ik er zoveel aandacht voor.

  • De meeste donoren waren medisch personeel van één van de ziekenhuizen
  • Weinig mensen voelden zich aangesproken door het spandoek. Hoe zou dat komen?
  • De fotograaf naast zijn belangrijkste bron van inkomsten van de dag
  • De fotograaf gefotografeerd

Vandaag is de Internationale dag van de bloedgevers. Ook in Butembo is die dag niet ongemerkt voorbij gegaan. De telefoonmaatschappij Vodacom stuurde gisteren een SMS-oproep aan al haar abonnees. Op de hoofdstraat hangt een spandoek om de mensen op te roepen bloed te geven. Dit jaar staat de campagne in het teken van het redden van levens van moeders. Maar het zijn vooral de kinderen van onder de vijf jaar die de grootste afnemers zijn van bloed in Afrika.

In mijn studententijd gaf ik elk kwartaal bloed. Dat heb ik dus wel wat jaren volgehouden, want ik heb het voorrecht gehad lang te mogen studeren. Maar vanaf het moment dat ik naar Afrika begon te reizen was het gedaan. Ik moest kunnen bewijzen dat ik de voorbije twaalf maanden geen voet meer in de tropen had gezet, en pas dan zouden ze mijn bloed aanvaarden. Anders was het gevaar op malaria of een andere besmetting te groot.

Dat is dus sindsdien geen enkel jaar meer het geval geweest, ook niet toen die periode werd teruggeschroefd naar zes maanden, en ook al heb ik nooit in mijn leven een malaria-aanval gehad, ik heb het opgegeven me aan te bieden. Argumenten als: in Afrika zelf geven de mensen toch ook bloed? Het is toch hetzelfde Rode Kruis die de inzamelingen doet? Vanwaar die twee maten en twee gewichten? Allemaal verloren moeite. Ik werd uitgesloten. En, geloof me, dat geeft een heel vreemd gevoel. Uitgesloten worden omwille van je band met Afrika, het helpt echt om je te kunnen inleven in iemand die wordt uitgesloten uit andere maatschappelijke activiteiten enkel en alleen maar omdat hij of zij uit Afrika komt. In mijn geval gaat het dan niet om racisme, maar de beleving van de afwijzing is vergelijkbaar.

Bloed gezocht

Dr. Safari Masembe onthaalt me hartelijk. Hij kent me zelfs bij naam. Ik had hem een jaar of drie geleden ooit eens ontmoet en hij was me duidelijk niet vergeten. “Het is pas sinds 2012 dat we bloed afnemen in Butembo. Wij schatten de behoeften volgens de Rode Kruis-norm in op 0,0075% van de bevolking per jaar dat bloed nodig heeft. Voor een bevolking in Butembo van 800.000 mensen komt dat neer op 6000 patiënten per jaar. Vaak hebben ze méér dan één zakje bloed nodig. In ons startjaar hebben we 857 zakjes ingezameld. Vorig jaar 2013 waren dat er 1587. Dat is nog altijd minder dan een kwart van de behoeften”.

“Hoe deden jullie dat dan voordien?”, vraag ik verbaasd.

“Meestal gingen we op het moment dat we bloed nodig hadden gewoon de straat op en hielden we mensen staande met de vraag om bloed te geven. Erg praktisch is dat natuurlijk niet, en we hebben patiënten verloren bij gebrek aan bloed, dat kan ik niet ontkennen. “

Ik word gewogen, we doorlopen de vragenlijst van twee pagina’s en ik word geschikt bevonden. Ik heb het niet meteen door, maar zodra ik in de tuinstoel lig en de verpleger mijn arm begint te ontsmetten, duiken verschillende mensen op met flitsende fotocamera’s. Eéntje filmt zelfs. Ik vraag hen wie ze zijn. Het blijkt om de verzamelde pers van Butembo te gaan. En om een beroepsfotograaf. Het soort mensen dat je op alle vergaderingen en gelegenheden ziet opduiken, die ongeremd van iedereen foto’s maken en dan hun foto’s aan de aanwezigen verkopen.

Eventjes weg

De verpleger weet mijn ader meteen te vinden: één keer prikken volstaat. Het zakje vult zich snel. Als het begint bol te staan voel ik me plots wegdraaien en barst het zweet me uit. Ik verlies net niet het bewustzijn omdat een verpleegster het tuinzeteltje dat dienst doet als afnamebed mijn voeten hoger klikt, zodat er meer bloed naar mijn hersenen stroomt. Ze meet snel mijn bloeddruk: 10/6. Zo laag kom ik anders nooit.

“Hoeveel ml hebben jullie dan afgenomen?”, vraag ik als ik weer bij mijn positieven begin te komen.

“Gewoon, 450 ml, wat normaal is voor een volwassene.”
Ik dacht dat men me vroeger maar 300 ml afnam, maar het is waar, ik ben ook wel wat verzwaard sindsdien en heb dan ook meer bloed ter beschikking. Mijn lichaam reageert wellicht zo omdat het zo lang geleden is.

De appelflauwte gaat snel over. Ik krijg een limonade en een onbelegd broodje, en terwijl ik dat rustig zit op te eten, in een rij met de andere donoren, roept de man links van me de fotograaf voor een foto. Met mij. Hij vraagt het me niet eens. Hij vindt het blijkbaar vanzelfsprekend dat ik daar geen bezwaar tegen heb. Ach, denk ik, als dat zijn beloning is voor zijn bloedgift, geen probleem, dat is maar een kleine moeite.

“Mijn beurt”, zegt de vrouw links van hem. Hij staat op en ze schuift door naar mij. De fotograaf glundert. Allemaal willen ze met mij op de foto. Zijn fototoestel klikt ijverig. Wat zal zijn zakencijfer de lucht ingaan. “Je zal de muzungu moeten betalen”, hoor ik iemand zeggen tegen de fotograaf. Hij negeert de opmerking. Integendeel troont hij me mee om een foto enkel van ons twee te laten maken.

Vedettenbloed

Daar staan ook de radiomannen (en een vrouw) te wachten. Ze drummen om me heen alsof ik Georges Clooney ben. “Mogen we een interview van u afnemen, meneer?”. “Van mij? Waarom van mij? Er zijn zovele andere bloedgevers, waarom juist ik?”.

Ik merk meteen dat de vraag absoluut niet tot hen doordringt. Niemand doet een poging tot antwoord. De GSMs in opnamestand worden me onder de neus geduwd. De filmcamera gaat in de aanslag.

“Wat motiveert u om bloed te komen geven, meneer?”.

“Wel, ik ben er me van bewust dat er misschien ooit in het leven een moment komt waarop ik bloed zal nodig hebben om te overleven. En dan zou het erg spijtig zijn als er dan geen bloed beschikbaar is. Ik zou dat niet graag willen meemaken. Ik weet zeker dat er op dit eigenste moment mensen zijn in Butembo die bloed nodig hebben. Daarom ben ik komen bloed geven.”

“U bent de enige persoon van het witte ras (letterlijk la race blanche) die vandaag is komen bloed geven. Wat zou u kunnen doen opdat er meer zouden komen?”.

“Wel”, begin ik, enigszins verrast door de vraag, “de dag is nog vroeg, dus er kunnen er altijd nog andere komen, ook al zijn ze echt niet zo talrijk in Butembo. Maar eigenlijk heeft dat geen belang”, hervat ik me, “ons bloed heeft dezelfde kleur, en we behoren allemaal tot dezelfde levensvorm, het menselijk wezen, ongeacht hoe verschillend we er soms vanbuiten ook uitzien, dat heeft eigenlijk totaal geen belang, dus doe ik een oproep tot iedereen, ongeacht wat de kleur van zijn of haar huid is, om vandaag nog bloed te komen geven vanuit een diepe menselijke solidariteit die alle vermeende verschillen overstijgt”.

Bloed voor een konijn

Enkele tientallen foto’s later, eerst met elke journalist apart, dan in groep, dan met nog nieuw aangekomen donoren, geeft de fotograaf me, voor ik het terrein verlaat, nog een vette handdruk. Zijn dag kan niet meer stuk.

Terwijl ik wat voorzichtiger dan anders tussen de plassen en de modderplekken terug naar huis stap, overdenk ik wat de dokter me had gevraagd. “We moeten het voor de mensen aantrekkelijker maken om te komen bloed geven”, was zijn redenering. Zouden we met Vredeseilanden geen project kunnen opstarten waarbij donoren door hun bloedgift toegang kunnen krijgen tot een konijn of een geit of een kilo zaaigoed? We zouden ongetwijfeld meer volk aantrekken!”

Hij meende het dus echt. Een konijn voor een zakje bloed. “Donoren in Butembo zijn per definitie stedelingen”, probeerde ik. Misschien is landbouw toch niet echt wat de mensen in een stad zou aantrekken?”.

Ik herinnerde me de tijd toen mijn bloed in België nog aanvaard werd. Toen mochten we steeds een geschenk kiezen uit een aantal gadgets. Maar het was niet daarvoor dat we gingen bloed geven.

“De donoren zouden kunnen een vereniging stichten. Als jullie nu voor land zouden kunnen zorgen, en werktuigen. Dan zouden ze door hun bloedgift ook nog zelf een inkomen kunnen verwerven.”

Ik begrijp dat de man gefrustreerd moet zijn over het gering aantal afnames dat hij haalt op jaarbasis maar twijfel sterk of zijn voorstel enig verschil zou maken. Een coöperatieve boerderij, om succesvol te zijn, heeft meer nodig dan het geven van bloed als bindmiddel tussen de leden. Maar een naam heb ik al wel voor zijn vereniging. Ze zou kunnen heten: De Bloedgroep.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Globochtoon

    ‘Van waar ben je?’. De vraag zet me elke keer aan het denken. Van waar je geboren bent? Dan ben ik van Rwanda. Van waar je ouders komen?