Europese politiek zonder Europese media

Media en de Europese Unie: het is een moeilijk huwelijk. De nationale pers lust de EU vaak niet. De weinige pan-Europese initiatieven blijven worstelen met kinderziektes. En de instellingen, die weten niet hoe om te gaan met journalisten. Wie zal de vierde macht doen openbloeien op Europees niveau?

  • © EUobserver.com EUobserver is een van de media-inititatieven met een echt Europese opzet. © EUobserver.com

Wolfgang Blau, de directeur voor digitale media bij de Britse krant The Guardian, had een doel voor ogen toen hij zijn keynote speech aanvatte, begin mei in de Sala dei Notari in Perugia: de Europese ziel van journalisten een schop onder de kont geven. De titel van zijn lezing: Nog steeds geen pan-Europees medium. Zijn we gek? De aandacht van de mediamakers en journalisten op deze achtste editie van het Internationaal Festival van de Journalistiek (IFJ) was verzekerd.

‘Hoe kan het zijn dat de EU, de grootste economie ter wereld met meer dan 500 miljoen burgers, waarvan velen welbespraakt zijn in het Engels en velen zich verbonden voelen met Europa, geen enkele grote mediaorganisatie kent die dit publiek bedient?’, vroeg Blau zich af.

 

Verschillende media in Europa hebben in het verleden projecten opgezet die hun verslaggeving over Europa moesten opkrikken. Het meest opgemerkte daarvan is het project-Europa, een alliantie tussen The Guardian, El País, La Stampa, Le Monde, Süddeutsche Zeitung en Gazeta Wyborcza.

Maar, zo merkte Blau op, dit zijn projecten die erop gericht zijn het eigen publiek beter te bedienen en niet zozeer een Europees publiek aan te spreken.

Dat is een gemiste kans, meent de Duitser, die eerder voor Die Zeit Online, Die Welt en ZDF werkte. ‘De Europese burger wil niet liever. Die voelt zich meer dan ooit Europeaan; is doorheen de geschiedenis altijd geïnteresseerd geweest in cultuur in de Europese grootsteden; heeft steeds gesnakt naar nieuws over politiek, economie en – waarom niet – royalty over de grenzen heen.’

‘De euro mag dan nog falen, de Europese Unie zal mogelijk desintegreren in onze levensduur. Maar het culturele hunkeren en smachten naar een sterker, meer eengemaakt, meer democratisch Europa is eeuwenoud.’

Een stoel met drie poten

Blau is niet de eerste die de vaststelling doet. De vraag naar een pan-Europees medium hangt al jaren in de lucht in Europese hoofdsteden en vooral in Brussel. Ooit vroeg toenmalig commissievoorzitter Romani Prodi aan De Persgroep van Christian Van Thillo of ze niet geïnteresseerd waren om een Europese krant te starten. Het zat Prodi en co hoog dat het enige dat in de buurt komt van Europese media Angelsaksische iniatieven zijn zoals The economist of The Financial Times, die van nature veeleer eurosceptisch zijn.

De problematiek is echter breder dan dat. De opkomst van almaar sterkere Europese instellingen wekte het probleem van het “democratische deficit” op. Al sinds de helft van de jaren negentig vraagt de unie zich met de handen in het haar af waarom haar burgers niet willen volgen in de mars naar meer integratie.

Eerste macht, tweede macht, derde macht… en waar blijft die vierde macht?

Sinds het begin van het project worden de burgers hun belangen verdedigd door hun overheden, wat de EU indirect democratisch maakte. Sinds 1979 verkiest de burger het Parlement rechtstreeks en is er dus een meer directe democratische band. Ook voor de Commissie kiezen de nu 28 overheden hun mannetje. En het Hof van Justitie overziet al sinds 1952 het Europese recht.

Eerste macht, tweede macht, derde macht… en waar blijft die vierde macht?

Katjana Gattermann, onderzoekster aan de Universiteit van Amsterdam, bestudeert de aandacht die nationale media schenken aan Europese thema’s. ‘De verslaggeving is relatief constant’, zegt Gattermann. ‘Bij evenementen als een zitting van het Parlement of een Europese Raad in Brussel, brengen de kwaliteitsmedia in de grote Europese lidstaten wel verslag uit.’

Voor nationale media valt Europa ergens tussen de redacties buitenland en binnenland. Bij de Belgische kranten scherpen afwisselend al eens een politieke reporter, een redacteur economie en een buitenlandreporter hun pen als de EU op de agenda staat. ‘Zeker bij commentaren of Britse “editorials”,’ zegt Gatterman, ‘valt het op dat de Europese Unie nu eens onder politiek valt, dan onder economie en een andere keer onder buitenlandberichtgeving. Dat is anders dan tien jaar geleden, toen de EU voornamelijk onder buitenlands nieuws viel.’

En toch valt ook op hoe Europese thematieken steeds in een nationale context ingepast worden. Gattermann’s studies tonen aan dat, als het over Europa gaat, het de nationale Europarlementariërs zijn die de dossiers uit de doeken doen, eerder dan bijvoorbeeld een rapporteur die een groot deel van de politieke verantwoordelijkheid van die dossiers draagt.

Dat effect speelt nog voor de Europese Commissie, aldus Gattermann: ‘Als er een belangrijke mededeling of nieuw voorstel van de Commissie behandeld wordt, is het bijna systematisch de nationale Eurocommissaris die het uitlegt.’ Andere commissarissen of officials blijven buiten schot, tenzij bij een schandaal waarin ze betrokken zijn of een uitzonderlijk dossier waarin zij centraal staan.

Vaak moeten journalisten Europa “erbij nemen”, naast andere taken. De Europese Unie is evenwel een hele boterham, en eigenlijk van nature complexer dan de nationale politiek, gewoon omdat er meer lagen zijn. Bovendien staat het gebeuren iets verder af van de mensen: het vergt dus bijzonder goed ingewerkte journalisten om het Europese werk begrijpelijk en uitdagend naar de mensen te brengen. Als je het goed wil doen, is het best niet iets dat je “erbij doet”.

Ides Debruyne: ‘De Belgische politiek wordt door batterijen journalisten gevolgd in Vlaanderen, de Europese door twee, drie mensen. Die verhouding klopt gewoon niet als je weet hoe machtig de EU is.’

Ides Debruyne is managing director van Journalismfund.eu – het voormalige Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek dat intussen zelf een project is geworden van Journalismfund.eu. Beide initiatieven zijn gericht op het ondersteunen van onderzoeksjournalistiek.

Hij vindt dat de journalistiek zijn democratische plicht niet vervult tegenover de EU: ‘Nationale media zijn gefocust op hun land of regio, op lokale politiek en politici. Dat model laat aandacht voor de EU niet toe. De Belgische politiek wordt door batterijen journalisten gevolgd in Vlaanderen, de Europese door twee, drie mensen. Die verhouding klopt gewoon niet als je weet hoe machtig de EU is. Ook journalisten hebben te weinig de reflex om de Europese dimensie in de nationale politiek te belichten.’

‘De EU zelf wil liever geen kritische stemmen. Waar de Vlaamse en de Nederlandse overheid wel steun geven aan ons Nederlandstalige fonds voor onderzoeksjournalistiek, weigert de Europese Commissie hetzelfde te doen voor Europese onderzoeksjournalistiek. Ze hebben er op een bepaald moment nochtans aan gewerkt, maar toen bleek dat ze de zaak niet onder hun controle zouden kunnen houden, zijn ze ermee gestopt. Ze zijn kennelijk bang voor kritiek. Ze snappen niet hoe belangrijk journalistiek is om het publieke debat te voeden. Ik hoor journalisten dan zeggen: Europa is niet sexy maar sinds wanneer is macht niet sexy? Het is de opdracht van journalisten om het sexy te maken.’ 

De waakhonden van de instellingen, die dag in dag uit de Commissie of het Parlement onder de loep nemen en ter verantwoording roepen, zijn dan eerder het legertje nationale correspondenten dat rond het rondpunt Schuman gevestigd is. Zij zijn elke middag te vinden in de persbriefings in het Commissiegebouw, in commissiezittingen in het Parlement of op een receptie van één van de talrijke belangenorganisaties die Brussel rijk is.

De Europese Commissie registreert hoeveel dergelijke eurocorrespondenten toegang hebben tot de Europese beleidsmakers. De cijfers tonen dat dat aantal sinds het begin van dit millennium niet erg meer veranderd is. 2005 kende een record aantal inschrijvingen toen 1031 journalisten in de instellingen rondwaarden. Toen waren er 2,2 eurocorrespondenten per miljoen EU-burgers. Algemeen ligt het aantal ondertussen al ruim 12 jaar tussen 900 en 1000 correspondenten en sinds 2007 registreerde de Commissie telkens minder dan 2 eurocorrespondenten per miljoen EU-burgers.

Het aantal burgers bleef intussen echter wel groeien. Toen tien nieuwe lidstaten in 2004 tot de EU toetraden, steeg het aantal burgers in één klap met 20 procent. In 2007 kwamen daar nog eens 29 miljoen Roemenen en Bulgaren bij. In 2013 nog eens 4,3 miljoen Kroaten. Bovendien kreeg de EU door het Verdrag van Lissabon meer bevoegdheden. En door de eurocrisis zette de EU nog eens een megastap vooruit inzake macht. Voortaan moeten lidstaten nu zelfs hun begroting – toch de belangrijkste beslissing van elke nationale regering – voorleggen aan de EU. Toch vinden media het kennelijk niet nodig om die machtigere EU met meer mensen op de voet te volgen, of er meer aandacht aan te besteden.

De afgelopen jaren is de invloed van de EU systematisch uitgebreid, onder meer via het verdrag van Lissabon en door de eurocrisis. Toch heeft die evolutie niet geleid tot meer aandacht voor Europees nieuws.

 

De Belgische academici Marc Hooghe, Stefaan Walgrave en Julie De Smedt stelden vast dat de aandacht voor de EU op de journaals van de Vlaamse tv-zenders Eén en VTM tussen 2003 en 2010 niet noemenswaardig is toegenomen. ‘Van de meer dan 700 uren die de laatste acht jaar in het Vlaamse tv-nieuws aan politiek werd besteed, gingen slechts vijftig uren naar het Europese beleidsniveau. (…) De afgelopen jaren is de invloed van de EU systematisch uitgebreid, onder meer via het Verdrag van Lissabon en bij de eurocrisis. Toch heeft deze evolutie niet geleid tot meer aandacht voor Europees nieuws. Doorheen de tijd is er nauwelijks evolutie vast te stellen: de EU is gewijzigd maar de Vlaamse nieuwszenders niet.’

 

Voor pan-Europese media hapert de connectie

Sinds de jaren negentig hebben organisaties geprobeerd het vacuüm op te vullen dat nationale media achterlieten, door een sterke televisiezender, nieuwswebsite, krant of radiostation op te richten die de actualiteit rond Europese zaken en regelgeving van dichtbij bekijkt.

De televisiezender Euronews werd in 1993 opgestart. Cijfers van 2014 geven aan dat de zender beschikbaar is voor 199 miljoen burgers in Europa. De gemiddelde Belg komt er al eens terecht bij het zappen door de resem kanalen.

EurActiv, een nieuwswebsite gespecialiseerd in EU-berichtgeving, schrijft al sinds 1999 over het reilen en zeilen in Brussel en Europa. De European Voice, een wekelijkse krant over de actualiteit rond Europese zaken die onlangs door The Economist Group werd overgelaten aan de Franse telecomgroep Selectcom, doet dat al sinds 1995. Euranet is een koepelorganisatie van publieke en private radiozenders in Europese lidstaten, die gezamenlijk verslaggeving uitwisselen en daarmee naar eigen zeggen 20 miljoen luisteraars bereiken op dagelijkse basis.

Tot voor kort hoorde ook Presseurop.eu in dit lijstje thuis. De pan-Europese website werd in 2009 opgericht en moest voor kruisbestuiving zorgen tussen de Europese nationale media.
4,5 jaar lang vertaalde de redactie in Parijs artikels uit een tweehonderdtal kranten en media in tien Europese talen. De Commissie ondersteunde het project financieel. Tot in december 2013 de geldkraan dichtging en Presseurop.eu noodgedwongen de boeken moest sluiten. ‘Het is een trieste week voor de “Europese publieke sfeer”,’ schreef de vooraanstaande blogger Kosmopolit er toen over.

EUobserver, New Europe, ViEUws, Europe’s World… De lijst Europese media-initiatieven is lang. Het opzet is vaak een waarachtige Europese aanpak: multilinguaal, transnationaal, met aandacht voor de verzuchtingen van burgers in verschillende lidstaten. ‘We werken met een meertalige en multinationale groep van journalisten,’ vertelde Lucian Sârb, directeur nieuws bij Euronews, hierover in een eerder interview. ‘Als we over de PIGS-landen (Portugal, Italië, Griekenland en Spanje) berichten, doen we dat voor de burgers in die landen, maar het is ook relevant en belangrijk voor andere Europese burgers. Dat is een test die we op elk verhaal toepassen dat op onze agenda komt.’

De meest vooraanstaande organisaties zetten de voorbije maanden ook hun schouders onder de “presidentiële debatten” die de campagne voor de Europese verkiezingen in mei moeten opluisteren. De eerste twee van deze debatten, die de topkandidaten voor de post van Commissievoorzitter tegenover elkaar plaatsen, tonen echter ook de mankementen aan.

Een verbaal steekspel is niet hetzelfde als dat elke kandidaat in een andere taal dan zijn moedertaal moet debatteren – iets wat in Maastricht op het “eerste presidentiële debat ooit” voor de Luxemburgse christen-democraat Jean-Claude Juncker zuur opbrak. En toen Euranet tijdens hun “Big Crunch” debate, de dag nadien, poogde om ook nationale correspondenten in de Europese hoofdsteden een vraag af te laten vuren, bleek dat technisch een brug te ver.

De “staatstelevisie” van de EU

Een aanhoudende kritiek op deze media-initiatieven is dat ze allen erg afhankelijk zijn van financiering van de Europese instellingen zelf.

Ondertussen investeert de Europese Unie ook jaar na jaar meer in haar eigen communicatie. Die beperkt zich niet meer tot tijd vrijmaken voor journalisten of de plenaire sessies van het Europees Parlement live-streamen. Zowel EuroparlTV als Europe by Satellite (EbS), twee diensten opgezet om informatie te verspreiden over de Unie, produceren al lang meer dan gewoon ruwe beelden; ze maken ook volledige reportages over het werk in Brussel en de EU-lidstaten.

Des te meer de EU integreerde, des te minder de instellingen weten wat te vertellen aan de burgers.

‘Het doel vandaag is de burger rechtstreeks te bereiken met de communicatie’, vertelt Michael Malherbe, docent communicatie aan de Sorbonne-universiteit in Parijs en auteur van de gerenommeerde blog lacomeuropeenne.fr. ‘Alleen: de resultaten zijn er niet. Het is een geprofessionaliseerde communicatie, maar er is een groot gebrek aan boodschap. Des te meer de EU integreerde, des te minder de instellingen weten wat te vertellen aan de burgers. Gevolg: ze haken af.’

Het deugt niet, aldus de critici. Onlangs nog vertelde internetondernemer Andrew Keen een zaal vol EU-intimici dat Europese politiek de ultieme sociale media-afknapper is: ‘Als je Europese politiek op sociale media brengt, schakelen de mensen je gewoon uit. Het Europees Parlement heeft geen plaats op Facebook.’

Hoogleraar journalistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) Jeroen Smit gaf in januari topfiguren van de Europese Commissie zijn ongezouten mening. ‘Als je al het geld dat naar communicatie gaat in ondersteuning voor de media investeert, red je meteen ook de onafhankelijke journalistiek in Europa. Die gaat nu zachtjes aan kapot en we creëren een substantieel probleem voor onze democratie’, zei hij op een conferentie van Future Media Lab in Brussel.

Het is een hyperkritische blik op pogingen van de Europese instellingen om de weg naar het rijk der burgers te vinden. Daarbovenop maakt de Europese Commissie zich ook schuldig aan een ietwat knullige manier van om te gaan met de vierde macht. De regels hangen gespijkerd op een plakkaat op de kelderverdieping van het Commissiegebouw: “on the record” kan toegeschreven worden aan een woordvoerder of official; “off the record” mag in de mond worden gelegd van ‘een bron bij de Commissie’; “background” ten slotte mag op geen enkele manier naar de Commissie verwijzen.

Eurocommissarissen hanteren die code handig. Kom je ergens in een stuk een uitspraak tegen die geattribueerd is aan ‘een anonieme bron bij de Commissie’, dan kan je er vaak van op aan dat die bron de commissaris zelf is. De regels op zich verbazen niemand in de journalistiek. Woordvoerders en ministers overal ter wereld hanteren die. Het is een ongeschreven wet voor journalisten. Alleen: in Brussel valt die wet ook zwart op wit te lezen en wordt hij erg vaak aangehaald door beleidsmakers. Het gevolg is dat geen lezer of kijker uiteindelijk nog weet wie verantwoordelijk is. 

‘De aanpak die de Commissie hanteert met media is niet echt matuur’, zegt Malherbe. ‘Ze zien journalisten als een kanaal om hun beeld van het beleid de wereld in te sturen. Niet als een onafhankelijke en noodzakelijke tegenkracht.’

Volgens de Franse docent-blogger ontbreekt het de communicatie-professionals in Brussel ook aan vernuft in de omgang met media: ‘Iedereen heeft toegang tot dezelfde informatie. Alles staat online. Daardoor is het voor journalisten moeilijk om iets gedaan te krijgen: er is niet echt een strategie in het uitdelen van primeurs of in het vrijmaken van informatie.’

De pre-moderniteit? 

Gattermann voert momenteel ook een grootschalige studie naar de aandacht van media voor de campagne van de Europese verkiezingen in mei. ‘Die is aanzienlijk’, zegt ze, hoewel het voor resultaten nog even wachten blijft.

Hebben we daardoor een meer eengemaakt perslandschap in Europa? Gatterman: ‘Nationale media zullen altijd gebonden zijn aan hun eigen grenzen, maar het is frappant dat kranten in allerhande lidstaten vandaag dezelfde aandacht besteden aan die verkiezingen en dat ze daarvoor zelfs vaak dezelfde insteek nemen voor hun stukken. Vergelijk het met regionale kranten versus nationale kranten: ook die eerste hebben hun eigen insteek, maar kijk naar het nieuws en je ziet geregeld een erg grote overeenkomst met de nationale publieke sfeer.’

Vandaag vervullen The Financial Times en The Economist de rol van tegenmacht in de Europese democratie. Zij zijn de enigen met aanzienlijke impact, maar zij maken deel uit van de elite, het zijn geen “populaire media”. 

Regionale kranten zijn minder in staat een echt publiek debat te organiseren of om de EU echt te controleren op wat ze doet en laat. Ze hebben hoe dan ook niet de impact die een echte Europese krant zou hebben.

‘Om het vanuit Frans perspectief uit te leggen: in het ancien régime maakten de tegenkrachten in de Franse samenleving ook deel uit van de elite’, steekt Malherbe van wal. ‘Vandaag vervullen vooral kranten en magazines als de Britse Financial Times of The Economist de rol van tegenkracht in de Europese democratie: zij hebben een grote bijdrage aan het vormen van een publiek bewustzijn; zij zijn de enige met een aanzienlijke impact. Maar ze maken deel uit van een elite; het zijn geen “populaire media”. We zitten dus ergens in de pre-moderniteit als het op controle van de vierde macht aankomt.’

Het klopt dat het publiek van deze media in belangrijke mate uit zakenmensen en Europese bestuurders bestaat en dat de oriëntatie van deze media derhalve ook niet “neutraal” is, voor zover zoiets al zou bestaan.

Bovendien zijn Angelsaksische media sowieso veeleer eurosceptisch: ten tijde van de eurocrisis vond je er nog maar weinig believers in de eenheidsmunt. Een Europees medium vertrekt dan misschien best niet vanuit een Britse (zaken)achtergrond maar moet noodgedwongen wel met het Engels werken omdat dit nu eenmaal de taal is die het meest gekend is. Toch spreken lang niet alle Europeanen Engels.

Een Europees medium dat echt voor alle Europeanen verstaanbaar is, is gezien de aard der Europese dingen sowieso al moeilijker te realiseren. Mocht de business case voor een Europese krant zo voor de hand liggen, dan was ze er wellicht al lang geweest. Als de markt het niet (alleen) kan, dan moet er misschien naar gemengde financieringsbronnen gezocht worden, met naast private ook publieke en nonprofitmiddelen.

Journalismfund.eu wil daar zijn steentje toe bijdragen door middelen aan te trekken bij stichtingen, overheden en zelfs private bedrijven. ‘Wij zorgen voor een hermetische muur tussen de financiers en de journalisten’, zegt directeur Ides Debruyne. Hij ziet dat er vooral van benedenuit enkele hoopvolle tekenen komen. ‘Het zijn eerder journalisten dan klassieke media die het initiatief nemen: ik zie dat er netwerken van onderzoeksjournalisten ontstaan in en tussen landen. Zij kunnen hun ei soms alleen kwijt bij alternatieve media zoals MO*. Samen beseffen die welk enorm terrein er journalistiek braak ligt met de Europese politiek.’ 

Maar de weg is nog lang. De Amerikaanse schrijver Arthur Miller schreef in 1961 dat ‘een goede krant een natie is die met zichzelf praat’. Sindsdien is de natie niet meer wat ze geweest is maar het Europese “demos” lijkt voorlopig nog in stilte gehuld.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift