De kosten van olie

Analyse

De kosten van olie

30 november 2006

Vraag en prijs stijgen, en dus groeit de druk om sneller en meer olie te ontginnen. Het sociale en ecologische kostenplaatje daarvan wordt niet in kaart gebracht.

De oliepiek voorbij?

‘Peak oil’, zo noemt men het moment waarop de ontginning van een oliebron of -veld haar hoogste capaciteit bereikt. Daarna neemt de productie gestaag af. Het fenomeen doet zich voor op het niveau van de oliebron en het olieveld, maar dus ook op wereldniveau. En het zou wel eens kunnen dat we al aan die wereldwijde peak oil voorbij zijn en een toekomst tegemoet gaan van een gestaag dalend olieaanbod. Dat is alleszins de mening van Matthew Simmons, directeur van het Amerikaanse Simmons & CO.International, een investeringsbank uit Houston die zich vooral toelegt op de energiesector.
Uit gegevens van de Noord-Amerikaanse Energie-Administratie blijkt dat in het tweede kwartaal van dit jaar het dagelijkse aanbod ruwe olie op wereldschaal daalde tot 83,98 miljoen vaten, in vergelijking met 84,35 miljoen vaten in het vierde kwartaal van 2005. ‘Als die trend nog zes tot tien maanden aanhoudt, kunnen we met zekerheid zeggen dat het hoogtepunt van de olieproductie bereikt werd in december 2005’, aldus Simmons op een meeting van de Association for the Study of Peak Oil and Gas  in oktober.  
Het besef dat de voorraden slinken, de groeiende vraag naar energie en de terugval van de dagelijkse aanvoer van olie ten gevolge van het conflict in Irak zijn, samen met de speculatie, de belangrijkste oorzaken voor de spectaculaire stijging van de olieprijzen de afgelopen jaren.
Tussen mei 2004 en april 2006 liep de prijs van een vat ruwe olie op van 39 naar 73 US$. Als reactie daarop stimuleerde het Witte Huis de olieproducerende landen om hun productiecapaciteit op te voeren. Dat deed het door de investeringsvoorwaarden aantrekkelijker te maken en een beleid van privatisering te stimuleren, liever dan olie-exploitaties in handen van nationale overheden te laten.
Ook de G8 Top die half juli plaatsvond in Sint Petersburg was helemaal gewijd aan de kwestie van energiezekerheid. Meer bepaald bogen de leiders van de rijkste landen zich over de vraag hoe ze het beste investeringen in petroleumontginning konden aanwakkeren om de productie te verhogen.
Het uitgangspunt van de conferentie was immers dat tegen 2030 de vraag naar petroleum, gas en steenkool met méér dan vijftig procent zal toenemen. Om die realiteit het hoofd te bieden, stelden de ministers het Globale Actieplan voor Energiezekerheid op, dat een antwoord moet vinden op de stijgende vraag, rekening houdend met de luchtverontreiniging en het klimaatprobleem dat dit met zich meebrengt.  (adw)
www.peakoil.com

Wie betaalt de hoogste prijs?

Van 20 tot 22 oktober verzamelden in het Ecuadoraanse Amazonestadje Coca zo’n 500 activisten van over de hele wereld tijdens het Forum over Mensenrechten Petroleumontginning en Herstel van het netwerk Oilwatch. De Belgische ngo Broederlijk Delen zorgde ervoor dat MO* er kon bij zijn. De bijeenkomst was onder meer bedoeld om opvolging te geven aan een proces dat de gemeenschappen in deze regio in 1993 aanspanden tegen Texaco. Na tien jaar in het gerechtshof van New York, keerde dat proces in 2003 terug naar Ecuador.
Op dit ogenblik wordt de door Texaco toegebrachte schade opgemeten. De conferentie begon dan ook met een Toxitour langs enkele van de ruim 600 afvalputten met ruwe olie en plassen zwaar verontreinigd water die Texaco naliet. De deelnemers werden in contact gebracht met families die, 15 jaar nadat het bedrijf het land verliet, nog steeds af te rekenen hebben met waterverontreiniging, mensen die hun dieren zien sterven door vergiftiging en zelf vechten tegen allerlei vormen van kanker.
Esperanza Martinez is één van de coördinatrices van Oilwatch: ‘De lokale gemeenschappen betalen de hoogste prijs voor de ontginning. De schade die toegebracht wordt, weegt nog decennia na de exploitaties op de gezondheid en het milieu. Maar wie hiertegen protesteert, krijgt vandaag af te rekenen met brutale repressie.’ Zo kostte het Texaco-proces in Ecuador het leven aan Angel Shingri, een milieuactivist uit Coca die in november 2003, op de vooravond van het proces, met drie kogels werd neergeschoten.
Intussen dienen zich ook steeds meer bedrijven aan die munt willen slaan uit de milieuschade. Martinez: ‘Saneringsbedrijven zijn er als de kippen bij om de ecologische rampen ten gelde te maken. Een opdracht loopt al snel in de miljoenen. Het opkuisen van een afvalput van ongeveer één vierde ha groot kostte 30 miljoen dollar. Naast die afvalput leefde een gezin in een houten huisje, met twee kinderen ziek van kanker, en zonder toegang tot drinkbaar water, maar voor hen is er geen geld.’
Voor het Noorden ziet Martinez een dubbele verantwoordelijkheid weggelegd: ‘Wereldwijde netwerken zijn ontzettend belangrijk om mensenrechtenschendingen aan te klagen, wantoestanden zichtbaar te maken en getroffen gemeenschappen bescherming te bieden. Maar er is ook de macht van de informatie. Wie dat wil, kan nagaan welke gevolgen de petroleumextractie op diverse plaatsen heeft.
Elke consument kan dit proces mee beïnvloeden door zijn of haar koopgedrag. De meeste bedrijven hebben ook hun hoofdzetel in Europa of in de VS. We zouden graag zien dat daar meer druk wordt uitgeoefend. De meeste bedrijven blijven handelen zoals ze dat vandaag doen, omdat ze voelen dat ze het zich kunnen permitteren.’ (adw)

Olie voor ontwikkeling

Abias Huongo is 32 en werkt in een organisatie voor duurzame ontwikkeling en milieu-gerechtigheid in Angola. Het land kent tal van milieuproblemen, van zware grond-, lucht- en drinkwaterverontreiniging tot verwoestijning. De petroleumontginning gebeurt er voor 80 procent off shore, waardoor de milieuschade iets minder zichtbaar is, maar momenteel hebben verschillende multinationals onderzoeken lopen om in drie provincies te komen exploreren. 80 procent van de inkomsten in Angola zijn afkomstig van de petroleum, maar 68 procent van de 15 miljoen Angolezen leeft onder de armoedegrens.
‘Petroleum is rijkdom, maar die rijkdom bereikt nog te weinig de armsten’, vindt Abias. Toch ziet hij een positieve evolutie met de huidige regering van president José Eduardo dos Santos. ‘De druk van de civiele samenleving en van de internationale gemeenschap voor meer transparantie en een meer rechtvaardige verdeling van de natuurlijke rijkdommen groeit en de regering staat open voor voorstellen. We zien ook dat er meer wordt geïnvesteerd in infrastructuur en huisvesting, de straten worden verbeterd, de industrialisering groeit.’
Wat betreft het milieu ziet hij een spectaculaire verandering tegenover een aantal jaren geleden. Niet alleen groeit het bewustzijn bij de bevolking, ook de regering neemt het thema ernstig. Zo werd 1 miljoen dollar geïnvesteerd in een studie die een stand van zaken moet geven van de milieuproblematiek in Angola. Het resultaat daarvan wordt volgend jaar verwacht. Vorig jaar werd een nieuwe wet goedgekeurd om de activiteiten van de milieu-ngo’s beter te reguleren en hen meer inspraak te geven, er kwam een wet om de biodiversiteit beter te beschermen en een ontwerp van wet om snel en afdoend te kunnen optreden bij olielekken.
Abias is optimistisch: ‘Ik ben ervan overtuigd dat Angola over vijf jaar een ander land zal zijn, met een klein beetje minder ongelijkheid en met meer inspraak.’ Dankzij de petroleuminkomsten? Abias: ‘Waarom niet? Met sommige bedrijven valt best te onderhandelen. BP lijkt alvast een open houding aan te nemen.’  Hoe petroleum de armen ten goede kan komen, kwam de Venezolaanse president Hugo Chavez eind augustus in Angola uitleggen. Beide landen sloten toen een reeks samenwerkingsakkoorden, waaronder één over petroleum en één over mijnbouw. (adw)