Een wankel Congo bedreigt de hele regio. Angola zal dat niet toestaan.

Samenzweringstheorieën vielen in Congo altijd al in vruchtbare aarde, en daarin speelt de internationale gemeenschap steevast een belangrijke rol. Maar in de loop der jaren is het internationale landschap rondom Congo sterk geëvolueerd. Cruciaal voor Kinshasa is nu de houding van Luanda.

In de week voor de eedaflegging van Donald Trump deed ik onderzoek in het politieke milieu in Kinshasa. Mijn gesprekspartners binnen het regime waren allemaal bijzonder gestrest. Ze trokken een aantal historische parallellen. In januari 1961, een paar dagen voor de eedaflegging van John F. Kennedy, werd Patrice Lumumba, Congo’s eerste premier, vermoord. Veertig jaar later, in januari 2001, net voor de eedaflegging van George W. Bush, werd president Laurent-Désiré Kabila vermoord door een van zijn lijfwachten.

© Kris Pannecoucke

Ingenieurs van Gécamines in Likasi onderzoeken bodemstalen

In de derde week van januari 2017 verwachtten Joseph Kabila en zijn onmiddellijke omgeving dat de ontslagnemende regering-Obama zich net voor de machtswissel nog zou ontdoen van de Congolese president, die een paar weken eerder de grondwettelijke grenzen van zijn regime had overschreden. Eigenlijk had hij op 19 december vervangen moeten worden door een verkozen opvolger, maar alles wijst er op dat hij zal proberen koste wat kost zo lang mogelijk aan de macht te blijven.

Het Congolese bewind gaat ervan uit dat de internationale gemeenschap Congo wil verpulveren, zoals ze eerder met Irak en Libië heeft gedaan had. Het ultieme plan zou zijn om Kabila dood te knuppelen in een riool zoals Kadhafi, of hem ergens op te graven uit een gat in de grond als Saddam Hoessein en hem na een schijnproces te executeren.

Koude Oorlog

Bij de onafhankelijkheid in 1960 werden de macht en de staat overgedragen aan een politieke elite die zich nog volop rond twee polen aan het vormen was. Ter linkerzijde was er een groep geradicaliseerde nationalisten die hun inspiratie vonden in de Pan-Afrikaanse ideologie van Kwame Nkrumah en de Beweging van Niet-Gebonden Landen. Zij beschouwden de onafhankelijkheid als een eerste belangrijke stap naar een totaal nieuwe sociale orde die meer kansen zou bieden aan alle Congolezen. Premier Lumumba was hun boegbeeld.

Aan de rechterzijde stonden nieuwe leiders die door de kolonisator als gematigder werden beschouwd. Ze waren minder kritisch tegenover de bestaande orde en leken er vooral op uit de bovenlaag van de koloniale piramide te afrikaniseren, en zelf het roer in handen te nemen. Hun partijen ontstonden uit de etnische en regionale belangenorganisaties en streefden naar een gefederaliseerd Congo, gebaseerd op sterke provincies.

Hun belangrijkste leider was president Kasavubu, maar ook de Katangese leider Moïse Tshombe maakte er prominent deel van uit. Uiteraard vonden de financiële en economische lobby’s in Europa en Noord-Amerika de mensen rondom Kasavubu interessanter om zaken mee te doen. De regering-Eisenhower in Washington vreesde bovendien dat Lumumba weleens zou kunnen uitgroeien tot de Afrikaanse tegenhanger van Fidel Castro, die in januari 1959 in Cuba aan de macht gekomen was.

Het chaotische begin van het onafhankelijke Congo mondde uit in 32 jaar dictatuur onder Mobutu, die de westerse belangen behartigde.

Het chaotische begin van het onafhankelijke Congo mondde uit in 32 jaar van neokoloniale dictatuur, waarbij Mobutu de steun genoot van Europa en de Verenigde Staten om de economische belangen in de mijnsector te vrijwaren, en als bastion tegen het communisme in Afrika in het geostrategische schaakspel van de Koude Oorlog. Mobutu, op dat ogenblik kolonel in het Congolese leger, greep en consolideerde de macht in een periode waarin een groeiende groep Afrikaanse staatshoofden een vorm van Afrikaans of Arabisch socialisme als leidraad namen.

Tussen 1965 en 1969 verklaarden leiders als Kwameh Nkrumah (Ghana), Julius Nyerere (Tanzania), Kenneth Kaunda (Zambia), Milton Obote (Oeganda), Moammar Kadhafi (Libië) en Gaafar Nimeiry (Soedan) dat ze de maatschappij wilden hervormen op basis van Afrikaanse waarden als solidariteit en gemeenschapsleven, die ze beschouwden als inherent aan het socialisme en dus hoekstenen van een eigen authentiek progressief politiek systeem.

Bij een volgende dekoloniseringsgolf in de jaren zeventig kwamen nieuwe regimes aan de macht in landen als Angola en Mozambique die expliciet verwezen naar het marxisme-leninisme. Mobutu zocht ook aansluiting bij prekoloniale waarden en gaf het land uiteindelijk de nieuwe naam Zaïre, maar moest het land vooral uit het vaarwater van het Afrikaans socialisme houden.

© Kris Pannecoucke

Koperfabriek van Gécamines in Likasi

De Eerste Afrikaanse Wereldoorlog

Mobutu was in alle opzichten een product van de Koude Oorlog, en zijn dagen waren dan ook geteld toen die op zijn einde liep, na de val van de Muur van Berlijn. Zoals zoveel collega-staatshoofden in Afrika had hij decennialang het gevoel gehad van het Westen vrij spel te krijgen en zich op het thuisfront alles te kunnen permitteren. Toen de Koude Oorlog voorbij was, golden democratie en mensenrechten plotseling ook voor Afrika.

Een golf van optimisme ging door de internationale politiek. Eindelijk zou de wapenwedloop eindigen en de middelen die voorheen aangewend werden om militaire macht op te bouwen zouden nu geïnvesteerd worden in duurzame ontwikkeling en de strijd tegen armoede. De aanvankelijke euforie werd snel een halt toegeroepen door de opkomst van een gewelddadig nationalisme in Joegoslavië, een stijgende aanhang voor ultraorthodoxe bewegingen in moslimlanden en extreem-rechtse partijen in Europa.

De versnelde democratisering die werd opgelegd na de Koude Oorlog creëerde in Centraal-Afrika conflicten die heel anders waren dan wat we voordien gekend hadden.

Het was in Afrika dat de nieuwe wereldorde in de jaren negentig het grondigst plaats maakte voor een nieuwe chaos. Burgeroorlogen leidden tot de implosie van de staat in landen als Liberia, Sierra Leone, Somalië en Centraal-Afrika. De versnelde democratisering die werd opgelegd na de Koude Oorlog creëerde in Centraal-Afrika conflicten die heel anders waren dan wat we voordien gekend hadden, met gigantische golven van extreem geweld met zowel aan de kant van de daders als van de slachtoffers veel burgers. Het gevolg was een stortvloed van vluchtelingen en intern ontheemden, de grondige vernietiging van de staat, en een bevolking die totaal ontredderd achterbleef door de desintegratie van haar sociale en institutionele netwerken.

Mobutu’s lot werd uiteindelijk bezegeld in een korte oorlog (oktober 1996-mei 1997) waarbij de oude en doodzieke dictator het onderspit delfde tegen het AFDL, een rebellenbeweging rondom Laurent-Désiré Kabila. Het AFDL bestond bij de gratie van Rwanda en Oeganda, die Zaïre in de eerste plaats waren binnengevallen om de eigen gewapende groepen te ontmantelen die vanaf Zaïrees grondgebied guerilla-acties uitvoerden. Drie decennia wanbeheer hadden het Zaïre van Mobutu echter zo uitgehold dat de staat helemaal verkruimelde onder de opmars van Laurent Kabila. In mei 1997 legde die de eed af als staatshoofd van het land dat nu opnieuw de Democratische Republiek Congo heette.

Steun van de SADC

Natuurlijk zou deze snelle zege niet mogelijk zijn geweest zonder de Rwandese en Oegandese legers en de welwillende steun van een deel van de westerse wereld, in de eerste plaats de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Deze landen voelden zich erg schuldig over de passieve houding van de internationale gemeenschap tijdens de Rwandese genocide. Daardoor kon Rwanda in die periode rekenen op hun steun en empathie. En verder werden op dat moment persoonlijkheden als de Oegandese president Yoweri Museveni en Rwanda’s Paul Kagame gezien als voorbeelden van een nieuwe, positievere generatie Afrikaanse leiders die het continent naar nieuwe horizonten zouden leiden, en iconische voorgangers als Mobutu, Idi Amin en Bokassa zouden doen vergeten.

Amper een jaar na de machtsovername raakte president Kabila gebrouilleerd met Rwanda en Oeganda, en in augustus 1998 vielen beide landen Congo opnieuw binnen, met de bedoeling Kabila op zijn beurt zo snel mogelijk te vervangen. Uiteindelijk werd Kabila gered door zijn bondgenoten bij de Southern African Development Community (SADC): op 19 augustus kwamen 400 Zimbabweaanse soldaten in Congo aan en vier dagen later begonnen Angolese eenheden aan de herovering van de provincie Bas-Congo.

Kabila had Congo de SADC binnengeloodst en de steun die hij kreeg van de andere leden was beslissend. Een derde SADC-lidstaat, Namibië, stapte ook in de ring, en Soedan besliste om Congo te helpen vanwege de betrokkenheid van Oeganda, dat de rebellen van Zuid-Soedan steunde. De Libische president Kadhafi zond een paar vliegtuigen om Congo te steunen in een poging om zijn internationale isolement te doorbreken, en Tsjaad stuurde 2.000 soldaten uit solidariteit met Libië en Soedan.

De ‘Eerste Afrikaanse Wereldoorlog’ maakte naar schatting tussen de vier en de zes miljoen slachtoffers.

Aan de andere kant van het front werden de rebellen gesteund door Rwanda, Oeganda en in mindere mate door Burundi. Door het hoge aantal buitenlandse troepen ging men spreken van de Eerste Afrikaanse Wereldoorlog.

Officieel duurde die tot 2002, toen de laatste buitenlandse troepen het land verlieten. Miljoenen – miljoenen – Congolezen hadden het leven verloren (net zoals president Kabila, op 16 januari 2001 vermoord door een van zijn eigen lijfwachten), direct of indirect als gevolg van de oorlog – de schattingen van het aantal slachtoffers lopen uiteen van vier tot zes miljoen. Op 30 juni 2003 begon een transitie van twee jaar, die uiteindelijk zou duren tot december 2006, toen Joseph Kabila de eed aflegde na verkiezingen die door Congolese en buitenlandse waarnemers als voldoende vrij en eerlijk waren bestempeld.

© Kris Pannecoucke

Op een olieplatform voor de kust van Muanda

Nieuwe internationale context

Het vredesproces, de transitie en de verkiezingen waren verlopen onder strikte begeleiding van de internationale gemeenschap, met name van het Westen. De grondwet van de transitie voorzag zelfs in een rol voor het CIAT (Comité International d’Accompagnement de la Transition). Velen beschouwden die intense begeleiding als een vorm van betutteling, die zover ging dat ze schade toebracht aan de zeggenschap van de Congolezen zelf over de verkiezingen.

Alleen al de Europese Unie had, samen met haar lidstaten, het grootste deel van het geld gefourneerd voor de duurste verkiezingen uit de wereldgeschiedenis. De EU bleef, samen met haar leden, de belangrijkste partner voor ontwikkelingssamenwerking, en wilde het verschil maken bij de hervorming van de veiligheidssector. De Europese Unie was de trotse peetvader naast de wieg van de Derde Republiek. Maar dat plaatje veranderde snel.

Na 2006 voelde Kabila zich gesterkt en gedragen. Hij was niet langer de zoon die bijna per ongeluk in de presidentszetel van zijn vader was terechtgekomen, of de president van een manke en onwerkbare transitie, hij had net de eerste democratische verkiezingen sinds meer dan vijftig jaar in Congo gewonnen, en wilde van elke vorm van betutteling af. Hij werd daarbij geholpen door het feit dat Congo erin slaagde andere partners aan te trekken, in de eerste plaats China.

De situatie in Congo was geëvolueerd van open oorlog tot een laagintensief conflict (met regelmatige opflakkeringen van open oorlog tussendoor), maar echt vrede werd het nooit.

Helaas raakte de Derde Republiek niet echt uit de steigers. De nieuwe instellingen functioneerden, maar niet echt goed. Sommige instellingen werden trouwens nooit geïnstalleerd, onder meer omdat er geen lokale verkiezingen werden gehouden. Ook de oostelijke Kivu-provincies, het belangrijkste strijdperk van de Eerste Afrikaanse Wereldoorlog, werden nooit echt rustig. Gewapende groepen bleven het terrein overheersen. Congo werd behandeld als een post-confictland en kreeg een standaardpakket aan post-conflictmaatregelen opgedrongen. De situatie in Congo was geëvolueerd van open oorlog tot laagintensief conflict (met regelmatige opflakkeringen van open oorlog tussendoor), maar echt vrede werd het nooit.

De kaarten opnieuw geschud

Begin 2012 brak de (voorlopig?) laatste open oorlog uit in Kivu. Een nieuwe rebellie werd in stelling gebracht, de Mouvement du 23 Mars, afgekort tot M23. Net als vele eerdere gewapende groepen bestond M23 vooral uit Congolese Tutsi, en werd het gesteund door Rwanda en Oeganda.

Het regime stond op dat moment erg zwak. Kabila was eind 2011 weliswaar herverkozen, maar de uitslag werd aangevochten en Kabila’s uitdager Etienne Tshisekedi had zijn nederlaag nooit erkend. M23 steunde vooral op de frustratie van Tutsi-officieren uit het CNDP die vonden dat de Congolese staat het akkoord van 23 maart 2009 niet respecteerde. In dat akkoord legde een vorige rebellengroep, het CNDP, de wapens neer en werden de voorwaarden bepaald om de militie in het leger te integreren.

Gedurende enkele maanden leidde M23 een bijna sluimerend bestaan in een deel van de provincie Noord-Kivu. Maar de basis om binnen andere gemeenschappen te mobiliseren bleek een stuk kleiner. Door dit gebrek aan draagvlak richtte de nieuwe rebellie wel veel leed aan in de regio’s Rutshuru en Masisi, met zware schendingen van de mensenrechten en veel ontheemden als gevolg, maar leek het er niet op dat M23 een nationaal probleem zou worden. Dat veranderde toen M23 in november 2012, met steun vanuit Rwanda, de stad Goma innam.

De val van Goma zorgde voor een schaalvergroting. Niet alleen werd het conflict plots wél een nationaal probleem, Congo stond aan de rand van een nieuwe implosie en Kinshasa gonsde van de geruchten over een nakende staatsgreep. Bovendien kon niemand uitsluiten dat het geweld de nationale grenzen zou overschrijden en leiden tot een nieuwe regionale oorlog. M23 verliet Goma na een tiental dagen met medeneming van alles wat niet te heet of te zwaar om te dragen was, maar alle alarmsignalen van de internationale diplomatie bleven gloeiend rood.

Onmiddellijk werd een aantal initiatieven ontplooid die al snel leidden tot een nieuw akkoord, het Peace, Stability and Cooperation Framework Agreement, dat uiteindelijk in februari 2013 ondertekend werd. Als onderdeel van dat akkoord kwam er binnen de VN-vredesmacht in Congo, Monusco, een nieuwe brigade om de gewapende groepen te neutraliseren, met M23 als prioriteit. En in november 2013 gebeurde dat ook. Wat overbleef van M23 trok zich terug in Rwanda en Oeganda.

De steun uit zuidelijk Afrika bleek beslissend om het M23-probleem minstens voorlopig onder controle te krijgen.

Erg belangrijk bij dat hele proces was een dubbel rondje armworstelen: enerzijds tussen de traditionele hoofdrolspelers van de internationale diplomatie (het Westen, zeg maar) en de Afrikaanse multilaterale instellingen, en anderzijds tussen de Afrikaanse multilaterale instellingen onderling: de economische gemeenschap van zuidelijk Afrika SADC, de Oost-Afrikaanse gemeenschap EAC, de internationale conferentie van landen van het Grote-Merengebied ICGLR, en de Afrikaanse Unie, met zetel in Addis Abeba.

Uiteindelijk werd het een geslaagde poging van de Afrikaanse instellingen om zeggenschap over dit conflict te verwerven. Zuidelijk Afrika haalde de bovenhand, en de nieuwe brigade werd opgericht met militairen uit Zuid-Afrika, Tanzania en Malawi. De steun uit zuidelijk Afrika bleek beslissend om het M23-probleem minstens voorlopig onder controle te krijgen. Dat heeft de bakens blijvend verzet.

© Kris Pannecoucke

De Inga-dam en -centrale op de Congostroom in Inga

Angola als hoofdrolspeler

Angola is vanaf het begin een van de belangrijkste partners van het Kabila-regime geweest. Bij verschillende gelegenheden werd het regime van zowel de vader als de zoon gered door de zuiderburen. Joseph Kabila ging er lang van uit dat dit de uitdrukking was van een persoonlijke loyaliteit van Angola ten aanzien van zichzelf en zijn regering. Maar de realiteit is dat Angola vooral stabiliteit aan zijn grenzen wil. Een eventuele nieuwe implosie van Congo zou zware gevolgen hebben voor het land, en Kabila werd gesteund zolang hij de belangrijkste troeven in handen leek te hebben om chaos te voorkomen. Veel persoonlijke overwegingen kwamen daar verder niet bij kijken.

Regionale leiders, de Angolese president Dos Santos voorop, spraken erg klare taal tegen Kabila: ‘Je hebt niet langer onze steun. We denken niet langer dat jij de chaos in je land kunt voorkomen.’

De laatste maanden van 2016 zagen we hoe Angola een zeer expliciete maar niet-publieke rol speelde ten aanzien van Congo. De Angolese regering stuurde duidelijke signalen naar Kabila om de grondwet te respecteren, geen derde mandaat te ambiëren en de overgang binnen een redelijk tijdschema af te ronden, om zo spoedig mogelijk de macht over te dragen aan een verkozen opvolger. Dat standpunt werd gesteund door een groot deel van de SADC. Er zijn echter nuances: Zuid-Afrika leek eind 2016 bijvoorbeeld een beetje milder in zijn oordeel over Kabila, deelde de overtuiging dat Kabila geen stabiliteit op lange termijn kan garanderen, maar gaf niet de sterke en directe signalen die Angola binnenskamers wel gaf.

Een cruciaal moment was de top van Luanda eind oktober 2016, een gezamenlijke vergadering van de ICGLR, de SADC en de AU. De publieke verklaring aan het eind van de top was onverwacht zacht voor Kabila, maar verschillende diplomatieke bronnen bevestigden dat de regionale leiders, de Angolese president Dos Santos voorop, in de coulissen erg klare taal hadden gesproken tegen Kabila: ‘Je hebt niet langer onze steun. We denken niet langer dat jij de chaos in je land kunt voorkomen.’ De Angolese druk droeg bij tot het ondertekenen van het Silvesterakkoord op 31 december 2016: Er werd een transitie afgekondigd, die Kabila nog zou leiden. Eind 2017 zou hij opgevolgd worden door een verkozen opvolger.

Kasaï

De illusie dat het Silvesterakkoord de Congolese democratisering op de rails zou houden duurde maar even. Het werd snel duidelijk dat niemand echt werk maakte van de toepassing van het akkoord, en dat 2017 het tweede electorale jaar zonder verkiezingen zou worden. Het politieke landschap werd ook nog eens grondig dooreengeschud door het overlijden van oppositie-icoon Etienne Tshisekedi op 1 februari.

Maar nog belangrijker voor Angola was de evolutie in Kasaï, dat grenst aan de Angolese provincie Lunda Norte. Het is al een paar jaar duidelijk dat de Congolese staat het vermogen verloren heeft om te reageren, laat staan te anticiperen, op lokale conflicten. Hij zit klem tussen enerzijds een lokale administratie die wel bestaat maar door gebrek aan middelen en legitimiteit niet functioneert, en anderzijds het feit dat ook de traditionele structuren binnen de gemeenschappen, le pouvoir coutumier, op vele plekken hun gezag aan het verliezen zijn. Daardoor kunnen ze makkelijk gemanipuleerd worden. En dat is precies wat er gebeurd is in Kasaï.

In augustus 2016 probeerden de autoriteiten een lokale opvolgingskwestie naar hun hand te zetten door een vertrouweling naar voren te schuiven als de Kamwina Nsapu, de plaatselijke chef (zie ook het artikel “Wat doet deze staat voor ons?” dat dinsdag online gepubliceerd wordt). De legitieme kandidaat had echter zoveel steun dat er een beweging op gang kwam die, ook nadat hij door de autoriteiten was doodgeschoten, de wapens tegen Kabila opnam. De laatste maanden waren er regelmatige confrontaties, en vanaf januari 2017 werd het conflict permanent.

In februari en maart groeide de golf van geweld exponentieel. In enkele maanden was een erg lokaal conflict op 70 kilometer van Kananga, hoofdstad van de naburige provindie Lulua, uitgegroeid tot een gewapende groep die vier, vijf provincies beheerste. Duizenden mensen zijn vermoord (waaronder twee leden van de UN Group of Experts), en tientallen massagraven werden gevonden.

De omstandigheden waarin het conflict rond de Kamwina Nsapu escaleerde zijn eigenlijk overal in Congo aanwezig, en toen ik twee maanden geleden aan Congolese prominenten vroeg of er plekken waren in het land waar we er gerust op konden zijn dat een dergelijke dynamiek zich niet zou voordoen, was het antwoord, onthutsend en eensluidend: ‘Nee. Zoiets kan in de komende maanden in principe overal gebeuren.’

Verwacht wordt dat Angola nu de druk op Kabila zal opvoeren, en daarbij misschien zelfs wel zijn leger inzet.

Natuurlijk is Angola not amused, niet door de politieke onwil om het Silvesterakkoord in goede banen te leiden, en nog minder door de aanwezigheid van 1,3 miljoen ontheemden dicht bij zijn grenzen. Angola herstelt zelf maar moeizaam van de eigen burgeroorlog, die tientallen jaren geduurd heeft, en kreeg in augustus 2017 voor het eerst sinds 1979 een nieuw staatshoofd. Vele Congo-watchers verwachten dat Angola, nu de presidentsverkiezingen achter de rug zijn, de druk op Kabila zal opvoeren, en dat we zelfs niet kunnen uitsluiten dat het leger hierbij zal ingezet worden. In elk geval bouwt het nu al een tijdje een militaire slagkracht op langs de Congolese grenzen om te kunnen reageren op een eventuele implosie van de Congolese staat.

Sinds 2013 hebben de Afrikaanse instellingen, de SADC voorop, meer hefbomen in handen om te wegen op de Congolese politiek. Ze hebben directe toegang tot de Congolese president, terwijl het Westen meer in de coulissen is verdwenen. De vraag is echter of dit mogelijkheden schept om geweldloos uit de Congolese impasse te raken.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur