De strijd om zaden in Bolivia: privatisering versus traditionele boerentechnieken

Waarom de aardappelboer zijn eigen zaai- en pootgoed niet meer mag gebruiken

© Cenda

Zaai- en pootgoed certificeren: het lijkt een goed idee, maar veel beproefde technieken van boeren gaan erdoor verloren.

Vierduizend soorten aardappelen: zoveel zijn er tot nu toe geteld in de Andes, de bakermat van ook onze patatjes. Maar als het van grote bedrijven afhangt, gaat veel van die diversiteit verloren. Ze privatiseren liever het zaai- en plantgoed dan de kennis van traditionele boeren mee in stand te houden. MO* richt de blik op Bolivia, waar een haast geruisloze modernisering van de landbouw wordt doorgevoerd.

Het gebeurt haast geruisloos, maar daarom niet minder ingrijpend: Bolivia is bezig aan een modernisering van zijn landbouw. En de manier waarop bedreigt traditionele boerengemeenschappen in hun autonomie en hun voedselzekerheid.

Zaaigoed wordt gecommercialiseerd en geprivatiseerd, volgens een logica die haaks staat op de traditionele agro-ecologische landbouwcultuur. Eeuwenoude kennis en rijke agrobiodiversiteit dreigen verloren te gaan. Precies op een moment dat de klimaatverstoring die kennis levensnoodzakelijk maakt.

Ritueel voor het pootgoed

Begin februari vieren de boerengemeenschappen in de streek van het Titicacameer, aan de grens tussen Bolivia en Peru, het feest van la Virgen de la Candelaria, Maria-Lichtmis. Kleurrijk uitgedost dansen jonge mannen en vrouwen dan op traditionele Andesmuziek met pan- en quenafluiten en andere blaasinstrumenten.

Het is ook de periode dat de eerste aardappelplantjes op de hoogvlakte net boven de grond komen. Ze zijn dan nog kwetsbaar voor de vorst.

Jaren geleden, in 1999 om precies te zijn, was ik rond deze tijd in Cururaya, in het zuiden van Peru. Ik mocht meedoen aan het aardappelritueel ‘tegen de hagel, de vorst en de wind, en voor de regen’. De aardappel wordt als vrouwelijk beschouwd, dus tientallen vrouwen trokken de hellingen op, naar de bergtop meer dan vierduizend meter hoog.

Ze droegen kleurrijke polleras (typische, brede rokken) en schouderdoeken en vormden een meterslange ketting. Ook ik kreeg een pollera aan en een hoedje op. Ik was ‘de witte aardappel’.

Eenmaal boven vormden we een grote kring en zetten we ons op de grond. De marani, die verantwoordelijk is voor de landbouwcyclus, leidde het ritueel. De vrouwen haalden het pakketje tevoorschijn dat ze op hun rug meedroegen en stalden de inhoud uit: pootgoed van de aardappeloogst van vorig jaar. De marani zegende de knolletjes en vroeg Pachamama, Moeder Aarde, om ervoor te zorgen dat ze zich zouden vermeerderen zoals de jonge plantjes die al op de akker in bloei stonden.

Zaden worden uitgewisseld tussen gemeenschappen. Zo vergroot de biodiversiteit is het zaaigoed beter beschermd tegen ziektes.

Na het ritueel ging de tocht verder. De vrouwen dansten rond de akkers waar kleine aardappelplantjes in bloei stonden, om bescherming tegen de vorst af te smeken.

Het was een doorleefd feest, vol symboliek, op basis van eeuwenoude inheemse tradities en kennis. De Andes is immers de bakermat van de aardappel. Van hieruit heeft hij door de kolonisatie zijn intrede in Europa gedaan.

Aardappelen in de Andes

In de Zuid-Amerikaanse Andes worden meer dan vierduizend eetbare soorten onderscheiden, elke soort aangepast aan de hoogte, het klimaat en de bodem. Zo blijkt uit de gegevens van het CIP, het Internationaal Aardappelcentrum, dat in de Peruaanse hoofdstad Lima gevestigd. Aardappelen vormen in de Andes het basisvoedsel.

© Cenda

In de Zuid-Amerikaanse Andes worden meer dan vierduizend eetbare soorten onderscheiden.

© Cenda

Elke aardappelsoort is specifiek aangepast aan de hoogte, het klimaat en de bodem op de plaats waar hij groeit.

Men zegt er dat het zaad stapt: la semilla camina. Zaden worden uitgewisseld en verhuizen van de ene gemeenschap naar de andere. Het is een manier om de biodiversiteit te vergroten en zaaigoed te beschermen tegen ziektes.

Deze boeren hebben nog een heel specifieke kennis. Aardappelen worden meestal vermeerderd met pootgoed, maar in de Andes gebeurt het ook via zaden van de aardappelplant. Eén aardappelvariëteit kan met het vermeerderen via zaden, de zogenaamde ‘seksuele reproductie’, wel 17 variëteiten opleveren. Het is een manier om de genetische diversiteit te helpen garanderen.

In Bolivia kan een boer door zo’n vermeerdering soms wel tot 90 variëteiten op zijn akkers hebben. Dat betekent voedselzekerheid: als sommige soorten getroffen worden door vorst of droogte, zijn er altijd andere die daartegen bestand zijn.

Die natuurlijke en culturele rijkdom dreigt vandaag verloren te gaan, want hij staat onder grote druk van een marktlogica van privatiseren en commercialiseren. Bedrijven eigenen zich een handvol aardappelvariëteiten toe door aan te dringen op verplichte certificering. Het verbouwen van de talloze traditionele, niet-gecertificeerde variëteiten wordt daardoor verboden. Wie het toch doet, riskeert forse boetes of zelfs een gevangenisstraf.

Certificeren om te commercialiseren

Het determineren en certificeren van zaaigoed is niet nieuw, en het is een proces dat zich wereldwijd voltrekt. Een organisatie die daar een belangrijke rol in speelt, is de UPOV, de Internationale Unie tot Bescherming van Kweekproducten.

De UPOV werd zestig jaar geleden opgericht en is een intergouvernementele organisatie met hoofdzetel in Genève. Ze heeft als doel om wereldwijd zaden en planten te inventariseren en de ontwikkeling van nieuwe variëteiten te stimuleren.

Het overgrote deel van de zaden en planten in de wereld is anno 2021 door UPOV-lidstaten in kaart gebracht. 77 landen, waaronder ook België, zijn vandaag volwaardig lid (groen op de kaart hieronder). 19 landen en één internationale organisatie, de Afrikaanse Organisatie voor Regionale Intellectuele Eigendom (ARIPO), hebben het proces voor lidmaatschap ingezet (bordeauxrood). En nog eens 23 landen zijn geen lid maar hebben al wel eens een beroep gedaan op de expertise van UPOV (in het wit):

© Overview of UPOV (22 februari 2021)

Elk land dat toetreedt tot de UPOV verbindt ertoe om zaden en planten te registreren en certificeren en een regelgevend kader voor de toepassingen uit te vaardigen. In Bolivia begon het proces van registreren en certificeren al in 1982, maar pas in 1999 trad het land toe tot de UPOV.

‘De commerciële visie van grote bedrijven is gericht op efficiëntie, productiviteit en winst. Ze is alleen gericht op de korte termijn.’

Volgens Lidia Paz van de Boliviaanse ngo Cenda ligt er een fundamenteel probleem bij de benadering van UPOV. Die instelling hanteert een logica die haaks staat op die van de boerengemeenschappen, legt Paz uit in een Zoom-gesprek vanuit Cochabamba, de derde grootste stad van Bolivia. Het zijn multinationals, die het zaaigoed privatiseren, die het beleid van de UPOV richting geven, zegt Paz.

‘De boeren in de gemeenschappen zien het zaaigoed als een rijkdom van de natuur, die van generatie op generatie wordt doorgegeven’, bevestigt Paz. ‘Zij beheren zaden door die onder elkaar uit te wisselen. Dat garandeert biodiversiteit, bestendigheid tegen ziektes en klimaatverstoring en voor voedselzekerheid.’ Door boerengemeenschappen leerden om zaad te verbeteren door natuurlijke selectie en veredeling, of door vermenigvuldiging via de zaden.

Daarentegen: ‘De commerciële visie van grote bedrijven is gericht op efficiëntie, productiviteit en winst’, vervolgt Paz. ‘Die visie houdt enkel rekening met de korte termijn.’ Bedrijven streven ook naar uniformiteit en controle en verbieden daarom de vrije uitwisseling van zaaigoed.

De commerciële benadering werkt met gentech, dat is genetische modificatie, en patenten. Maar zaden en planten zoals ze in de natuur voorkomen kan je niet patenteren omdat het geen menselijk uitvindingen zijn. Lidia Paz: ‘Variëteiten die in laboratoria bewerkt worden, hebben een eigenaar en worden op de markt gebracht. Met een heel pakket van agrochemische hulpmiddelen, zoals kunstmest en herbiciden. Boeren moeten daar hoge prijzen voor betalen, terwijl die chemische hulpmiddelen ook nefast zijn voor de gezondheid.’

De marktvisie betekent een aanslag op het leven van de boeren, zegt Lidia Paz, omwille van het dwingende karakter. Want dit model gaat gepaard met een regelgevend kader opgelegd door het ministerie van Rurale Ontwikkeling. Het heeft registratieregels uitgevaardigd, en ministeriële en administratieve besluiten die het gebruik van inheemse zaden verbieden en beboeten. Boeren die gecommercialiseerd zaad gebruiken, mogen dit ook niet hergebruiken om nadien opnieuw mee te zaaien.

Volgens de ngo Cenda zijn zulke bepalingen een aanslag op de autonomie van boerengemeenschappen. En ze bedreigen bovendien de voedselzekerheid van die gemeenschappen.

Criminele boeren

Een aantal van de bepalingen in Bolivia zijn zelfs in strijd met de grondwet — tenzij de zadenregeling boven de grondwet verheven zou zijn. Zo stelt artikel 30 van de grondwet dat de traditionele praktijken van de boeren gerespecteerd moeten worden.

‘Traditionele bewaarmethodes worden niet toegestaan.’

Volgens het nieuwe reglement wordt het intellectuele eigendom van het zaaigoed ook afgestaan aan het INIAF, het Nationaal Instituut voor Innovatie van Landbouw, Veeteelt en Bosbouw. Dat werd in 2008 in het leven geroepen en hangt direct af van het ministerie van Rurale Ontwikkeling.

Lidia Paz: ‘Een boer die zijn eigen zaaigoed wil gebruiken, kan dat alleen wanneer hij een verklaring onder ede heeft afgelegd dat dit zijn eigen zaaigoed is. Wie zijn zaden of pootgoed laat certificeren om te commercialiseren, moet dit ook volgens de opgelegde methodes bewaren. Traditionele bewaarmethodes worden niet toegestaan.’

Controleurs krijgen daarnaast ook vrije toegang tot het huis en de akkers van de boer, wat in strijd is met artikel 25 van de grondwet. Dat stelt: ‘Eenieder heeft recht op de onschendbaarheid van zijn woning (…) tenzij met toestemming van een rechter.’

© Mauricio Panozo Montero / Broederlijk Delen

Als de huidige regels strikt zouden worden toegepast, is 97 procent van de boeren illegaal bezig, stelt de ngo Cenda. De meeste boeren in de gemeenschappen zijn niet op de hoogte van al deze bepalingen en weten niet wat hen boven het hoofd hangt.

Heel wat traditionele praktijken ontsnappen aan de controle, maar er werden ook al zware sancties uitgevaardigd. Een vrouw die een veterinaire winkel had en ook zaaigoed verkocht, kreeg zo een gevangenisstraf van drie jaar en vier maanden. In februari vorig jaar werden hele voorraden soja en maïs werden in beslag genomen omdat boeren de regels overtraden. Het INIAF liet daarbij 16.000 kilo “illegale” zaden verbranden.

In geval van een sanctie krijgen boeren vijf dagen om daartegen in beroep te gaan. Maar dat jaagt hen dan weer op kosten, waardoor ze er liever van afzien.

Grootschalige landbouw

Bolivia is traditioneel een land van mijnbouw, olie- en gaswinning. Maar het voorbije decennium heeft het beleid werk gemaakt van modernisering van de landbouw en van agro-industrie voor de export.

Onder het presidentschap van Evo Morales (2006-2019) kwam in Bolivia een ingrijpend proces van modernisering van de landbouw op gang. Het zwaartepunt van die modernisering lag in het vruchtbare departement Santa Cruz in het zuidoosten van het land. In januari 2020 verhuisde de Nationale Directie van de Zaden van het INIAF van La Paz naar Santa Cruz de la Sierra, de hoofdstad van de agro-industrie.

Onderzoeker Jeffery R. Webber stelt in zijn boek La cuestión agraria y los gobiernos de izquierda en América Latina (De landbouwkwestie en de linkse regeringen van Latijns-Amerika’) dat Morales weinig terechtbracht van de beloofde landhervormingen. De oud-president koos uiteindelijk voor een alliantie van de overheid met grootschalige landbouw en kapitaalkrachtige groepen.

In Santa Cruz wordt vooral ingezet op transgene soja (dat is soja die voorzien is van een vreemd gen door ge­ne­ti­sche ma­ni­pu­la­tie), suikerriet en maïs. Voor de export, maar ook voor de productie van biobrandstoffen, waar Bolivia zich wil op toeleggen.

© Mauricio Panozo Montero / Broederlijk Delen

Onder het presidentschap van Evo Morales (2006-2019) kwam in Bolivia een ingrijpend proces van modernisering van de landbouw op gang. Die was vooral gericht op de agro-industrie, niet op de kleine boer.

Momenteel wordt er in de regio van Santa Cruz een harde strijd geleverd van de lokale gemeenschappen tegen het telen van transgene soja, maïs en katoen. De grootschalige agro-industrie zet ook een grote druk op de grond en de ontginning van nieuw land voor landbouw. In de zomer van 2019 gingen in de regio van Santa Cruz, in la Chiquitanía en omgeving, 5,3 miljoen hectare bos in vlammen op door illegaal en ongecontroleerd afbranden van het woud, met het oog op de ontginning van nieuwe gebieden.

‘Als je ziet hoe het landbouwbudget verdeeld wordt, zie je dat men duidelijk kiest voor een productivistisch model’, zegt Anne Piepenstock. Ze werkte enige tijd als consultant voor de Directie van Technische Assistentie van het INIAF.

Zorgt certiciferen voor meer ontwikkeling?

Het voordeel van certificeren, zegt Piepenstock vanuit Bolivia, bestaat er vooral in dat je ‘zuiver zaaigoed’ krijgt, vrij van de schimmels, bacterieën en virussen waar je in het gangbare pootgoed geregeld mee te kampen krijgt.

‘Het INIAF certificeert maar vijf of zes soorten aardappelen. Dat is een veel te klein aanbod voor de vraag.’

Boeren bieden dit probleem traditioneel het hoofd door pootgoed uit te wisselen en door akkers lange tijd braak te laten liggen. Maar dat systeem staat onder druk door steeds meer intensieve landbouw op steeds kleinere perceeltjes.

Voor gewone boeren is het hele proces van certificering erg duur. En zelfs wanneer ze zich willen schikken naar de nieuwe regels, is er nog een probleem. ‘Het nationale register van de aardappelsoorten, opgemaakt in 2014 en2015, telt dertig variëteiten,’ vertelt Piepenstock, ‘terwijl het er in werkelijkheid ontelbaar veel meer zijn. Het INIAF certificeert maar vijf of zes soorten voor commercialisering. Dat is een veel te klein aanbod voor de vraag. Zelfs wanneer boeren enkel gecertificeerd pootgoed zouden gebruiken, is er te weinig op de markt.’

Er zijn programma’s van de overheid die zaaigoed verdelen, maar ook dat moet gecertificeerd zijn. Piepenstock: ‘Sommige projecten voor rurale ontwikkeling konden simpelweg niet doorgaan omdat er geen gecertificeerd zaaigoed beschikbaar was.’

Een nieuwe zadenwet

Het grote nadeel van certificeren, zegt Anne Piepenstock, is dat de traditionele uitwisseling van zaden gecriminaliseerd wordt eenmaal certificatie verplicht is. Dat was de reden waarom er in Bolivia in 2004 hevig protest kwam tegen het ontwerp voor een zadenwet dat toen ter discussie voorlag. De wet is er uiteindelijk nooit gekomen.

Op dit ogenblik ligt er een nieuw ontwerp op tafel, maar veel ruchtbaarheid wordt daar niet aan gegeven. Lidia Paz van Cenda wijst erop dat alle besprekingen clandestien gebeuren. De besluiten worden nadien online gepubliceerd. De meeste gemeenschappen zijn helemaal niet op de hoogte.

‘Het is essentieel dat die diversiteit levend wordt gehouden en niet gecriminaliseerd wordt.’

‘Veel boeren begrijpen ook niet dat een regering die zij verkozen hebben, en die net beloofde om voor de kleine boeren te zorgen, zo’n beleid kan uitrollen’, zegt Paz.

Piepenstock vindt het belangrijk dat er toch een zadenwet komt. Maar die moet genuanceerd zijn: hij moet het traditionele systeem met zijn talloze variëteiten levend houden op de akkers, niet alleen in de zaadbanken. ‘De gecertificeerde soorten die op de markt komen, kunnen maar enkele jaren meegaan. Daarna degenereren ze en moeten ze vervangen worden. De beste manier om de agrobiodiversiteit te bewaren is op de akker’, zegt ze.

‘Het officiële beleid houdt daar te weinig rekening mee. Het is essentieel dat die diversiteit levend wordt gehouden en niet gecriminaliseerd wordt, en dat ook de traditionele kennis gevaloriseerd wordt.’

Er is ook haast mee gemoeid, want traditionele kennis gaat in snel tempo verloren. Onder meer omdat veel jongeren migreren en hun gemeenschap verlaten.

Het recht in eigen handen

De ngo Cenda, een partnerorganisatie van het Belgische Broederlijk Delen, werkt al vijf jaar aan sensibilisering in de boerengemeenschappen over de privatisering van het zaaigoed.

Om te beletten dat de inheemse zaden verloren gaan, stelden ze een akteboek op om per gemeenschap de variëteiten te registeren. Het akteboek bevat foto’s en een precieze omschrijving van de kenmerken — kleur, vorm, andere eigenschappen — en is officieel geregistreerd bij een notaris.

De bedoeling is om op die manier erkenning van deze zaden af te dwingen en om de boeren te beschermen tegen een wet die deze kennis en eigendom wil privatiseren. Lidia Paz: ‘We willen hiermee de lokale kennis waarderen en promoten. Het is een basis voor meer autonomie en een grotere buffer tegen vorst, ziektes en klimaatverstoring. Het plantgoed is erfgoed van de gemeenschap.’

Cenda werkt samen met universitaire onderzoekers om het akteboek op te stellen en om officiële erkenning voor deze variëteiten te bekomen. Ook de ngo Probioma, gevestigd in Santa Cruz en ook een partner van Broederlijk Delen en van Bos +, werkt mee aan deze gemeenschappelijke registratie van de eigen variëteiten.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.