Over de tumultueuze en gewelddadige geschiedenis van de Rif

De Rif-opstand zal geen stille dood sterven

Protest in Brussel tegen de onderdrukking in de Rif in 2017 © Arnaud De Decker / MO*

Begin april 2019 is er eindelijk, na diverse keren uitstel, de uitspraak in hoger beroep van de gevangen Hirak-leiders. Tot intense teleurstelling van de betrokken Hirak-leiders en hun families, vrienden en bekenden, en van heel veel mensen in Marokko en daarbuiten die de gang van zaken nauwgezet volgen, blijven de vonnissen in hoger beroep onveranderd: variërend van twintig jaar gevangenisstraf voor Nasser Zefzafi (één van de bekendste Hirak-leiders, red.) en zes anderen, tot vijftien, tien jaar of minder voor een aantal anderen.

Sietske de Boer woonde in Al Hoceima en in Ajdir van 2006 tot 2012. Als Friese plattelander, opgegroeid aan de kust van het IJsselmeer, voelde ze zich thuis tussen de Riffijnen aan de Middellandse Zee. In ‘Het verdriet van de Rif’ schetst ze de tumultueuze en gewelddadige geschiedenis van de Rif.

De gevangenen gaan onmiddellijk in hongerstaking tegen de bevestiging van de vonnissen. Zefzafi en enkele anderen naaien zelfs met naald en draad hun lippen aan elkaar. Na smeekbedes van hun familieleden en ook dankzij een petitie vanuit België en Nederland om hun hongerstaking op te geven – de Hirak kan haar leiders niet missen, en de eventuele dood van Zefzafi zou een enorme escalatie van het conflict met de Marokkaanse regering veroorzaken – knippen de veroordeelden de draden weer los en schorten ze hun hongerstaking op.

Na ruim een week worden de Hirak-leiders uit de Oukacha-gevangenis in Casablanca overgebracht naar diverse gevangenissen in het noorden van het land. Zo zijn ze beter bereikbaar voor hun familieleden, stelt de Marokkaanse overheid, maar alle betrokkenen realiseren zich ook dat de groep hierdoor niet meer als collectief kan optreden en gezamenlijke berichten naar de buitenwereld kan sturen. Zo zal de Hirak een stille dood sterven, lijken de autoriteiten te denken.

Maar daarin vergissen zij zich. Althans, dat hopen veel Marokkaanse Nederlanders en Belgen, die zich sterk hebben voorgenomen de strijd voort te zetten. Ibtisam Akarakach, docente aan de Karel de Grote Hogeschool in Antwerpen, roept tijdens een bijeenkomst over de Rif in Amsterdam op om de krachten te bundelen. ‘De Hirak is verre van dood, er gebeurt juist ontzettend veel, de jongeren zijn zich zeer bewust geworden van wat er gaande is in de Rif, en wij willen zeker bijdragen aan een goede toekomst van de Rif.’

‘Ik wil mijn Marokkaanse paspoort opgeven zodat de Marokkaanse overheid geen grip meer op mij heeft'

De jongeren van Riffijnse origine in Nederland en België verafschuwen de harde en repressieve lijn van het Marokkaanse regime, en zijn onderling in discussie hoe ze de Hirak het beste kunnen ondersteunen. ‘Ik wil mijn Marokkaanse paspoort opgeven,’ zegt de een, ‘zodat de Marokkaanse overheid op die manier geen grip meer heeft op mij. Dat doet niets af aan mijn loyaliteit met de Rif en met mijn familie daar.’

Aanwezig is ook politica Lilianne Ploumen (Nederlandse PvdA-politica, red.) die benadrukt dat de eisen van de Hirak voor meer werkgelegenheid, gedegen onderwijs en goede gezondheidszorg, volstrekt normale en basale eisen zijn. Ze zal er bij de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, Stef Blok, op aandringen zich uit te spreken tegen de hoge vonnissen voor de Hirak-leiders, en ook tegen de oneerlijke rechtsgang en de martelingen waaraan de arrestanten zijn blootgesteld tijdens de verhoren.

Toch is het ook duidelijk dat zowel in België als in Nederland de onderlinge discussies soms zo hoog oplopen dat er sprake is van openlijke ruzies. In Nederland spitsen die zich toe op de vraag of de strategie gericht moet zijn op onafhankelijkheid van de Rif, of juist niet, om de makhzen (de Marokkaanse autoriteiten, red.) niet de munitie, of legitimatie, te geven om de Riffijnen van “separatisme” te kunnen beschuldigen en snoeiharde repressie aan de inwoners van de Rif op te leggen.

In Marokko komt er commentaar op de bevestiging van de vonnissen in hoger beroep van Mustapha Ramid, voormalig minister van Justitie en nu minister voor de Mensenrechten. De hardliner van de PJD (de gematigd islamistische partij die het land sinds 2011 leidt, red.) oordeelt in een tv-uitzending van de nationale en door de regering gecontroleerde tv-zender 2m tamelijk mild over de Hirak-leiders, voor wie hij zegt empathie te koesteren. ‘Het gaat hier niet om schendingen van het gewone recht, maar om misdrijven van een bijzondere aard, vaak te omschrijven als misdrijven met een politiek karakter.’

Ramid heeft er veel woorden voor nodig, maar hij probeert openingen te zoeken: ‘De Marokkaanse geschiedenis leert dat er steeds verzoening mogelijk is na gespannen situaties en processen. Ik geloof niet dat deze personen, die in deze omstandigheden zijn veroordeeld, hun gehele straf zullen uitzitten.'

Vernietiging van een strijdbare werkende klasse

Dat de zware vonnissen voor de leiders van de protesten in de Rif wel degelijk een politiek aspect hebben, bewijzen ook de vonnissen die uitgesproken zijn tegen demonstranten in Jerrada, in het noordoosten van Marokko. In het voormalige mijnwerkersstadje in een aride woestijn ten zuiden van Oujda is de sociaal-economische malaise schrijnend. Toen in de tweede helft van de twintigste eeuw in dit gebied steenkool werd ontdekt en er mijnen werden ontgonnen, trok men arbeiders uit het zuiden van Marokko aan, uit de Sousse in de Anti-Atlas. De oorspronkelijke bevolking, die nomadische extensieve veeteelt bedreef, was niet te bewegen diep onder de grond dit zware en gevaarlijke werk te verrichten.

De mijnwerkers van Jerrada ontwikkelden zich tot een militante arbeidersklasse, die streed voor verbetering van de arbeids- en leefomstandigheden. Nog tijdens het Franse protectoraat stonden de kompels aan de wieg van de oprichting van de eerste vakbonden. Maar aan het eind van de vorige eeuw verloor de steenkooldelving de economische waarde die het decennialang had. Andere energiebronnen werden belangrijker.

Aan het eind van de jaren negentig sloot koning Hassan II de mijnen. In zijn essay ‘Jerrada-Hoceima: the same fight!', stelt wetenschapper Lotfi Chawqui dat deze beslissing niet alleen vanuit economische motieven was ingegeven, maar vooral om dit bastion van een strijdbare werkende klasse te vernietigen. De bevolking werd aan haar lot overgelaten, en verkeert sindsdien in diepe malaise. Koning Mohammed VI bezocht Jerrada op 12 januari 2001 en op 9 juli 2008. Bij die laatste gelegenheid lanceerde hij een 3,5 miljoen euro omvattend plan voor de mise à niveau van de stad Jerrada. Dit project mislukte, net zoals het grote en dure project ‘Al Hoceima, Phare de la Méditerranée’.

Inwoners van Jerrada gingen eind 2016 en in 2017 de straat op. Zij eisten menswaardige werkgelegenheid, betere levensomstandigheden en verlaging van de energierekeningen

Officieel zijn de mijnen dus dicht, maar, zoals dat gaat in Marokko, er zijn een paar lokale figuren, “baronnen”, die zich illegaal als “beheerder” van de mijnen opwierpen. Zij zijn nu “de baas” en bereid om voor een paar centen de luttele kilo’s steenkool op te kopen die arme sloebers op eigen risico naar boven halen. Van tijd tot tijd vallen er doden bij deze illegale activiteiten, wat leidt tot sociale protesten. Zo gingen de inwoners van Jerrada eind 2016 en in 2017 de straat op. Zij eisten menswaardige werkgelegenheid, betere levensomstandigheden en verlaging van de energierekeningen.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Net als in Al Hoceima gedoogde de makhzen in eerste instantie de vreedzame protesten, maar na enige tijd was ook daar de maat vol en raakten de politie en gendarmerie slaags met demonstranten. In de processen die volgden werden begin april 2018 vier arrestanten door het Tribunaal van Oujda veroordeeld tot straffen van zes tot achttien maanden cel, wegens ‘rebellie en pogingen arrestatie te verhinderen, ongehoorzaamheid, samenscholing en tegenstand bij de uitvoering van openbare werken’.

Maar later, in januari 2019, kregen achttien personen uit Jerrada straffen opgelegd van twee tot vier jaar gevangenis. Een aantal van deze veroordeelden zat al vast toen de demonstratie van 14 maart 2018 plaatsvond, die aanleiding was voor een nieuw proces. Dat verklaarde de voorzitter van de lokale afdeling van de amdh in Oujda, Ahmed Bousmaha. Niettemin is de lengte van deze straffen van een andere orde dan die van de leiders van de Hirak in de Rif.

***

Het is een schokkende foto. Tussen de sluitkleppen van een vuilniswagen zit het hoofd van taxichauffeur en visverkoper Mohsin Fikri bekneld. Zijn gruwelijke dood zal het startschot zijn van grootschalige protesten in de Rif, waar de bewoners een menswaardig bestaan eisen, met genoeg werkgelegenheid en goed onderwijs. Luidkeels vragen ze het Marokkaanse gezag een einde te maken aan de wijdverspreide corruptie, die volgens hen tot Fikri’s dood leidde. Ook moet er een einde komen aan de decennialange marginalisatie van de Rif, het noorden van Marokko, tussen Tanger en de Algerijnse grens.

Het is niet de eerste keer dat de Riffijnen deze eisen uiten, integendeel. Maar ook deze keer worden ze niet gehoord. Terwijl ze niets liever willen dan een open dialoog met het centrale gezag en koning Mohammed VI over nieuw leed en oud zeer. En in plaats van een dialoog is er sprake van harde repressie, zitten de leiders van de Hirak in de gevangenis en ontvluchten jongeren het land. De oorzaken van het verdriet liggen in de tumultueuze en gewelddadige geschiedenis van de Rif, dit bergachtige gebied met steil aflopende kliffen in de Middellandse Zee.

Uit 'Het verdriet van de Rif' van Sietske de Boer is: 2019 — 240 p. — 20,95 € — Uitgeverij Jurgen Maas. Verkrijgbaar via www.epo.be

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift