Steden zijn nog lang geen gendergelijk utopia

De weg naar gendergelijk onderwijs loopt niet enkel langs de schoolpoort

© Reuters / Zohra Bensemra

Naast het louter cognitieve aspect speelt het onderwijs ook een socialiserende rol.

Zullen steden zorgen voor een doorbraak van gendergelijk onderwijs? Onderzoek leert alvast dat meer verstedelijkte omgevingen ook meer kansen bieden. Het platteland hinkt in veel gevallen daadwerkelijk achterop, maar steden mogen nog niet op hun lauweren rusten. ‘De vraag blijft waar het geld naartoe gaat.’

De meest recente PISA-rapporten (internationaal onderzoek naar het onderwijsniveau van 15-jarige leerlingen) gaven alweer een indicatie van een eerder groeiende kloof. Niet alleen gaan er in steden wereldwijd meer meisjes naar school, leerlingen blijken er vaak ook beter te scoren dan hun leeftijdgenoten die onderwijs krijgen in meer landelijke omgevingen.

De studie past daarmee in een breder paradigma. Wie zichzelf wil ontwikkelen en ontvoogden trekt beter naar de stad. Het platteland blijft achter, als een anachronistisch reliek uit vervlogen tijden… Een soort van Bokrijk waar meisjes nooit verder zullen komen dan snit en naad.

We leggen die zienswijze voor aan antropologe Barbara Scettri, opgeleid als leerkracht. Vandaag werkt ze in Ierland als experte globaal onderwijs van Plan International. Scettri was als VN-medewerkster jarenlang actief in West-Afrika en het vooroorlogse Syrië. ‘Gendergelijkheid en de aanpak van onderwijs zijn op geen twee plekken dezelfde’, nuanceert ze meteen.

‘Wie het debat rond gendergelijkheid in steden, voorsteden en landelijke gebieden wil voeren kan niet voorbij aan een brede matrix van factoren.’
Barbara Scettri (Plan International)

Dat PISA-scores beter zijn in stedelijke gebieden verbaast haar niet. ‘In de meeste gevallen zijn stedelijke scholen veel toegankelijker voor PISA-onderzoekers. Wel kan je je afvragen: waar testen ze precies? Alleen al in steden verschillen wijken op socio-economisch vlak danig van elkaar, wat de resultaten kan vertekenen.’

Scettri beschrijft onderwijs als een grote mand waar verschillende visies, concepten en problemen in passen. Naast het louter cognitieve aspect, de school als doorverbindingsofficier van kennis, speelt het onderwijs eveneens een socialiserende rol. De toegang tot de schoolpoort wordt daarnaast niet enkel belemmerd door wat sommigen zouden beschrijven als een “verouderd cultuurmodel”, maar evengoed door de geldende economische conjunctuur, gentrificatie of een slecht onderhouden wegennetwerk en de onderfinanciering van het openbaar vervoer.

Wie het debat rond gendergelijkheid in steden, voorsteden en landelijke gebieden wil voeren kan volgens Scettri niet voorbij aan een brede matrix van factoren.

Breuklijnen

In 1995 al gingen de VN-landen in Bejing een Verdrag aan dat stelt dat meisjes en jongens overal ter wereld dezelfde toegang tot onderwijs moeten hebben. Vijfentwintig jaar later zijn er volgens de VN tegenover toen al een extra 180 miljoen meisjes het onderwijs in geholpen.

De uitdagingen blijven hoe dan ook groot. In 2016 zaten 63 miljoen meisjes van schoolgaande leeftijd niet op de schoolbanken. De cijfers krijgen nog wat meer kleur als steden rechtstreeks met het platteland worden vergeleken. In Kenia bijvoorbeeld is de helft van de meisjes op het platteland al voor hun negentiende verjaardag getrouwd. Vaak gaat het om kindhuwelijken waarbij meisjes nooit een schoollokaal van dichtbij zullen zien…

Als we de VN-bronnen mogen geloven, heeft het trickle down-effect van groeiende ontwikkelingseconomieën en een progressieve inhaalbeweging zich weinig doorgezet in de landen van het Globale Zuiden. Slechts twee procent van de meisjes die in de armste plattelandsgebieden wonen maakt het middelbare onderwijs af.

Het klopt dat zo goed als alle cijfers in het nadeel spreken van meisjes en vrouwen. Tegelijk lijkt het alsof die genderongelijkheid slechts een kanarie in de koolmijn is voor een veel groter en ruimer probleem dat zich afspeelt op het platteland. Volgens het Global Education Monitoring report, dat onder de vlag van VN-organisatie Unesco verschillende onderzoeken bundelt, heeft een op vier kinderen die opgroeien in een landelijke omgeving in een lage-inkomensland nooit enige vorm van onderwijs genoten. In de stad is dat net iets minder dan een op tien.

Vroege schooluitval en een populatie jonge mensen zonder hoger diploma zorgen ervoor dat de al precaire lokale economieën een nieuwe tik krijgen.

Kijken we meer specifiek naar het aantal leerlingen dat een secundaire opleiding afmaakt, dan zien we dat gemiddeld de helft van de bevolking in stedelijk Sub-Saharaans Afrika diplomahouder middelbaar onderwijs is. Op het platteland neemt dat aantal een duik tot achttien procent.

Die trend beperkt zich niet tot ontwikkelingsgebieden: ook Europa laat duidelijke verschillen zien. In Moldavië, om maar een voorbeeld te noemen, heeft 81 procent van de jongeren in de stad een middelbaar diploma op zak. In de eerder landelijke delen van het land geraken we net niet aan de vijftig procent. Bij ons in België krimpt dat verschil al wat. Negentig procent van de stadsjongeren studeerde in 2015 af in het secundair onderwijs, tegenover een goede 85 procent in landelijker België.

Wat te denken over het hoger onderwijs in de VS? Is daar ook sprake van een groeiende kloof? Wel, in landelijk Amerika bezit slechts een op de vijf jongeren van boven de 25 een universitair diploma, zo staat te lezen in het Hechinger-rapport over onderwijs. In de verstedelijkte regio’s van de VS stijgt dat cijfer al snel naar een op de drie.

Het belangrijkste probleem, zo beschrijft datzelfde rapport, is de neerwaartse spiraal waarin landelijke gebieden op die manier terechtkomen. Vroege schooluitval en een populatie jonge mensen zonder hoger diploma zorgen ervoor dat de al precaire lokale economieën een nieuwe tik krijgen die hen nog verder wegdrijft van de (sub)urbane gemeenschappen.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Money, money, money

Wat Scettri betoogt, is dat het vaak te gemakkelijk is om problemen op grote cultuurverschillen te steken. ‘Het klopt dat culturele normen doorgaans sterker zijn in landelijke gebieden. Het platteland is vaak iets “traditioneler”. Zoiets mag echter nooit als allesomvattende uitleg gelden.’

Volgens Scettri blijft de vraag waar het geld naartoe gaat. ‘How is the budget split? In ontwikkelingslanden gaat het onderwijsbudget in de meeste gevallen naar scholing voor jongens.’ Dat is één aspect. Daarnaast is er de algemenere financiële achterstelling van het plattelandsonderwijs. Dat vernemen we van onderwijsonderzoekers Pierre Du Plessis en Raj Mestry van de universiteit van Johannesburg.

Door een gebrek aan staatsinvesteringen hinken niet alleen scholen maar ook leraars achterop, zo leert ons hun studie over Zuid-Afrika. Ook hier gaat het weer om een breed palet aan problemen. Leerkrachten die door onderfinanciering niet de juiste of helemaal geen schoolboeken voorhanden hebben, aantrekkelijkere werkomstandigheden of meer doorgroeimogelijkheden in de steden die daardoor de beste leerkrachten weglokken, en ten slotte een gebrek aan didactische ondersteuning maken van landelijke scholen allesbehalve ideale werk- en leerplekken.

Daardoor is er door de band genomen ook minder ruimte voor een uitgedacht didactisch plan rond thema’s als seksualiteit en gender. Of zoals Scettri het verwoordt: ‘Als verandering en progressie niet naar de klas komen, zullen kinderen de rest van hun leven de aloude vooroordelen met zich meedragen.’

Blijft ook de vraag in hoeverre ngo’s en lokaal werkende vzw’s deel kunnen uitmaken van een structurele oplossing. Neem opnieuw het voorbeeld van Kenia, waar het Kakenya’s Dream-project al sinds 2008 meisjes in landelijke gebieden de juiste weg ophelpt. Via programma’s waarbij lokale gemeenschappen worden betrokken, krijgen meisjes van hun geboorte tot volwassen leeftijd een opleiding alsook bescherming tegen gebruiken zoals besnijdenissen en kindhuwelijken.

Volgens het project behalen alle deelneemsters aan het project een diploma middelbaar onderwijs. Een succes, maar… maken enkele zwaluwen de lente wel? Ngo’s zijn zelf niet zelden onbesproken. In een blogpost schrijft de organisatie Women Around the World dat fondsen van niet-gouvernementele organisaties nog te vaak worden aangewend om enkel urbane en suburbane gemeenschappen vooruit te helpen. ‘Op die manier dragen ze bij aan de verdere marginalisatie van landelijke gemeenschappen, en vooral vrouwen en meisjes dragen daar de gevolgen van.’

Scettri benadrukt dat een langetermijnvisie actie van overheden vereist. Initiatieven zoals privéonderwijs moeten niet als tussentijdse oplossing dienen tot er budget is voor publieke scholen. School mag geen zaak van financieel profijt worden.

Gendergelijk utopia

Dat steden het doorgaans beter doen in de statistieken mag de nog aan te pakken uitdagingen niet verdoezelen. Hoewel ze in de cijfers vaak opgaat als een soort van anonieme urbane entiteit, durft de onderwijskwaliteit binnen stadsgrenzen sterk te fluctueren.

‘Moeilijke omstandigheden in een wijk kunnen ervoor zorgen dat de onderwijskwaliteit zeer lokaal een duikt neemt. Soms zorgen ze er ook voor dat de schoolomgeving zelf door meisjes en vrouwen als onveilig wordt ervaren. ’
Barbara Scettri (Plan International)

In de bekroonde podcastreeks Nice White Parents van The New York Times-onderzoektjournaliste Chana Choffe-Walt de gevolgen van enkele demografische verschuivingen in een publieke school in de New Yorkse wijk Brooklyn. Ze stelt er vast hoe de komst van blanke ouders voor een sterke toename van het schoolbudget zorgt, niet zozeer in het voordeel van de gekleurde leerlingen maar in dat van de blanke kinderen, die door de extra financiering lessen Frans krijgen.

Demografie, bereikbaarheid, huisprijzen: het zijn maar enkele criteria die een impact kunnen hebben op de kwaliteit van het stedelijk onderwijs.

‘Ook moeilijke omstandigheden in een wijk, zoals overlast, criminaliteit of het veelvuldig voorkomen van seksuele intimidatie, kunnen teweegbrengen dat de onderwijskwaliteit zeer lokaal een duikt neemt. Soms zorgen ze er ook voor dat de schoolomgeving zelf door meisjes en vrouwen als onveilig wordt ervaren’, zegt Scettri.

Stadsarchitecten breken zich al jaren het hoofd over hoe ze urbane centra voor iedereen veiliger kunnen maken. Eind jaren negentig nam Wenen het voortouw met een ambitieus project om meer vrouwen en meisjes in publieke parken en op openbare pleinen te krijgen.

De oplossingen leken soms doodeenvoudig, zoals het plaatsen van extra bankjes, een volleybalveld in plaats van een voetbalperkje, of een schoon openbaar toilet voor vrouwen. Bij ons lanceerde Plan International België vorig jaar het project Safer Cities for Girls. Het creëerde daarvoor een multimediaal platform waarop jongeren onveilige plekken in steden konden markeren.

Dat steden nog lang geen gendergelijk utopia zijn, maakte het voorbije half jaar ook duidelijk. Begin maart dit jaar publiceerde het Europees Parlement enkele pancarten die aantoonden hoe de coronacrisis tot dusver vooral vrouwen en meisjes heeft getroffen. Niet alleen bestaat de zorgende frontlinie voor een meerderheid uit vrouwen, de voornaamste sectoren waarin zij aan het werk zijn werden economisch gezien ook het hardst getroffen door de gezondheidscrisis.

Daarbovenop kwam een stijging van het aantal gevallen van huiselijk geweld, vaak in krappe stedelijke appartementen en met voornamelijk vrouwelijke slachtoffers. Op een bepaald moment besloten de Waalse en Brusselse regering zelfs een taskforce in het leven te roepen om het fenomeen te bestrijden.

Verkrachtingen en aanrandingen in verlaten lockdownstraten, in het geval van de Britse Sarah Everard zelfs moord, legden pijnlijk de nog aan te pakken kwesties in het stedelijke leven bloot.

De weg naar gendergelijk onderwijs waar dan ook ter wereld is, zoals Barbara Scettri betoogt, geen solitair pad dat enkel via de schoolpoort loopt. Het vereist een multidisciplinaire aanpak en een beleid dat bereid is om zowel op nationaal als op lokaal niveau budget uit te trekken voor een veelheid van uitdagingen.

Deze analyse werd geschreven voor de MO*Special over gender en onderwijs van MO*magazine. Deze extra editie van MO*Magazine krijgen alleen onze promo’s. Je kan ook proMO* worden voor slechts 4 euro per maand. Je krijgt dan ook ons magazine toegestuurd en je steunt daarmee ons journalistiek project. Opgelet: Knack-abonnees ontvangen MO* automatisch bij hun pakket.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3253   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift