Offshore windenergiesector wil stabiel investeringsklimaat

Nergens in België is het windklimaat zo ideaal als op de Noordzee. Tegen 2020 zou de helft van hernieuwbare energie in ons land afkomstig zijn van offshore windkracht. Dan moeten de geplande projecten wel uitgevoerd kunnen worden en dat is nog niet helemaal zeker. Projectontwikkelaars vragen een meer stabiel energiebeleid en een langetermijnvisie.

De productie van windenergie op zee is in Europa in volle ontwikkeling. In de eerste helft van dit jaar werd er 2.342,9 MW geïnstalleerd, een verdrievoudiging van de offshore capaciteit die in dezelfde periode vorig jaar op het net werd aangesloten.
Dat blijkt uit cijfers van de Europese Windenergiekoepel EWEA.

De totale offshore capaciteit voor Europa komt hiermee op 10.393,6 MW, verspreid over 82 windparken in 11 landen. Tegen 2020 zou de totale capaciteit oplopen tot 25 gigawatt.

© Deme

De windparken van de Noordzee

Voor de Belgische kust, op zo’n 30 kilometer buiten de kustlijn, liggen zeven concessies afgebakend voor de ontwikkeling van acht windenergieparken (een van de concessies wordt opgedeeld in twee parken).

C-Power  (54 turbines), Belwind (55 turbines) en Northwind (72 turbines) zijn vandaag al effectief in werking en leverden de eerste drie maanden van dit jaar 722.222 megawattuur hernieuwbare energie.

De andere vijf projecten zijn Norther, Seastar, Rentel, Mermaid en Northwester II, met Rentel als eerstvolgende op de agenda. Het perspectief is dat tegen 2020 de 8 parken klaar zullen zijn, goed voor een totale productiecapaciteit van 10 procent van het totale elektriciteitsverbruik van België.

Tegen 2020 kunnen de windturbines op de Noordzee instaan voor tien procent van het totale elektriciteitsverbruik van België. 

De offshore energie aan land brengen en inbrengen in het elektriciteitsnet, is de bevoegdheid van de netbeheerder Elia, die via kleine en grote projecten het net klaarstoomt voor het inpluggen van de geproduceerde hernieuwbare energie.

De energie die vandaag al door de drie parken wordt geproduceerd, komt aan land via drie afzonderlijke kabels, twee naar Zeebrugge en een naar Oostende. Daarbij stelt zich echter het probleem dat het hoogspanningsnet op land nog onvoldoende uitgerust is om al die offshore energie op te nemen. Het net in de kustzone werd al versterkt, tot een capaciteit van 900 MW. Maar om ook de energie van de andere parken aan land te brengen, is er meer nodig. 

Daarom begon netbeheerder Elia begin 2015 met de uitbouw van het zogenaamde Stevinproject. Een onderdeel van dat project is de versterking van het hoogspanningsnet door een 380 kV- verbinding tussen Zomergem en Zeebrugge, om zo de energie naar het binnenland te brengen.

Een ander project waarover nog gedebatteerd wordt, is de aanleg van het zogenaamde “stopcontact” op zee. Dat is het samenbrengen van de kabels van de verschillende windparken, om dan gezamenlijk hun energie aan land te brengen.

Bron: www.elia.be

En dan is er nog Nemo, dat eind dit jaar start. Nemo omvat de aanleg van een onderzeese elektriciteitskabel tussen de Belgische kust en Groot-Brittannië om op die manier meer geïntegreerd te kunnen werken. De kabel loopt van Zeebrugge naar Richborough in Groot-Brittannië, over een afstand van 140 km en zal met zijn capaciteit van 1000 MW voldoende elektriciteit kunnen transporteren voor een half miljoen huishoudens.

Een voordeel van Nemo is ook dat Groot-Brittannië een uur tijdsverschil heeft met ons en dat op die manieren pieken beter opgevangen kunnen worden.  

Onzekerheid over subsidies

Met de ontwikkeling van de drie parken behoort België tot de Europese koplopers voor offshore windenergie. Vraag is of we die toppositie kunnen behouden met het huidige energiebeleid van federaal minister van Energie Marie-Christine Marghem.

Volgens Luc Vandenbulcke, directeur van GeoSea (Deme-Group), kan die positie in het gedrang komen als er geen duidelijker en stabieler beleid komt. Deme/GeoSea is op de Belgische markt betrokken bij vier van de acht windparkprojecten (C-power, Rental, Mermade en Seastar) en wil zich in de toekomst ook verder profileren in de offshore-industrie.

Volgens Vandenbulcke is het frustrerend dat minister Marghem onlangs opnieuw onduidelijkheid creëerde over het subsidiesysteem voor de offshore windindustrie. Begin 2014 is dat systeem grondig hervormd maar eind juli vroeg de minister aan de federale energieregulator CREG nogmaals om te onderzoeken of er geen sprake is van oversubsidiëring van de windenergieparken op zee.

© Deme

Luc Vandenbulcke, directeur van GeoSea (Deme)

Concreet gaat het over de subsidie-inkomsten die windenergieparken krijgen om hun investeringen voor de aansluiting op het hoogspanningsnet van Elia aan wal te financieren. Voor de nog te bouwen parken die nu al miljoenen uitgeven voor het ontwerp, is die onzekerheid een reëel probleem.

Vandenbulcke: ‘De realisatie van de toekomstige projecten hangt mee af van de regelgeving. Het oude systeem, dat C-power, Belwind en Northwind hebben, bestaat erin dat het park zijn stroom verkoopt aan de marktprijs en daarnaast krijgt het een vaste subsidie. Als die marktprijs stijgt, is er een gevaar van oversubsidiëring.

We zien dat de kerncentrales tien jaar zekerheid krijgen, voor windenergie lukt dat blijkbaar niet.

Vorig jaar is dat systeem herzien. Nu werkt men met CFDs (Contract For Difference) waarbij er een LCOE (Levelized Cost of Energy) wordt bepaald. De subsidiëring betaalt het verschil tussen de energieprijs en de vastgelegde kost voor 20 jaar zoals voorzien bij de bouw van de windmolenparken.

Experimenteren met innovatie

In Duitsland, waar men radicaal heeft ingezet op de Energiewende, bouwt men momenteel aan de 6500 megawatt tegen 2020, volgens de subsidieafspraken die eerder gemaakt zijn en in de wet vastliggen. Pas na deze realisatie, voor de volgende fase, gaat men onderzoeken of de technologieprijzen misschien gedaald zijn en de subsidies moeten bijgesteld worden. We zien dat de kerncentrales tien jaar zekerheid krijgen, voor windenergie lukt dat blijkbaar niet.’

© Deme

Vandenbulcke merkt op dat het federale beleid wel erg gericht is op het langer openhouden van de kerncentrales. ‘Ik doe geen uitspraak over deze keuze op zich, maar kernenergie is een heel dure optie wanneer het gaat over nieuwe centrales. In Groot-Brittannië wordt er voor de nieuwe centrale van Hinkley in Summerset een vaste afnameprijs voorop gesteld van 125 euro voor een periode van 35 jaar.’

‘De centrales van Flamenville  in Noord-Frankrijk en die van Finland lopen vertraging op en zijn zeer duur. De discussie over Oosterweel – een project van 3 miljard euro– duurt nu al zo lang. Het kostenplaatje van een kerncentrale is het veelvoud hiervan. De bouw duurt zo’n 10 tot 15 jaar, nadat er een draagvlak is gecreëerd.’

Vandenbulcke vindt het ook van  essentieel belang om in eigen land projecten te hebben met deze knowhow van Belgische bodem.

Volgens Vandenbulcke maakt hernieuwbare energie onmiskenbaar deel uit van de energiemix voor de toekomst en offshore heeft daarin een essentiële rol te spelen. ‘Denemarken, Duitsland of Nederland zetten daar volop op in.’

GeoSea is momenteel betrokken bij het offshore project Merkur in Duitsland maar voor Vandenbulcke is het ook van essentieel belang om in eigen land projecten te hebben met deze knowhow. ‘Hier in België hebben wij onze vertrouwde partners, je kan meer experimenteren met innovatie. Het zou ook onverstandig zijn die thuismarkt van 2200 MW niet uit te bouwen.’

Bovendien, volgens een studie die Climact, verbonden aan de KULeuven en de UGent,  deed in opdracht van GeoSea, zou de offshore industrie in België 16.000 permanente banen kunnen opleveren.’

De offshore industrie kan 16.000 permanente banen opleveren.

‘Wij vragen dus dat er een beleid zou gemaakt worden vanuit een langetermijnvisie. Het bouwen zelf duurt 4 tot 5 jaar en ook de banken willen dat investeerders zekerheid kunnen hebben.’

Het omstreden atol

Om de grote energieproductie, die er voor de toekomst nog zal aankomen, ook te kunnen opslagen, wordt er gediscussieerd over de mogelijke aanleg van een energie-atol, ook wel de “donut” genoemd, voor de kust van Den Haan.

Het idee is de overproductie van windenergie hier op te slaan in een pompsysteem, om dan bij te lage productie het water weer te kunnen oppompen en via een systeem van waterkracht opnieuw energie te genereren –een systeem dat al functioneert bij de watervallen van Coo.

Onlangs liet staatssecretaris voor de Noordzee Bart Tommelein weten dat hij een negatief advies voor het project wil geven omwille van de twijfelachtige economische haalbaarheid. Vraag is of hiermee de verdere uitbouw van de offshore in het gedrang komt.

Volgens Luc Vandenbulck zal de uitbouw van de parken niet van het atol afhangen. Wel is het zo dat meer offshore wind ook meer opslagcapaciteit noodzakelijk maakt en voor meer energiezekerheid kan zorgen.

Het is beter opslagcapaciteit in België te hebben, in plaats van overproductie in het buitenland op te slaan.

Vandenbulcke: ‘Je kan zeggen dat er in Europa voldoende opslagcapaciteit is, wanneer je denkt aan de stuwmeren in Noorwegen en in Frankrijk. Maar ook hier is het beter dit in België zelf te hebben, in plaats van de overproductie eerst naar het buitenland te sturen en dan weer terug te halen.’

Ook Elia reageert in die lijn. Woordvoerster Kathleen Iwens: ‘Hoe meer hernieuwbare energie in het systeem, hoe belangrijker het aspect van flexibiliteit is (de mogelijkheid om met hoogtes en laagtes in de stroomproductie om te gaan). Dat is voor een deel de verantwoordelijkheid van de producenten en de leveranciers, maar Elia zorgt voor de verdere uitbalancering van de stroom.’

Wereldprimeur

De initiatiefnemer van het atol is het consortium THV iLand, dat bestaat uit waterbouwfirma’s DEME en Jan De Nul, energiespeler Electrabel en publieke investeringsmaatschappijen PMV en SRIW-Socofe. Bedoeling is een eiland voor energieopslag te realiseren ter hoogte van de Wenduinebank. Het project is een innovatief antwoord op de snel stijgende nood aan flexibiliteit in het elektriciteitssysteem, ten gevolge van de overschakeling naar hernieuwbare energiebronnen zoals zon en wind. iLand zou ook een wereldprimeur zijn dat het imago van België in de sector kan versterken. 

Volgens het consortium zelf is deze opslagcapaciteit absoluut noodzakelijk: zowel de uitbreiding van Coo, de zogenaamde Coo3 (600 MW), als het iLand (550 MW) zijn belangrijk om de extra flexibiliteit te garanderen van 3 GW tegen 2025 en 4 GW tegen 2030. 

Voor Elia is vooral het garanderen van de flexibiliteit belangrijk. Woordvoerster Kathleen Iwens: ‘Hoe meer hernieuwbare energie in het systeem, hoe belangrijker het aspect van flexibiliteit is (de mogelijkheid om met hoogtes en laagtes in de stroomproductie om te gaan). Dat is voor een deel de verantwoordelijkheid van de producenten en de leveranciers, maar Elia zorgt voor de verdere uitbalancering van de stroom.’

© Deme

Offshore: noodzakelijk of onnodig duur?

Windturbines op zee zijn hoger en krachtiger dan die aan land en draaien daarom met een hoger rendement. Windenergie op land is belangrijk voor de decentrale voorziening van particuliere consumenten, zo is de redenering, terwijl offshore windparken, met het potentieel dat daarin verscholen ligt, een cruciale factor zijn om de industrie en grootverbruikers van hernieuwbare energie te voorzien.

Volgens het Belgische Offshore Platform (BOP) is de bijdrage van de offshore windenergie onmisbaar wil België zijn klimaatplan realiseren. De helft van de doelstelling voor hernieuwbare energie (13 procent tegen 2020) zou moeten komen van offshore productie, zo stelt het Memorandum van het BOP.

De grote nutsbedrijven willen de markt in hun handen houden.

Aviel Verbruggen, milieu-econoom en energiespecialist, plaatst evenwel kanttekeningen, zowel bij het atol als bij massale offshore energie-ontwikkeling. Verbruggen: ‘Grootschalige offshore parken is wat de grote energiebedrijven willen. Ze merken ook dat er een verschuiving plaats vindt naar hernieuwbare energie en willen die markt in hun handen houden.’

‘Maar die structuur van grootschalige parken beantwoordt nog steeds aan de visie van “power on command” uit het verleden. Dat is het Britse model dat werkt met de grote nutsbedrijven, die hun activiteiten integreren. Duitsland kiest echter voor een meer gedecentraliseerde aanpak, om de energie, die overal in de natuur aanwezig is, ook overal, decentraal, te produceren en te consumeren.’

Ook over het nut van een atol heeft hij zijn twijfels vooral op het vlak van energetische rentabiliteit, terwijl men in Coo dit systeem beter kan inpassen in het landschap. ‘Ik vrees dat het atol na enkele jaren omgebouwd wordt naar een kunstmatig eiland voor om het even welk vergezocht project. Het atol niet bouwen is beter dan het wel bouwen.’

Energie voor allen kan alleen als men gedecentraliseerd werkt.

Verbruggen: ‘Als je de ontwikkelingslanden tegen 2050 hernieuwbare energie wil geven, zoals de VN-campagne Energy4All stelt, dan moet je dat doen met decentrale opties. In Afrikaanse landen kan men zonnepanelen op de daken installeren, of  wind en waterkracht exploiteren. Maar deze landen kunnen geen offshore parken bouwen. De grote nutsbedrijven willen de markt naar hun hand zetten, dat is de politieke economie van deze evolutie. Als wind in handen is van de plaatselijke entiteiten, is windenergie iets heel anders.’

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.