Goedkope olie laat zich voelen van Teheran tot Caracas

De scherpe daling in de olieprijs sinds midden 2014 heeft verstrekkende gevolgen voor de wereldeconomie, het leefmilieu en de internationale politiek. De meest ingrijpende effecten treden ongetwijfeld op in een aantal olie-exporterende landen, zoals Venezuela, Nigeria en Iran. De budgettaire problemen waarmee deze landen momenteel kampen kunnen ontaarden in sociale en politieke onrust. Tezelfdertijd biedt de goedkope aardolie ook kansen om de binnenlandse economie minder afhankelijk te maken van de grillige petroleumprijzen.

Pixabay (cc0 publiek domein)

 

Ondanks een licht herstel sinds eind januari staat de internationale olieprijs historisch laag. Vandaag kost een vat ruwe Noordzeeolie, de referentie voor het gros van de internationale oliehandel, zo’n 55 dollar. In juni vorig jaar was dat nog meer dan 110 dollar. Op zes maanden tijd is de olieprijs dus gehalveerd.

Het was vreemd dat olieprijzen daalden op het moment dat belangrijke olieproducenten door binnenlandse conflicten en sancties werden geteisterd.

Die prijsdaling kwam voor de meesten als een verrassing. We zijn de laatste jaren gewend geraakt aan olieprijzen die niet alleen zeer hoog waren, maar ook verrassend stabiel. Tussen 2011 en midden 2014 schommelde de olieprijs steevast rond de 110 dollar per vat. Die stabiliteit stond in schril contrast met het rollercoaster jaar 2008 waarin de olieprijs eerst klom tot een recordhoogte van 140 dollar per vat om dan tegen een duizelingwekkende snelheid te duiken naar 30 dollar op slechts enkele maanden tijd.

 

Het was ook vreemd dat de olieprijzen daalden op het moment dat belangrijke olieproducenten door binnenlandse conflicten – Libië, Soedan, Irak, Nigeria en Syrië – en sancties – Iran en Rusland – werden geteisterd.

De Libische, Iraakse en Nigeriaanse olieproductie heeft zich wel goed staande weten te houden te midden van de onrust, maar toch waren er vanaf 2013 onvoorzien meer dan drie miljoen vaten olie van de markt. Doorgaans jagen zo’n politieke conflicten de oliehandelaars de stuipen op het lijf en zien we de olieprijs stijgen in plaats van dalen.

Er doen dan ook allerhande complottheorieën de ronde over de oorzaken van de crash in olieprijzen. Zo zou er een geheim akkoord zijn tussen de Verenigde Staten en Saoedi-Arabië om hun aartsvijanden Rusland en Iran te treffen, met wie ze nu al een proxy oorlog uitvechten in Syrië. Een andere, meer populaire theorie heeft het dan weer over een prijzenoorlog tussen de Saoedische oliesjeiks en de Amerikaanse fracking bedrijven.

De meest voor de hand liggende verklaring voor de olieprijsdaling is echter de wet van vraag en aanbod. Groeivertragingen in de eurozone en China zorgden ervoor dat de vraag naar olie lager uitviel dan verwacht, terwijl in de achtergrond de schalieproducenten in Noord-Amerika jaar na jaar hun productie opschroefden.

Eind 2014 was de Amerikaanse olieproductie 80% hoger dan in 2008. Zo kwam er een volume van 4.1 miljoen vaten aardolie extra op de markt, meer dan wat elk OPEC-lid behalve Saoedi-Arabië produceert. Deze extra injectie kwam ongeveer overeen met de productieverliezen elders.

De olieprijsstabiliteit van 2011 tot midden 2014 was dus puur toeval, en maskeerde in feite tektonische verschuivingen aan de productiezijde. Achteraf bekeken was deze periode niets anders dan de stilte voor de storm.

OPEC tussen hamer en aambeeld

De non-beslissing van OPEC duwde de olieprijs nog verder naar beneden en legde een oud schisma bloot.

Wanneer de 12 leden van het OPEC-kartel eind november bijeenkwamen, stonden ze voor een pijnlijk dilemma. Ofwel verlaagden ze hun productieplafond, maar dan zouden ze in feite de Amerikaanse schalieproducenten subsidiëren. Ofwel deden ze niets, maar dan zou de begroting van een aantal kartelleden (nog meer) in de rode cijfers worden geduwd. Onder druk van Saoedi-Arabië, de informele leider van OPEC, werd gekozen voor de tweede optie.

De beslissing (of beter: non-beslissing) van OPEC duwde de olieprijs nog verder naar beneden en legde een oud schisma binnen de olieclub bloot: de tegenstelling tussen de zogenaamde ‘duiven’ en de ‘haviken’.

De duiven hebben grotere en goedkopere oliereserves, kleinere populaties, en grotere financiële reserves dan de haviken. Saoedi-Arabië en de Golfstaten zijn hier de belangrijkste exponent van. Zij denken vaker aan hun marktaandeel op lange termijn en kunnen veel beter een lage-prijsperiode doorstaan.

Dat is een luxe waarover de haviken, waaronder Iran en Venezuela, niet beschikken. Zij willen een zo hoog mogelijke olieprijs om hun inkomsten te maximaliseren. Ook al zijn de haviken in de numerieke meerderheid, de duiven hebben de grootste reserves en de meeste invloed op de beslissingen.

Voor wie de jaren 1980 bewust heeft meegemaakt, komt de huidige situatie op de oliemarkten trouwens over als een déjà vu. Ook toen stortte de olieprijs in ten gevolge van een overaanbod op de oliemarkten. OPEC probeerde het tij te keren met productiequota, maar die werden in de praktijk enkel door Saoedi-Arabië opgevolgd.

Na vijf opeenvolgende jaren van krimpend marktaandeel, was het geduld van Saoedi-Arabië in 1986 op. Riyad besliste toen om de oliekraan volledig open te draaien, met ingrijpende gevolgen. Pas in 2005 zou de reële olieprijs (gecorrigeerd voor inflatie) zich herstellen naar het niveau van voor de crash van 1986.

De Arabische landen als strategische winnaars

Dankzij hun lage productiekosten zullen Saoedi-Arabië en de Golfstaten marktaandeel winnen.

De ervaringen uit de jaren 1980 hebben ongetwijfeld meegespeeld in hoofde van Saoedi-Arabië bij de laatste OPEC-vergadering in november. De nieuwe Saoedische koning Salman heeft al laten weten dat hij de lijn verderzet, ook al is het beleid om marktaandeel te verdedigen controversieel in eigen land. Saoedi-Arabië mag dan wel beschikken over lagere productiekosten en een veilige buffer van meer dan 700 miljard petrodollars, toch zullen ook zij last ondervinden van de olieprijsdaling. Het koninkrijk heeft een olieprijs nodig van 104 dollar per vat om de begroting in evenwicht te krijgen. Een aantal kleinere Golfstaten doen het op dit vlak beter, zoals de Verenigde Arabische Emiraten (77,30 dollar), Qatar (60 dollar) en Koeweit (54 dollar).

De reden waarom Saoedi-Arabië zo’n hoge olieprijs nodig heeft, is dat het land sinds de Arabische Lente allerhande uitgaven heeft verhoogd: de sociale uitgaven, de militaire uitgaven (in 2013 sprong Saoedi-Arabië naar de vierde plaats wereldwijd na de Verenigde Staten, China en Rusland), en de buitenlandse hulp in de regio – onder andere aan Egypte onder Al-Sisi, Jordanië, Bahrein, Jemen en Syrische oppositiegroepen.

Luttele uren nadat de Egyptische generaals een coup hadden gepleegd in Cairo tegen de Moslimbroederschap in 2013, stonden Saoedi-Arabië en de VAE bijvoorbeeld al klaar met een hulppakket van 12 miljard dollar – ongeveer 10 keer meer dan de Amerikaanse steun voor het Egyptisch leger.

Op lange termijn komen Saoedi-Arabië en de Golfstaten waarschijnlijk als strategische winnaars uit de lage olieprijsperiode. Dankzij hun lage productiekosten zullen ze marktaandeel winnen. Bevriende regimes in Egypte, Marokko, Tunesië en Jordanië zullen een goedkopere factuur krijgen voor de olie die ze importeren, terwijl rivaal Iran klappen zal krijgen. De terreurgroep Islamitische Staat, die een groot deel van haar inkomsten uit illegale oliesmokkel haalt, ten slotte, zal haar inkomsten zien dalen.

De verliezers: Venezuela, Iran en Nigeria

Venezuela – het land dat volgens BP de grootste oliereserves ter wereld heeft – wordt gezien als het meest kwetsbare van alle olie-exporterende landen. Zelfs vóór de recente olieprijsdaling was er al sprake van een naderend faillissement, zoals Argentinië onlangs te beurt viel.

Aangezien het land afhankelijk is van olie voor niet minder dan 96% van zijn exportinkomsten, zijn de geruchten over het d-word (een default) de laatste weken en maanden alleen maar toegenomen.

De economie is gekrompen met zo’n 3% in 2014, de officiële inflatie is gestegen tot meer dan 63%, en er is een tekort aan basisproducten zoals melk en toiletpapier. De regering heeft het leger opgeroepen om de orde te bewaren. Vorig jaar vielen er reeds 43 doden in protesten tegen president Maduro, die begin januari opnieuw is gaan aankloppen bij China voor leningen. Sinds 2007 heeft China meer dan 45 miljard dollar aan Caracas geleend, deels in ruil voor olie.

De noodzakelijke besparingen in Venezuela kunnen niet alleen de eigen burgers treffen maar ook heel wat Caraïbische landen, die momenteel Venezolaanse olie kunnen aankopen via gunstige kredieten onder het zogenaamde PetroCaribe programma. Voor landen zoals Guyana, Haiti, Jamaica en Nicaragua komt deze steun neer op 4% van het BBP. Maar het kost de regering in Caracas zo’n 2,3 miljard dollar per jaar.

Als de olieprijzen niet snel stijgen, verhoogt de druk om een diplomatieke oplossing te vinden in de nucleaire onderhandelingen.

Iran worstelde reeds met de effecten van de economische sancties voor de olieprijs begon te dalen. De olie-export is teruggevallen van 2,5 miljoen vaten per dag in 2011 naar 1,1 miljoen vaten eind 2013. Het land heeft een olieprijs van 130 dollar nodig om de geplande overheidsuitgaven te kunnen betalen. Bijna een kwart van die uitgaven, zo’n slordige 84 miljard dollar, werd in 2013 opgeslorpt door binnenlandse energiesubsidies.

Geen enkel ander land ter wereld spendeert zoveel aan verspillende en vervuilende energiesubsidies. Vanwege de sancties heeft Teheran geen toegang tot zo’n 100 miljard dollar aan bevroren tegoeden op buitenlandse bankrekeningen en kan het ook niet zomaar gaan lenen in het buitenland.

De cijfers bij de landen staan voor het gemiddelde subsidieniveau in het land in kwestie.

President Rouhani probeert wel een aantal hervormingen door te voeren. Vorig jaar verhoogde hij de prijs van benzine met 75% en stookolie met 25%. Maar voor de president blijft het cruciaal dat de levensstandaarden verbeteren, een verkiezingsbelofte van hem, en dat de economie dus weer gaat groeien.

Als de olieprijzen niet snel stijgen, verhoogt de druk om een diplomatieke oplossing te vinden in de derde ronde van nucleaire onderhandelingen, die aflopen in juni 2015. Opvallend is dat Rouhani begin januari heeft laten verstaan gebruik te willen maken van een bepaald grondwetsartikel om over ‘belangrijke kwesties’ (lees: het nucleaire programma) per referendum te beslissen, buiten het (conservatieve) parlement om. Dat kan erop wijzen dat hij de hardliners wil omzeilen en een deal wil sluiten met het Westen.

Nigeria, waar de voor Valentijnsdag geplande presidentsverkiezingen onlangs werden uitgesteld, zit ook in het oog van de storm. Het land is voor bijna 70% afhankelijk van de olie-inkomsten en olie staat in voor niet minder dan 90% van de exportinkomsten.

Terreurgroep Boko Haram zaait dood en verderf in het noordoosten van het land, waar het inmiddels een gebied controleert ter grootte van België. Nigeria heeft bovendien af te rekenen met grootschalige corruptie en diefstal van olie. Volgens een rapport van de Britse denktank Chatham House verdwijnen er dagelijks tot wel 100.000 vaten olie, goed voor miljarden dollars per jaar. Het is duidelijk dat wie ook president wordt, het risico op blijvende instabiliteit groot is.

Kopzorgen in het Kremlin

Rusland leeft voor 50 procent van olie-inkomsten.

Van alle niet-OPEC landen beschikt Rusland waarschijnlijk over de slechtste papieren. De combinatie van sancties en goedkope olie duwt het land in een recessie.

De roebel is in 2014 met 40% gedaald tegenover de dollar en er is een grote kapitaalvlucht ontstaan.

Door de muntdepreciatie zijn de importen ook duurder geworden, bijzonder pijnlijk voor een economie die voor bijna alles behalve grondstoffen afhankelijk is van het buitenland.

De inflatie is daardoor gestegen naar 15% in januari. Het heeft er alle schijn van dat Rusland een periode van stagflatie tegemoet gaat: een gevaarlijke cocktail van economische achteruitgang en prijsstijgingen.

Rusland leeft voor 50 procent van inkomsten uit olie. Naar schatting heeft het een olieprijs rond de 100 dollar nodig om een begrotingsevenwicht te halen. Verwacht wordt dat de Russische economie in 2015 enkele procenten zal krimpen.

In de economische crisisjaren 2008 en 2009 daarentegen kende het land een economische achteruitgang van 8 tot 10 procent. De algemene teneur in het Kremlin is dan ook dat deze crisis waarschijnlijk wel overwaait. De Russen zijn enige ontbering gewoon.

De grote vraag is of de economische recessie zal leiden tot een ontspanning of juist een verharding in de binnen- en buitenlandse politiek van Rusland. Opvallend is dat president Vladimir Poetin zich onlangs liet ontvallen dat Oekraïne één politieke entiteit moet blijven, en dat het zelf zijn partners mag kiezen.

Maar dat was vóór het bloedbad in de Oost-Oekraïense stad Marioepol eind januari en tussen de woorden en daden van Poetin gaapt er vaak een enorme kloof. Ondanks waarschuwingen van de Russische minister van Financiën dat de militaire uitgaven onhoudbaar worden en moeten krimpen, is Poetin wel vastberaden om het defensiebudget de komende jaren op te drijven.

Diversificatie

Olie-exporterende landen zijn veel meer afhankelijk van olie dan importerende landen.

De uitdijende effecten van de olieprijsdaling op zoveel landen en sectoren in de wereldeconomie toont aan hoe belangrijk petroleum nog steeds is in de wereld van vandaag. Maar de olie-exporten zijn wereldwijd meer geconcentreerd dan de importen.

Anders gezegd, olie-exporterende landen zijn veel meer afhankelijk van olie dan importerende landen. De grillige olieprijzen van de afgelopen jaren hebben dan ook vaak een jojo-effect op de binnenlandse economische en politieke stabiliteit van deze petrostaten.

Los van de prijsschommelingen hangt deze landen op lange termijn een andere dreiging boven het hoofd: de afkalving van de wereldwijde vraag naar petroleum. De olieconsumptie in het Westen heeft reeds gepiekt in 2005 en is sindsdien aan het dalen door een toegenomen efficiëntie en overschakeling op andere energiebronnen. Dit is in lijn met het feit dat zo’n 35% van alle oliereserves onder de grond moet blijven om de klimaatverandering onder de kritieke grens van 2°C te houden.

Het gezond verstand dicteert dan ook dat olie-exporteurs zo snel mogelijk streven naar een diversificatie van hun economie. Op die manier worden ze niet alleen minder afhankelijk van de grillen van de internationale oliemarkten maar helpen ze ook in de strijd tegen klimaatverandering.

Thijs Van de Graaf is professor internationale politiek (UGent).

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift