Maatregelen voor gelijke kansen in Vlaanderen worden teruggeschroefd

Gelijke kansen, of apart onderwijs voor rijk en arm?

© Reuters / Vincent Mestz

Kansarme kinderen komen, zeker in België, vaker in het beroeps-, technisch of buitengewoon onderwijs terecht. En dat ligt niet aan hun intellectuele capaciteiten.

‘Toen ik twee was, kwam ik in een instelling terecht omdat mijn mama niet voor mij kon zorgen’, vertelt Sheila. ‘Ik belandde in drie verschillende pleeggezinnen, steeds in een andere regio, wat ook betekende dat ik telkens van school veranderde. Ik begon mijn middelbare school in een technische richting. Goed ging dat niet, want ik werd gepest. Bovendien verhuisde ik op een gegeven moment van mijn pleeggezin terug naar mijn biologische moeder, die het financieel moeilijk had.’

‘Datzelfde jaar ben ik op internaat gegaan. Ik had te veel problemen en veranderingen in mijn leven om me op school te kunnen focussen. Het interesseerde me niet meer en ik had geen zin meer om mijn best te doen.’

‘Zo belandde ik in de beroepsrichting verzorging. Maar midden in het schooljaar werd ik ernstig ziek en kon ik niet meer vaak naar school gaan. Daardoor kreeg ik een depressie. Op school werd ik niet gesteund. Voor mijn leerkrachten en medeleerlingen was mijn situatie niet normaal. Het was iets wat zij zich niet konden inbeelden en daarom concludeerden ze dat ik niet echt ziek was. Ik “deed maar alsof”. Toen besliste ik met school te stoppen.’

Een op de vijf Belgische jongeren verlaat de middelbare school zonder diploma.

Sheila is niet alleen met haar negatieve schoolervaring. België is namelijk een van de slechtste leerlingen van de klas wat betreft gelijke kansen in het onderwijs, volgens het PISA-onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Het onderwijs in België is op maat van de middenklasse en slaagt er niet in leerlingen in kansarmoede mee te krijgen (het onderwijstijdschrift Klasse draaide daar in 2010 al deze reportage over). Veel meer dan in andere landen bepaalt je sociaal-economische status bij ons in welke studierichting je terechtkomt.

Zo komen kansarme kinderen vaker in het beroeps-, technisch of buitengewoon onderwijs terecht. Ook of je doorstroomt naar het hoger onderwijs, en of je al dan niet je middelbare school afmaakt, hangt samen met je sociaal-economische status. Een op de vijf Belgische jongeren verlaat de middelbare school zonder diploma.

‘Onderwijs is een grondrecht voor iedereen. Nochtans is de start niet voor iedereen gelijk, ondanks alle inspanningen’, zegt Nele Schroyen, onderwijsmedewerkster bij Netwerk tegen Armoede. ‘Daarom is een decreet voor gelijkeonderwijskansen broodnodig. Het is belangrijk de kloof te dichten via onderwijs. Want goed onderwijs leidt tot een diploma, wat dan weer leidt tot een goede baan en zo ook tot een weg uit de armoede’, zegt Schroyen.

Politiek wil niet

Hoewel er sinds de vroege jaren 2000 steeds meer beleid kwam om de sociale kloof in het onderwijs te dichten, is er nog heel wat werk aan de winkel. Het pakket aan maatregelen
bestaat onder meer uit het gelijkeonderwijskansenbeleid (GOK-beleid), dat extra werkingsmiddelen voorziet voor scholen met kansarme leerlingen, en kosteloos basisonderwijs en de maximumfactuur in het secundair.

Verder zijn er het M-decreet, dat leerlingen met een beperking moet ondersteunen om in het reguliere onderwijs school te lopen, en het inschrijvingsdecreet, om de sociale mix in scholen bij te sturen door bij de inschrijving aan bepaalde profielen voorrang te verlenen.

‘De hervorming van het secundair onderwijs had een van de meest hoopgevende kunnen worden, maar was gedoemd om te mislukken.’

Die maatregelen werpen voorlopig weinig vruchten af, zo blijkt uit het onderzoek van Ides Nicaise (KU Leuven, gespecialiseerd in onderwijs en sociale inclusie). Hij vergeleek de resultaten van het PISA-onderzoek van 2003 met die van 2015.

Hoewel daaruit blijkt dat de kloof in schoolprestaties tussen kansrijke en kansarme leerlingen met een vierde afnam, blijft die kloof groot. De sociaal-economische status van de leerling is nog steeds de belangrijkste voorspeller van de schoolresultaten. ‘Onderwijs is een heel trage molen’, zegt Nicaise. ‘Pas nadat kinderen jarenlang aan een systeem werden blootgesteld, begint men er de vruchten van te plukken.’

‘Een heleboel maatregelen gingen de goede kant op, maar ik vrees dat we nu aan het keerpunt zitten waarop die maatregelen teruggeschroefd worden. Dat is al begonnen onder de vorige regering. De hervorming van het secundair onderwijs had een van de meest hoopgevende hervormingen kunnen worden om het onderwijs te democratiseren’, zegt Nicaise.

De hervorming had tot doel leerlingen pas rond hun veertien jaar te oriënteren naar een bepaalde studierichting, maar werd slechts halfslachtig doorgevoerd. Leerlingen gaan namelijk aan het begin van de middelbare school al naar de A-stroom, die alle opties openhoudt, of naar de B-stroom, die bijna uitsluitend leidt naar beroepsrichtingen.

‘De hervorming was gedoemd om te mislukken, want de N-VA en in mindere mate de liberalen zijn met volle kracht op de rem gaan staan’, zegt Nicaise. Het nieuwe regeerakkoord keldert de hoop op een volwaardige brede eerste graad.

‘De overheersende politieke strekking op dit moment houdt vast aan sociale segregatie en vindt ongelijkheid onbelangrijk.’

Nochtans is net dat volgens Nicaise een van de middelen om de kloof te dichten. Net als het bewaken van de sociale mix, inclusief onderwijs en het terugdringen van zittenblijven. Maar ook het inschrijvingsdecreet en het M-decreet gaan op de schop in het regeerakkoord.

‘Uiteindelijk weten we wat er moet gebeuren om de kloof te dichten, maar het is een kwestie van politieke wil. De overheersende politieke strekking op dit moment houdt vast aan sociale segregatie en vindt ongelijkheid onbelangrijk’, zegt Nicaise.

Kloof in de kleuterklas

Die segregatie begint al in de kleuterklas. ‘Er is nog geen onderwijs voor kinderen in kansarmoede’, zegt ex-schooldirecteur en -leerkracht Albert Janssens, die nu vorming geeft aan leerkrachten over kansarmoede in de klas.

‘Kleuteronderwijzers werken met handboeken waarin staat welke vaardigheden een kind van 2,5 jaar heeft en hoe het zich gedraagt. Maar dat klopt niet voor kinderen in kansarmoede. Als de leerkracht ervan uitgaat dat kinderen de basis al hebben in plaats van te vertrekken van de reële situatie, dan begint de kloof daar al en wordt ze enkel breder’, zegt Janssens.

Dat kansarme kleuters al met een achterstand beginnen, heeft meestal niet zozeer te maken met hun intellectuele capaciteiten of die van hun ouders, maar wel met de sociaal-economische situatie van het gezin. Ouders zijn vooral bezig met overleven. Kinderen kunnen zich vaak minder goed concentreren omdat ze onder stress staan. Kleine woningen maken dat kinderen weinig ruimte hebben om te bewegen en te spelen.

Kleuteronderwijzers hebben vaak erg grote klassen voor zich. Bovendien is een deel van de kinderen in een instapklas nog niet zindelijk. Leerkrachten zijn hun klas vaak meer aan het managen dan dat ze de kleuters echt iets kunnen bijleren.

Kleuters krijgen op school niet genoeg oefenkansen. Zo bleek uit onderzoek van de UGent dat kansarme kleuters veel minder kansen krijgen om taal te oefenen. Kleuters moeten vaak in stilte wachten en instructies opvolgen. Het zijn de kleuters die al mondig en assertief zijn die de aandacht van de leerkracht kunnen trekken, en zo in gesprek kunnen gaan. Minder taalvaardige kinderen zeggen vaak de hele dag geen woord en ontwikkelen hun woordenschat dus niet.

Arm? Naar het buitengewoon onderwijs

Bovendien wordt in de kleuterklas ook al snel een oordeel geveld over de mogelijkheden van kinderen. ‘Talenten zijn bij kinderen moeilijk te meten of te ontdekken. En wat men dan meent te zien als talenten zijn in feite zeer sterk sociaal bepaalde mogelijkheden’, zegt Ides Nicaise. ‘Op jonge leeftijd zijn de talenten van kinderen vooral bepaald door het milieu waarin ze opgroeien. Als je op basis daarvan kinderen gaat selecteren, dan betonneer je in feite de sociale herkomst als criterium voor succes in het onderwijs.’

Zo begint de schoolse segregatie al vroeg met de doorverwijzing van kleuters naar het buitengewoon onderwijs. ‘Mijn zoon was vijf toen het CLB zei dat hij naar het buitengewoon onderwijs moest’, vertelt Sarah Lampen. Lampen groeide zelf op in armoede en is nu jeugdwerker bij Betonne Jeugd, een organisatie voor jongeren in kansarmoede.

‘Ouders zijn vaak ook niet goed op de hoogte van hun rechten. Zo stelde het CLB het voor alsof het een vaststaand feit was dat mijn zoon naar het buitengewoon onderwijs moest. We wisten niet dat we daar mee over konden beslissen.’

Kinderen in armoede lopen vijf tot zes keer meer kans om naar het buitengewoon onderwijs doorverwezen te worden.

‘Mijn zoon heeft een autismespectrumstoornis. Dat maakt het wat moeilijker in de klas, en leerkrachten staan al erg onder druk. Maar intussen zit hij opnieuw in het reguliere onderwijs en hij doet het prima. Niet elk kind ontwikkelt zich even snel, en toch moeten ze allemaal dezelfde eindtermen halen. Idealiter hebben we kleinere klassen waarin ook ingezet wordt op de talenten van snellere kinderen. Zij zouden bijvoorbeeld de leerstof kunnen uitleggen aan kinderen die er minder snel mee weg zijn’, zegt Lampen.

Kinderen in armoede lopen vijf tot zes keer meer kans om naar het buitengewoon onderwijs doorverwezen te worden, blijkt uit verschillende onderzoeken van onder meer Unicef en de KU Leuven. Het buitengewoon onderwijs bestaat voor 77 procent uit kinderen uit arbeidersgezinnen. Ook kinderen uit een eenoudergezin worden vaker doorverwezen naar het buitengewoon onderwijs.

Net die schoolse segregatie, waarbij 85 procent van de meer gegoede leerlingen in het aso-onderwijs terechtkomen en 85 procent van de kansarme leerlingen in beroeps-, technisch of buitengewoon onderwijs, heeft volgens Nicaise ook een nefast effect op de studieresultaten. De sociale samenstelling van de school heeft een grotere impact op de studieresultaten dan de sociaal-economische status van een individuele leerling, zo bleek uit zijn onderzoek.

Met andere woorden: een kansarme leerling die samen zit met kansrijke leerlingen heeft een hogere slaagkans op school.

GOK-middelen voor middageten

De perfecte modelschool die de sociale kloof weet te dichten, bestaat nog niet. Veel hangt af van individuele leerkrachten en van de directie. Scholen krijgen op basis van hun kansarme leerlingenpopulatie extra financiering die ze kunnen inzetten om extra leerkrachten of ondersteuning voor leerkrachten te voorzien. Maar scholen moeten weinig verantwoording afleggen over wat ze met die middelen doen.

Dat het beleid voorlopig beperkte resultaten boekt, komt deels ook omdat die scholen hun middelen vaak niet juist inzetten. ‘Scholen maken soms met goede bedoelingen rare keuzes’, zegt Nele Schroyen. ‘Zo denken ze soms dat ze door inzamelacties van kleding of door eten te geven in de middagpauze ook aan GOK-beleid doen.’

Scholen zouden hun middelen moeten gebruiken voor maatregelen die met onderwijs te maken hebben. ‘Uiteraard helpt het voor de concentratie als je maag gevuld is, maar zo ben je geen structurele oplossingen aan het zoeken’, zegt Schroyen. ‘Scholen krijgen niet genoeg middelen om én eten te geven én te zorgen dat er remediëring en aangepaste
zorgomkadering is voor hun leerlingen. Het beleidsvoerend vermogen van scholen wordt soms overschat.’

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Volgens Wouter Hennion, directeur van Samenlevingsopbouw Oost-Vlaanderen dat met veel scholen samenwerkt, is het daarom belangrijk dat scholen actief op zoek gaan naar externe begeleiding om een effectief beleid te ontwikkelen.

‘Scholen kunnen de complexe problemen niet langer alleen oplossen. Ze moeten inzien dat samenwerken met externe partners een grote meerwaarde voor hen kan betekenen. Zeker als die partners ook de vrijheid krijgen om het perspectief van een buitenstaander in te brengen en om de meer fundamentele vragen te stellen aan leerkrachten en directies. Enkel zo kunnen de inzichten verbreed worden en kan er daadwerkelijk iets veranderen.’

Verandering ligt nu ook voor een groot deel in de handen van beleidsmakers. ‘Als ik het regeerakkoord lees, dan wordt er sterk ingezet op taalbaden om alles op te lossen’, zegt Nele Schroyen. ‘Thuistaal is nochtans maar een van de factoren.’

Uit verschillende academische onderzoeken blijkt dat een andere thuistaal niet per se schoolse achterstand veroorzaakt. De sociaal-economische status van een gezin doet dat wel. ‘De overheersende politieke strekking op dit moment houdt vast aan sociale segregatie en vindt ongelijkheid onbelangrijk.’

Dit artikel werd geschreven voor het winternummer van MO*magazine. Voor slechts 28 euro kan je hier een jaarabonnement nemen! Je kan ook proMO* worden voor slechts 4 euro per maand. Je krijgt dan ook ons magazine toegestuurd en je steunt daarmee ons journalistiek project. Opgelet: Knack-abonnees ontvangen MO* automatisch bij hun pakket.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2859   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Freelance journaliste

    Na omzwervingen doorheen verschillende jobs in de cultuur- en sociale sector, besliste Ebe dat het hoog tijd was om na te denken over wat ze écht wilde doen.