Do you want a stroopwafel from mijn vader? Hier spreekt een TCK*

Blog

* Third Culture Kid

Do you want a stroopwafel from mijn vader? Hier spreekt een TCK*

Do you want a stroopwafel from mijn vader? Hier spreekt een TCK*
Do you want a stroopwafel from mijn vader? Hier spreekt een TCK*

Daan en Lianne zijn Nederlandse jongvolwassenen die zijn opgegroeid in Tanzania. Ze voltooien hun laatste jaar van het secundair onderwijs in de International School Moshi, Tanzania. Volgend jaar gaan ze allebei naar Nederland om te studeren. Als ik hen vraag welke plek zij als thuis beschouwen, dan volgt er dit: ‘In Nederland voel ik me Tanzaniaans en in Tanzania voel ik me Nederlander. Ik ben overal en nergens thuis.’

Dit is het antwoord dat je mag verwachten van een _Third Culture Kid (_TCK), een kind dat opgroeit in een andere cultuur dan de cultuur van zijn of haar ouders . Ze lopen meestal school in het Engels of een andere taal dan hun moedertaal. TCK’s zijn dus meertalig: thuis wordt vaak meer dan één taal gesproken en de ouders hebben in vele gevallen een verschillende achtergrond en nationaliteit.

Nomaden

Met de globalisering zijn TCK’s een immer groter wordende groep die opgroeit in heel andere omstandigheden dan de doorsnee burger in pakweg België of Nederland. Het is moeilijk om een eenduidige profielbeschrijving van een TCK te geven. Kort door de bocht kan dit worden gezegd: een TCK spreekt meerdere talen en heeft geen echte moedertaal, verhuist vaak, sluit eerder korte vriendschappen, is onafhankelijk en ietwat afstandelijk en kan moeilijk antwoord geven op de vraag waar thuis is.

Met de globalisering zijn TCK’s een immer groter wordende groep.

Daan heeft twee Nederlandse ouders die vele jaren geleden naar Zanzibar zijn gekomen om er een leven op te bouwen. Daan is opgegroeid in Tanzania, maar gaat jaarlijks op familiebezoek in Nederland. Hij beschouwt zichzelf als een buitenbeentje en zegt weinig aansluiting te vinden bij Nederlandse medestudenten op school. Nederland ervaart hij telkens opnieuw als een cultuurshock.

‘Nederlanders zijn nogal luidruchtig en hebben de neiging zoveel mogelijk spullen van thuis mee te nemen als ze op reis gaan’, aldus Daan. Dat is een van zijn bespiegelingen die hij moeilijk kan begrijpen.

Op bezoek in Nederland heeft hij de gewoonte om Nederlanders vanop afstand gade te slaan en zich te verwonderen over hun - in zijn ogen - soms vreemde gedrag. Daan beschouwt zichzelf niet als ‘één van hen.’ Anderzijds blijft hij voor altijd de ‘mzungu’ (blanke) in Tanzania.

Ook al eet, drinkt en winkelt Daan in lokale Tanzaniaanse shops en spreekt hij vloeiend Swahili, hij is ook hier niet ‘één van hen.’

Daans Engels is van moedertaalniveau en zijn Nederlands, nou ja, dat vertoont wel wat gaten maar is verder meer dan behoorlijk. Een Nederlandstalige zal echter onmiddellijk horen dat er een ‘exotisch’ en moeilijk thuis te brengen kantje aan zit.

Toch zal Daan in Eindhoven gaan studeren. Hij wil Mechanical Engineering of Megatronics studeren, in het Engels weliswaar. ‘Het zou me zwaar vallen om voltijds in het Nederlands te gaan studeren.’

Het onderwijs in Nederland en België is van goeie kwaliteit en betaalbaar. Dat is een van de redenen waarom een aanzienlijke groep van expat-Nederlanders en Belgen voor studiedoeleinden terugkeert naar de Lage Landen. Wat Daan nadien gaat doen, is hem helemaal niet duidelijk, maar hij weet zeker dat hij na zijn studies niet in Nederland wil blijven. Alles kan en die mobiliteit schept perspectief.

© Elke van dermijnsbrugge

Nederlandse kinderen die langer in Tanzania dan in Nederland hebben gewoond.

© Elke van dermijnsbrugge​

Tussen twee stoelen

Lianne heeft een Tanzaniaanse moeder en een Nederlandse vader en ook zij is opgegroeid in Tanzania. Jaarlijkse familiebezoeken in Nederland zijn legio. Haar familie in Nederland is best wel internationaal, er zijn een aantal buitenlandse ooms en tantes en dat vindt Lianne bijzonder. Haar familie heeft eigendommen en grond in Tanzania, dus Lianne gaat ervan uit dat ze altijd opnieuw naar Tanzania zal terugkeren, want dat is de plek waar ze het meest ‘geworteld’ is.

Echter, er permanent wonen ziet ze niet direct zitten. Volgend jaar gaat Lianne in Leiden, Tilburg of Utrecht International Management and Event Planning studeren. Haar broer, die op dit moment ook in Nederland aan het studeren is, probeerde vorig jaar een opleiding in het Nederlands, maar dat viel hem behoorlijk zwaar.

Lianne gaat resoluut voor een opleiding in het Engels. Ook zij heeft de typische ‘TCK-symptomen’: ze kan moeilijk definiëren waar ze precies thuishoort, maar haar grote familie op twee continenten geeft haar toch een soort clangevoel.

‘Nederlanders klitten graag samen, waar ook ter wereld ze zich bevinden’, zegt Lianne, ‘ik voel me best wel thuis in die gemeenschap. En ik houd van bitterballen en stroopwafels!’

Loskoppeling

© Lianne Duinmaijer

Lianne

© Lianne Duinmaijer​

Luistervinken in de wandelgangen van de school, waar zich toch een aanzienlijk aantal Nederlandse kinderen bevindt, leidt tot het horen van de meest bizarre conversaties in een mix van Nederlands, Engels en Swahili. Een kleurrijk taaltje dat voor een buitenstaander weinig steek houdt.

Ook opvallend is het gebrek aan uitgesproken subculturen: die hard hipsters of skaters vind je hier niet. Dat heeft deels te maken met de locatie van de school en het gebrek aan winkels met accessoires en kledij.

Maar het ligt ook aan het feit dat de schoolbevolking grotendeels bestaat uit versatiele TCK’s. De drang om ergens bij te horen is bij hen vrij klein. TCK’s hebben een groot voordeel in de geglobaliseerde wereld. Ze zijn mobiel, flexibel, onafhankelijk en hebben een brede en gekleurde blik op de wereld.

Hun internationale achtergrond schept mogelijkheden tot een goede opleiding en veel kansen op de internationale arbeidsmarkt. Hun meertaligheid en flexibiliteit zijn toegevoegde waarden.

TCK’s houden stand in uitdagende situaties en veroordelen niet snel.

Vaak spuien buitenstaanders ongefundeerde negatieve kritiek: ‘TCK’s zijn ontworteld en hebben geen echte thuis. Ze sluiten wel vriendschappen, maar die zijn vaak oppervlakkig en kennen daarom geen echte vrienden. Je kan moeilijk polshoogte van ze nemen….’

De vooroordelen zijn talrijk. In een maatschappij waarin individualisme het hoogtij viert, maar - o ironie - nog nooit zo hard werd geprobeerd om aansluiting te vinden bij anderen (mensengroepen, economieën, religies, politiek), is de positie van de TCK toch niet altijd evident.

Het is de hoogste tijd dat de negatieve kritiek wordt ontkracht. TCK’s kunnen een voorbeeld zijn voor de toekomstige wereldburger. Er is niks mis met een onafhankelijke positie die betekent dat je afstand bewaart. Alleen zijn is geen synoniem voor eenzaamheid. Het schept meer mogelijkheden tot verinnerlijking, datgene waar de gemiddelde sterk gewortelde mens vaak geen tijd voor maakt.

TCK’s weten, door hun loskoppeling van groepen, bewegingen en plekken, vaak goed wie ze zijn, welke principes ze hebben en wat ze belangrijk vinden. Ze houden stand in uitdagende situaties en veroordelen niet snel. Het zijn de wereldburgers die de broodnodige nuance in het huidige zwart-wit denken kunnen aanbrengen.