Alles in dit leven draagt ‘miyinga’

De dood van een Tiwi is een litteken in het land

© Alexander Van Vooren

Een droomverhaal over de god Purrukapali, gehuld in miyinga, vertelt over het ontstaan van de dood.

Op de Tiwi-eilanden, nabij Australië, ontmoet wereldblogger Alexander Van Vooren een inheemse kunstenares, die hem over de dood van haar vader vertelt. De dood maakt hier deel uit van het land en ze wordt, daarom, op een bijzondere manier geschilderd.

Op het stenen strand van Wurrumiyanga, dicht bij waar de kleine oversteekboot naar Melville Island aanmeert, staat een uit oude golfplaten gebouwde hangar. Hij werd er ooit door het kunstencentrum, zo, eenzaam en groot, neergezet.

En hoewel zo’n groot ijzeren vierkant snel zou afsteken tegen dit land van bomen, stranden, kiezelstenen en bescheiden huizen, als uit een volledig andere wereld aangespoeld, is dit bij deze hangar toch niet zo. Het lijkt alsof hij hier altijd al heeft gestaan, als een vreemd onderdeel van het strand.

Misschien, dacht ik, zijn het de poorten die zelden sluiten, die er alles binnenlaten: de wind die er als vanouds dag en nacht doorheen schuifelt, net als de krabben en de heremietkreeften, en de vogels die er hun vleugels drogen, tussen de tropische regenbuien door.

Of misschien zijn het de jaloezieën die er het licht doorlaten, die hetzelfde gouden licht van buiten naar binnen brengen. Enkel tussen het opkomen en ondergaan van de zon en soms bij het zwakke maanschijnsel is er licht in de hangar.

Maar daarnaast zijn het, zo ben ik nu bijna zeker, vooral de muren. De muren dragen, als een door de zon verbrande, oude huid, het roest van een lang bestaan bij de zee. Onder de roestlijnen door zie je nog de oude verf, de oude lijnen die de Tiwi op dit gebouw schilderden.

Deze patronen van roestige en geverfde lijnen in het bijzonder zijn wat de hangar deel doet uitmaken van dit land. De miyinga.

Miyinga

De patronen die de Tiwi schilderen, de recht gelijnde, evenwijdig gestreepte, soms kruisende, overlappende vormen, worden miyinga” genoemd. Er zijn nog andere patronen, zoals pota (rasters, eigenlijk kruisende miyinga) en ponga (stippen), maar miyinga zijn de voornaamste. Vrij vertaald zijn het “littekens”. En ze zijn hier ontzettend belangrijk.

© Alexander Van Vooren

 

Meer nog dan aan de begeesterde artiest zelf, meer nog dan aan zijn kundige handen, behoren de patronen toe aan het land van waaruit ze komen. Het zijn Tiwi patronen, Tiwi jilamaru. De patronen zijn uit het land ontstaan. En de meeste, veelal oudere artiesten schilderen deze daarom louter met de natuurlijke kleuren van het land: wit oker, geel oker, rood oker en houtskoolzwart.

Alles wat Tiwi uit het land afbeelden, wordt gehuld in miyinga, gaande van een vrouw tot een voetafdruk, van een regenwolk tot een waterdruppel, van een tienduizend jaar oud droomverhaal tot een droom waaruit men zojuist ontwaakte. Ze beelden er de eenheid in dit land mee uit. Alles draagt, hoewel in verschillende vormen en kleuren, dezelfde littekens.

In de hangar worden miyinga op canvas en op houten beelden geschilderd. Maar vooral, en hier zijn de Tiwi om gekend, worden ze op stoffen geprint. Stoffen die over lange houten tafels worden gespreid, waar de Tiwi dan met hun kleuren overheen gaan.

Altijd hingen deze kleurrijke stoffen buiten aan de hangar te drogen, als een in de wind deinende spiegel over het land.

Hoe vaak ik onbeweeglijk stil aan het verlaten strand zat, om naar de golvende littekens aan de wasdraad te kijken en naar hangar die ermee was bedekt. Ik geloof dat het me anders heeft doen kijken naar dit land.

Dan begreep ik ineens de gekmakend ruwe stenenpartijen en hoekige schelpen aan de kusten, begreep ik zowaar de diepe sneden die ze in mijn voeten maakten tijdens wandelingen, dan zag ik ze niet langer meer als een ongemak, maar als het schuren van twee lichamen die deze plek maken tot wat ze is. Littekens, miyinga.

Of dan rook ik iedere ochtend, indringend, het smeulende land, van de bosbranden die de Tiwi aansteken om het land te verzorgen. En ik begon ervan te genieten. Want ik leerde hoe de oude, gezonde bomen die branden overleven. Ik zag hoe ze er de littekens van dragen. En ik zag hoe nieuwe boomscheuten, lichtgroen uit de zwarte, nog warme aarde verschijnen.

Zo bestaat het land hier al onwerkelijk lang. Alles draagt littekens, alles is lichaamsweefsel dat eindeloos vervormt, nieuwe gedaanten aanneemt, dat wonden draagt en zich weer hecht. Alles in dit leven draagt miyinga.

© Alexander Van Vooren

Alan Karineyuwa schildert het verhaal van de regenboogslang in miyinga

De vriendschap

Kira Apuatimi leerde de kunst van miyinga, dit erg verfijnde en geduldige schilderen, van haar grootmoeder. Als vrijwilliger bij het kunstencentrum hielp ik haar waar ik kon met het mengen van de kleuren en met het printen. En gaandeweg ontstond tussen Kira en mij een vriendschap.

Het werd een mooie tijd. Op rustige dagen, die regelmatig kwamen, zochten we samen naar kleuren uit onze herinneringen. Combinaties die we tot leven brachten op de zijden, katoenen en linnen stoffen. We mengden de kleuren al zittend op de grond, terwijl vogels hun nesten maakten in de hoeken van de hangar en de wereld onverstoorbaar leek.

Op een van die dagen gingen we op zoek naar een oud en vergeten, blauw en groen verkleurd koper. Onze houten stokken trokken cirkels in de grote verfpot en de kleuren mengden zich, voegden zich langzaam naar deze koperkleur. Het was een bijzondere kleur, op het evenwicht van licht en donker, op de overgang ernaar, als was het een groene avondgloed.

De kleur herinnert mij aan het verhaal over haar vader dat Kira erbij vertelde, met iets in haar stem wat noch droefheid, noch berusting was, maar iets ertussenin. Ze vertelde over zijn persoon, over zijn verhalen en daarna over zijn dood. Ze vertelde langzaam, met stille tussenpozen en in elke stilte verloren we ons in de verfpot, met daarin de mooie kleur.

Plots daagde het mij dat ik zijn naam nog niet wist. En tijdens een van de stiltes vroeg ik het haar, wat zijn naam was. Ze bleef cirkels trekken in de verfpot, terwijl haar ogen de bewegingen volgden en ze rustig op mijn vraag antwoordde. In alle ernst zei ze de woorden die in hun magische eenvoud een diepe indruk op mij nalieten: ‘Zijn naam is Paul … .’

De stok hield stil. Ze keek me een ogenblik met haar goudbruine ogen aan, keek of ik het begrepen had, glimlachte dan als naar een leerling en ze knikte om haar woorden kracht bij te zetten. Sindsdien weet ik hoe ik hier moet spreken over de doden. De dode is.

© Alexander Van Vooren

Kira en Larisha printen hun miyinga en ponga op stof

De plaats van de dood

In elke cultuur is er een plaats voor het leven en een plaats voor de dood, en daarmee ook een gevoel van afstand tussen beiden. Die afstand verschilt. Tussen het leven aan de ene kant en pakweg een onderwereld, een hiernamaals of een ‘niets’ aan de andere kant, ligt een grote of minder grote afstand. Ongeacht die afstand gaat de dode heen, zo leerde ik het altijd. De dode is niet meer. Hij behoort tot de verleden tijd.

Maar een Tiwi, die blijft. De dood bevindt zich hier op dezelfde plaats als het leven. Het maakt deel uit van deze plek. Nog steeds komt met de dood een vorm van verlies en ook verdriet, maar Paul Apuatimi ís, hij is op deze plek gebleven.

Tiwi zijn zich altijd bewust van deze aanwezigheid. Zo vaak wezen Tiwi mij plaatsen aan waar een overledene zich begeeft: eens langs een witte eucalyptusboom, waar een auto-ongeval twee jonge Tiwi doodde, eens aan een smalle rivier, waar een ongelukkig kind vijftig jaar geleden in een visgraat stikte, eens aan een duin, waarin een voorouder honderden jaren geleden werd begraven. En telkens als dit familie is, zullen zij deze persoon toespreken.

De grafpalen

Stilaan begon ik de plaats van de dood hier te begrijpen. Maar wat Kira’s woorden nog meer versterkte, wat alles voor mij onverhoeds duidelijk maakte, was de aanblik van de drie grafpalen die voor Paul werden gemaakt.

© Alexander Van Vooren

Een eeuwenoude Pukumani grafpaal, ergens langs het dorp.

Het waren drie uit ijzerhout gehouwen palen, zwart en wit, vormgegeven en versierd, die het verhaal van Paul vertellen. Ik wist dat Kira ze geschilderd had. En het was alsof ze mij wou tonen wat ze bedoelde die ene dag in de hangar, opdat ik het nooit meer zou vergeten en ik die vraag in verleden tijd nooit meer zou stellen.

Wat ik zag waren oneindig veel miyinga, over het hele oppervlakte van de palen gelijnd. Die zaterdag, op de begrafenisceremonie, keek ik naar de grafpalen, zoals ik zo vaak naar de stoffen aan de oude hangar had gekeken. En uit dit simpele, mij zo vertrouwde beeld groeide een oneindig begrip.

De dood van Paul werd net als mijn bloedende voet, net als het roesten van de hangar, net als de zwarte aarde en de verbrande bomen. Ze zijn, ook Paul is, dit land. Dit als littekens gewoven land.

Dit verhaal is geschreven in Tiwi land, in bijzijn van Alan Karineyuwa, Kira Apuatimi en Paul Apuatimi, met hun toestemming.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3260   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur