Genocide tegen Rohingya of nieuw front voor jihadisme?

Analyse

Genocide tegen Rohingya of nieuw front voor jihadisme?

Genocide tegen Rohingya of nieuw front voor jihadisme?
Genocide tegen Rohingya of nieuw front voor jihadisme?

De VN Hoog Commissaris voor de Mensenrechten, Zeid Ra’ad Al Hussein zegt dat de legeracties tegen de Rohingya in Myanmar alle kenmerken vertonen van etnische zuivering - voor zo ver hij kan nagaan, want de Myanmarese regering laat geen VN-onderzoekers toe in de getroffen regio. Intussen is er een hele campagne op gang gekomen om de slachtoffers de schuld te geven van hun eigen verdrukking.

De Rohingya worden al decennia vervolgd en gediscrimineerd in Myanmar, daarover bestaat internationaal geen discussie. Het centrale argument dat de Myanmarese staat gebruikt om deze kleine minderheid haar rechten te ontzeggen, is etnisch.

Volgens de Myanmarese overheid kunnen de Rohingya immers geen Myanmarese staatsburgers zijn, aangezien ze Bengaalse immigranten zonder papieren zijn. Dat argument heeft een breed draagvlak bij de Birmese meerderheid en bij de Rakhine, een etnische minderheid die in dezelfde regio leeft als de Rohingya en net als de Birmese meerderheid boeddhistisch is, terwijl de Rohingya grotendeels islamitisch zijn.

De klemtoon op die religieuze minderheidsstatus is de voorbije jaren steeds belangrijker geworden en polariseert momenteel de berichtgeving

De klemtoon op die religieuze minderheidsstatus is de voorbije jaren steeds belangrijker geworden en polariseert momenteel de berichtgeving over de massale mensenrechtenschendingen. Moslims en islamitische landen wijzen er op dat het geweld tegen de Rohingya ongehinderd zijn gang kan gaan, net omdat de slachtoffers moslims zijn, terwijl partijen en media ter rechterzijde de klemtoon leggen op een vermeend plan om van Rakhine een soort islamistisch kalifaat te maken en op de banden tussen gewapende Rohingyabewegingen en internationale terroristische netwerken genre IS.

CC Evangelos Petratos EU/ECHO (CC BY-NC-ND 2.0)

Rohingya ontheemden uit 2013

CC Evangelos Petratos EU/ECHO (CC BY-NC-ND 2.0)​

De etnische kwestie

Het is niet toevallig dat de VN-Hoge Commissaris voor de Mensenrechten spreekt over etnische zuivering, en niet expliciet de religieuze vervolging aankaart. De Birmezen, die in Myanmar iets meer dan de helft van de bevolking uitmaken maar zowat alle machtsposities in handen hebben, beweren dat er pas in de jaren 1950 sprake was van Rohingya. Dat bewijst volgens hen dat “het volk” in feite Bengalese vluchtelingen waren die het toenmalige Oost-Pakistan ontvlucht waren. In 1992 stelde de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken van de militaire junta dan weer: ‘Myanmar telt 135 national races (etnische volkeren die tot de natie behoren), maar de zogenaamde Rohingya behoren daar niet toe. Al sinds de eerste Anglo-Myanmarese Oorlog in 1824 zijn moslims ons land illegaal binnengekomen. Aangezien zij illegale immigranten zijn bezitten zij geen immigratiepapieren zoals andere nationaliteiten in het land.’

De Birmezen, die in Myanmar iets meer dan de helft van de bevolking uitmaken maar zowat alle machtsposities in handen hebben, beweren dat er pas in de jaren 1950 sprake was van Rohingya

Crimes against Humanity in Western Burma: The Situation of the Rohingyas, een rapport van het Irish Center for Human Rights uit 2010 weerlegt die stelling. De auteurs wijzen erop dat de regio die nu Rakhine heet een onafhankelijk koninkrijk was tot het in 1784 overwonnen en ingelijfd werd door het Birmese rijk. Het grondgebied van dat onafhankelijke Arakan omvatte op bepaalde momenten ook het zuiden van Bengalen en onderhield sowieso nauwe banden met dat rijk aan zijn westgrens. Door Arakan te absorberen, kreeg het boeddhistische rijk van de Birmezen er meteen islamitische onderdanen bij. Aan het hof dienden geleerde moslims uiteraard zonder problemen.

Het feit dat Rakine vroeger Arakan heette, wijst trouwens op het politieke belang van namen in Myanmar -dat tot 1989 Birma heette. Rakhine State is een provincie van het uiterst gecentraliseerde Myanmar. De provincie werd in 1989 door de State Law and Order Council -de naam waaronder de militaire dictatuur na 1988 het land bestuurde- genoemd naar de Rakhine, een etnische minderheid in het land, maar de etnische meerderheid in de provincie.

Arakan, de naam van het historische koninkrijk, werd nog voorafgegaan door namen als Rohang of Roshang. Dat bewijst volgens sommigen dat de naam Rohingya verwijst naar oorspronkelijke inwoners van de regio die nu Rakhine heet. In een artikel dat gepubliceerd werd in 1799 in Asiatic Review schrijft F. Buchanan dat ‘Mohammedanen die zich in Arakan gevestigd hadden het land Rovingaw noemden’.

Volgens de Rohingya dateert de eerste vestiging van moslims in de regio uit de negende eeuw, toen handelsroutes in Zuidoost-Azië zorgden voor een snelle verspreiding van de islam onder handelaars. De Rohingya worden dan ook omschreven als een etnische mix van Belgalen, Perzen, afstammelingen van de Centraal-Aziatische mogols, Turken en Pasjtoenen. Hun taal zou een mengeling zijn van Chittagongees, Birmees, Hindi en Engels.

Als de Birmezen verwijzen naar de relatief recente migratie van Bengalezen, dan verwijzen ze naar de politiek van volksverhuizingen onder de Britten, toen de bevolking van Arakan van 100.000 explodeerde tot een miljoen en meer. Die massale verhuizing van “Indiërs” naar Birma zorgde voor spanningen en de eerste etnische conflicten in de jaren 1930.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog nam de tegenstelling nog toe, aangezien de Rohingya trouw bleven aan het Britse Rijk, terwijl het Birmese verzet, onder leiding van Aung San, de vader des vaderlands én de vader van Aung San Suu Kyi, een overeenkomst sloot met de Japanse bezetters. Tijdens de oorlogsjaren zouden tot 500.000 Rohingyas en andere moslims uit Myanmar hun toevlucht gezocht hebben in Brits Indië. Na de oorlog waren er zelfs Rohingyaleiders die opriepen om hun territorium aan te sluiten bij het pas opgerichte en onafhankelijk geworden Pakistan.

Minderheden, separatisme en meerderheidsbeleid

Myanmar is onderverdeeld in zeven deelstaten en zeven divisies. De deelstaten vormen de buitenrand van het land en zijn grotendeels gebaseerd op de grote etnische minderheden (Shan, Mon, Chin, Kayin, Kaya, Kachin, Rakhine) terwijl de divisies centraal Myanmar uitmaken en telkens een Birmese meerderheid hebben (Sagaing, Yangon, Mandalay, Tanitharyi, Bago, Magwe en Ayeryawady). Het is dus zeker niet zo dat de Rohingya de enige etnische minderheid zijn, en het klopt ook niet dat ze de enige groep zijn die gediscrimineerd wordt of af te rekenen heeft met repressie vanwege het leger.

De strijd tussen etnische minderheden en Birmese meerderheid is eeuwenoud en werd versterkt door het Britse koloniale bestuur

De strijd tussen etnische minderheden en de Birmese meerderheid is eeuwenoud en werd versterkt door het Britse koloniale bestuur. De eerste gewapende opstand –door het Karen bevrijdingsleger– begon al in 1949, enkele maanden na de onafhankelijkheid. In totaal zijn er meer dan 100 etnische groepen en talen in Myanmar. Kleinere volkeren, zoals de Danu, Akha, Kokang, Lahu, Naga, Palaung, Pao, Rohyinga, Tavoyan en Wa hebben geen eigen politiek territorium, al hebben sommigen –zoals de Wa en de Pao– wel eigen gewapende groepen. Ook de Rohingya richtten na de onafhankelijkheid in 1948 een opstandelingenleger op en eisten een onafhankelijke staat.

Die Rohingyastaat kwam er niet. In 1961 tekenden de centrale regering en de Rohingya Mujahid een staakt-het-vuren, maar die overeenkomst werd het volgende jaar verscheurd toen generaal Ne Win aan de macht kwam en elke regionale ambitie gezien werd als een directe aanslag op de integriteit en ontwikkeling van de Unie van Birma als unitaire staat.

In 1982 ontnam de militaire junta de Rohingya’s hun burgerrechten, waardoor zij staatloos werden en niet langer erkend als een officiële minderheid. Sindsdien mogen ze geen land bezitten, geen bedrijf runnen, hun religie niet praktiseren en slechts na goedkeuring trouwen en zich verplaatsen. De toenemende repressie maakte het leven onleefbaar, wat occasioneel ook verzet uitlokte. Zeker na de volksopstand van 1988 ging de militaire junta de “Rohingya-kwestie” gebruiken als afleiding van hun eigen dictatoriale bestuur. De regio werd in toenemende mate gemilitariseerd en dat resulteerde onder andere in 1977, 1982, 1992, 2012 en 2017 in wanhopige volksverhuizingen.

De crisis in 2012 was in feite de culminatie van pogroms die ontstonden in de onduidelijke periode van transitie naar democratisch verkozen bestuur. Dat was ook de periode dat de etnische kwestie in het publieke discours naar de achtergrond verdween en de religieuze identiteit van Rohingya’s de belangrijkste struikelsteen werd. Een van de sleutelfiguren bij de gewelddadige incidenten, waarbij de boeddhistische meerderheid islamitische gebedsplaatsen, huizen en winkels van moslims aanviel, was U Wirathu, een 45-jarige monnik uit het Masoeyein klooster bij Mandalay. In 2003 werd hij al tot 25 jaar gevangenis veroordeeld wegens anti-moslim geweld, maar in januari 2012 kwam hij vervroegd vrij.

Volgens U Wirathu ligt de oplossing van het geweld in een soort gescheiden ontwikkeling, waarbij de moslims en boeddhisten in aparte gemeenschappen leven, school gaan, winkelen, …

Sindsdien lanceerde hij een campagne van boeddhistisch nationalisme, waarbij opgeroepen wordt om niet te kopen in de winkels van moslims en geen handel te drijven met moslims. De campagne loopt onder het getal 969 -in Myanmar is het niet vreemd dat aan getallen mythische kracht wordt toegeschreven. In dit geval staat de eerste negen voor de negen bijzondere kenmerken van de Boeddha, de zes staat voor de zes eigenschappen van de leer van de Boeddha en de laatste negen staat voor de negen bijzondere kenmerken van de boeddhistische monniken. Voor een kenner is dat ook samen te vatten als Boeddha-Dharma-Sangha.

Volgens U Wirathu ligt de oplossing van het geweld -dat hij in de feiten zelf aanvuurt en organiseert- in een soort gescheiden ontwikkeling, waarbij de moslims en boeddhisten in aparte gemeenschappen leven, school gaan, winkelen, … Voor het leger ligt de oplossing in een soort endlösung, de volledige uittocht van de Rohingya naar een islamitisch buurland. Dat verklaart volgens sommige waarnemers ook waarom het leger, na de huidige uittocht van meer dan 300.000 Rohingya naar Bangladesh, landmijnen legt: daarmee zou men hun terugkeer willen voorkomen.

Volgehouden geweld en verdrukking

De eerdere exodus van 2012 leidde ertoe dat toevluchtslanden als Bangladesh, Maleisië en Indonesië steeds strenger gingen toezien op hun grenzen. Leiders van het Arakan Rohingya Salvation Army wijzen dan ook op de totale uitzichtloosheid van die periode om de oprichting van een bevrijdingsleger. Bijkomende factor was dat in diezelfde periode duidelijk werd dat Aung San Suu Kyi voor de Rohingya weinig tot niets zou kunnen of willen doen.

In 2012 kondigde het Rohingya opstandelingenleger zich aan als de Harakah al-Yaqi, vandaag opereren ze onder de naam Arakan Rohingya Salvation Army (ARSA). Volgens een rapport van de International Crisis Group -een van de weinige rapporten uit betrouwbare bron over de gewapende militie- heeft de groep financiële, logistieke en personele banden met het Midden-Oosten. ICG schrijft onder groot voorbehoud dat de leidende figuren uit de groep gevechtservaring of -training zouden hebben in andere conflicten, zoals mogelijk in Afghanistan.

De gewapende militie heeft ‘kennelijk geen religieuze doeleinden, maar zocht wel religieuze legitimatie voor haar aanvallen’

Belangrijk is ook dat ICG schrijft dat de groep ‘kennelijk geen religieuze doeleinden heeft, maar wel religieuze legitimatie gezocht heeft voor haar aanvallen’. Zo verschenen er verschillende fatwa’s van Rohingya en buitelandse geestelijken dat gewapend verzet door de islam gewettigd werd, gezien de staat van verdrukking waaronder de Rohingya leefden. Dat is geen extremistisch standpunt, want het zou wellicht ook de test van Thomistische theologie in de katholieke kerk doorstaan, en ook de oorspronkelijke visie van de Verenigde Naties zorgde voor een wettelijke basis voor gewapende strijd als mensenrechten en nationale zelfbeschikking op volgehouden basis geschonden werden.

De conclusie van het ICG-rapport is dan ook niet dat de internationale gemeenschap afstand moet nemen van de Rohingya omwille van het opduiken van deze gewapende groep, wel dat er dringend een einde gemaakt moet worden aan de uitzichtloosheid en wanhoop die de officiële discriminatie gecreëerd heeft. ‘De reactie van de overheid [op de aanvallen die de groep uitvoerde in 2016] met militair geweld dat geen onderscheid maakt tussen strijders en burgers, met het ontzeggen van humanitaire hulp aan een extreem kwetsbare bevolking met een totaal gebrek aan een overkoepelende strategie die de mensen hoop zou kunnen geven, maakt weinig kans op het uitschakelen van de groep, terwijl het wel het risico vergroot op een verdere geweldspiraal.’

Die voorspelling blijkt in 2017 alvast bewaarheid te zijn in de aanvallen van 25 augustus, waarbij 12 militairen gedood werden. Opnieuw reageerde het leger met collectieve strafmaatregelen, maar op nog grotere schaal en met meer destructief geweld dan vorig jaar. De oproep van mensenrechtenorganisaties om deze strafexpedities stop te zetten en de Rohingya’s als volwaardige burgers te behandelen, is daarom urgenter dan ooit. Wanneer hieraan geen gevolg gegeven wordt, groeit de kans dat de wanhoop binnen Myanmar, maar zeker ook in de vluchtelingenkampen en diaspora daarbuiten aangegrepen wordt door extremistische groepen om te rekruteren en giften te verzamelen om de strijd te financieren en gesofisticeerder te maken.