Harde feiten en valse berichten over steenkool

Mijnwerkers, kolenboeren en steenkoolgrootverbruikers: één front! Het gemeenschappelijke belang van dit vreemde monsterverbond: ze willen hun zwarte industrie tegen elke prijs draaiende houden. Van Colombia, aan de overkant van de oceaan, tot onder onze neus stemmen ze de violen. En hun samenspel werkt. U dacht dat steenkool out was? Steenkool is sinds lang niet meer zo hot geweest.

© Reuters

Steenkoolbedrijven hadden in Colombia een barslechte reputatie, onder andere omdat bedrijven tijdens de burgeroorlog met paramilitaire doodseskaders samenwerkten. Via BetterCoal poetste onder andere Drummond zijn imago op.

Voor de Caraïbische kust van Colombia wachten cargoschepen hun beurt af om Puerto Bolívar binnen te varen. Ze gaan er steenkool laden. De haven is eigendom van El Cerrejón, de grootste steenkoolproducent van Latijns-Amerika. De mijnbouwmaatschappij voert continu haar productie op. Ze wil 40 miljoen ton steenkool per jaar delven, een derde meer dan de afgelopen jaren. De productie gaat integraal overzee, Europa is de voornaamste afzetmarkt.

Om meer te kunnen exporteren, heeft El Cerrejón in Puerto Bolívar een tweede pier en nieuwe installaties gebouwd. De onderneming meet zich een duurzaam imago aan. Maar haar praktijken zijn zeer controversieel: sinds El Cerrejón in 1986 begon te werken, heeft het hele dorpen laten verplaatsen, de waterhuishouding verstoord en in zijn omgeving vooral meer ellende achtergelaten. De andere grote steenkoolproducenten in Colombia, Drummond en Prodeco, zijn niet beter. Ook zij verschepen hun productie vanuit privéhavens integraal naar verre bestemmingen.

Sinds El Cerrejón in 1986 begon te werken, heeft het hele dorpen laten verplaatsen, de waterhuishouding verstoord en in zijn omgeving vooral meer ellende achtergelaten.

El Cerrejón pusht de verkoop via de Coal Marketing Company (CMC), zijn dochtermaatschappij die in Dublin gevestigd is. CMC schermt angstvallig zijn interne keuken af. Het publiceert geen cijfers. Gevraagd naar haar omzet in Europa stuurt de firma een taartgrafiek terug waaruit zou moeten blijken dat El Cerrejón in 2016 een schamele 978.000 ton steenkool aan Duitsland heeft geleverd.

‘Zoals u kunt zien’, zegt de begeleidende boodschap, ‘heeft CMC/Cerrejón een zeer klein aandeel van de Noord-Europese markten.’ Details zoeken zou volgens CMC te veel werk vragen. Maar aandringen helpt niet, want CMC antwoordt niet meer.

Omzet: geheim

CMC weet nochtans goed hoe de markt in elkaar zit. In oktober 2016 spreekt Howard Gatiss, de grote baas van CMC, collega’s kolenboeren toe tijdens een congres in Lissabon. Hem interesseert enkel de verkoop in Europa. Daar daalt de vraag naar steenkool, benadrukt Gatiss. Hopelijk kunnen het Midden-Oosten en Turkije die trend compenseren. Maar Gatiss suggereert dat de regeringen er zijn afzetmarkt verstoren. Turkije, aldus Gatiss, zou een goede klant kunnen zijn, omdat er nieuwe kolengestookte elektriciteitscentrales worden gebouwd. ‘Maar kennelijk wil de Turkse regering de Turkse bruinkool voortrekken’, zegt Gatiss, en daarom belast ze de invoer van steenkool met een nieuwe heffing.

Europa importeerde in 2015 114 miljoen ton thermische steenkool voor steenkoolcentrales uit Colombia.

Egypte heeft het plan om tegen 2030 zo’n 15 procent meer stroom met steenkool op te wekken. Maar daar zijn nieuwe gasvelden ontdekt, die steenkool zouden kunnen verdringen. En Marokko, constateert Gatiss, is groene stroom aan het promoten. U denkt: steenkool stoken, is dat niet slecht voor het klimaat? Maar daaraan maakt Gatiss geen woord vuil.

CMC’s omzet blijft geheim. Maar de Colombiaanse kolenboeren doen in Europa waarschijnlijk florissante zaken. Hun steenkool is gegeerd. Colombia produceert hoofdzakelijk steenkool voor elektriciteitscentrales (90,5 miljoen ton in 2016) en die is van superieure kwaliteit. Hij geeft namelijk veel warmte en weinig as. Steenkool uit Colombia is doorgaans ook goedkoper dan steenkool van concurrenten uit andere landen en domineert nu de Atlantische handel. Colombia was in 2015 ‘s werelds vierde exporteur van steenkool, na Australië, Indonesië en Rusland. Europa importeerde dat jaar 114 miljoen ton thermische steenkool (voor de centrales) uit Colombia en was zonder meer Colombia’s belangrijkste klant.

Jvillegas (CC BY-SA 4.0)

Een kolenschip wacht op een lading in de haven van Puerto Bolívar, eigendom van El Cerrejón

‘Steenkoolcentrales verduurzamen’

België speelt in dit verhaal geen rol meer. De laatste kolencentrale in ons land, die van Langerlo (Genk), ligt sinds 2016 stil. Er komt nu dus veel minder thermische steenkool België binnen. Exacte cijfers zijn moeilijk te vinden. De grote operator SeaInvest laat er niets over los. De haven van Antwerpen hangt voor cijfers deels van zulke operatoren af. In 2012 heeft Antwerpen nog 541.000 vaste minerale brandstoffen afgeladen, in 2015 en 2016 géén meer. Douanestatistieken, verkregen via de FOD Financiën, geven voor 2016 aan dat er 3,7 miljoen ton steenkool is ingevoerd , waarvan een kleine 59.000 ton uit Colombia.

Maar in Nederland en Duitsland is de situatie compleet anders. Zij vormen de kerngroep van de Europese landen waar nieuwe steenkoolcentrales worden gebouwd (met een gezamenlijke nieuwe capaciteit van 4 gigawatt). In Duitsland zijn nieuwe kolencentrales in gebruik genomen in Moorburg (van Vattenfall) en Mannheim (van de firma GKM, met RWE als mede-eigenaar); een derde is in aanbouw in Datteln (E.On/Uniper). Moorburg is volgens de Zweedse exploitant ‘een van de modernste en efficiëntste krachtcentrales’, een argument waarmee alle kolenstokers schermen.

In 2013 bedroeg het aandeel van steenkool in de Nederlandse energievoorziening opnieuw 30 procent.

In Nederland zijn pas nog drie kolencentrales bijgebouwd, twee nabij Rotterdam (een van E.On/Uniper en een van Engie/GDF-Suez) en een derde in Eemshaven (van Essent/RWE). De oude kolencentrales zouden dit jaar uit bedrijf worden genomen. Maar in januari van dit jaar verkoos de regering in Den Haag om de beslissing over de definitieve sluiting voor zich uit te schuiven. De laatste “lagerendementscentrales” uit de jaren 1980 blijven tot nader order open.

Steenkool blijft dus belangrijk bij onze noorderburen. Een eerste reden houdt verband met het gas uit de Nederlandse ondergrond. Daarmee worden ook elektriciteitscentrales gestookt. Maar de gaswinning in Groningen veroorzaakt serieuze milieu- en meer nog maatschappelijke problemen (door de door de gaswinning veroorzaakte aardbevingen). Er is daarom besloten minder gas op te pompen. Gas is ook duurder geworden, terwijl de kosten van de beruchte CO²-certificaten (vergunningen om fossiele brandstof te verbranden en broeikasgas uit te stoten) erg laag liggen. Daardoor wordt voor de productie van stroom weer meer steenkool gestookt. In 2013 bedroeg het aandeel van steenkool in Nederland opnieuw 30 procent.

De eigenaars van de centrales spelen daarop in. Hun stelling is: als wij de centrales draaiende moeten houden, met minder gas, dan moeten we steenkool blijven gebruiken. De sector beweert ook dat hij de steenkoolcentrales schoon kan stoken. Zijn slogan luidt: ‘Niet sluiten maar verduurzamen’. En dat was de aanbeveling van een rapport aan de liberale minister Kamp dat in januari 2017 uitlekte.

De Nederlandse overheid gaat ook lankmoedig met steenkool om, omdat die een belangrijke handelsstroom vertegenwoordigt. En meer bepaald de Colombiaanse steenkool zorgt in de Nederlandse havens van IJmuiden, Amsterdam en natuurlijk vooral Rotterdam voor aanzienlijke activiteit. In Amsterdam lag de overslag van steenkool de voorbije tien jaar telkens rond de 15 miljoen ton per jaar. Daarvan kwam een derde uit Colombia. De haven van Rotterdam zet jaarlijks nagenoeg het dubbele om (30,7 miljoen ton in 2015, 28,4 miljoen ton in 2016). Een cluster van bedrijven is er bij het behandelen en opslaan van steenkool betrokken. Nederland wil dat vooral zo houden.

Pbech (CC0)

Overslag van steenkool in de Amerikahaven in het Westelijk Havengebied van Amsterdam.

Nederlandse én Duitse organisaties kijken kritisch toe. Ze hebben gedocumenteerd welke ellende de steenkoolwinning in Colombia veroorzaakt. Ook wij hebben daarover bericht in een MO*-dossier. Maar in Nederland heeft de industrie de kritiek opgevangen en gekanaliseerd naar overleg dat de Dutch Coal Dialogue is genoemd. Daar zaten ze allemaal broederlijk aan tafel, op initiatief van de sectorlobby Energie-Nederland en onder leiding van toppolitici en -industriëlen. Zo is vermeden dat er een fundamentele discussie over steenkool werd gevoerd. Deze Dialogue accepteerde de noodzaak van steenkool en ging enkel over transparantie: waar komen de kolen vandaan? Wie delft ze? En hoe kan de steenkoolketen verbeteren?

Overheid haakt af

De Dutch Coal Dialogue begon in 2010. Maar de transparantie verwaterde binnen de kortste keren. De ondernemingen weigerden gedetailleerde informatie te verschaffen. De Nuon-groep (een Vattenfall-dochter) dreef gewoon de spot met transparantie en gaf een namenlijst van mogelijke leveranciers af die ze bij een Zweedse studiedienst had gevonden. Niemand kon of wilde de ondernemingen dwingen om werkelijk mee te werken. Zo gaat het overal. Volgens de Duitse onderzoeker Sebastian Rötters is het een publiek geheim dat talrijke Europese stroomproducenten steenkool van El Cerrejón kopen. Maar Rötters kent maar één bedrijf dat daarover cijfers heeft gepubliceerd, namelijk de Duitse firma Energie Baden-Württemberg AG (EnBW).

Drummonds reputatie was barslecht, omdat deze Amerikaanse familieonderneming tijdens de burgeroorlog met paramilitaire doodseskaders had samengewerkt.

De industrie heeft het laken intussen handig naar zich toe getrokken. In 2013 heeft ze BetterCoal opgericht, om te garanderen dat er enkel steenkool uit gecertificeerde mijnen wordt aangevoerd. Daarom worden audits uitgevoerd van probleemmijnen. Midden 2014 zette Drummond in Colombia als eerste die stap. Drummonds reputatie was barslecht, omdat deze Amerikaanse familieonderneming tijdens de burgeroorlog met paramilitaire doodseskaders had samengewerkt. Via BetterCoal poetste Drummond zijn imago op. BetterCoal maakt de inspectierapporten echter niet publiek. In Nederland is dat al in 2014 ‘een problematische tekortkoming’ genoemd.

En toch heeft BetterCoal een sleutelrol gekregen in het beleid van de regering om de steenkolenketen te verbeteren. Dat beleid is ook in 2014 afgesproken met ontwikkelingsorganisaties en bedrijven en uitgeschreven in het zogenaamde Steenkolenconvenant. De Nederlandse Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, Lilianne Ploumen, die eerder voor de ngo Cordaid had gewerkt, bleek de ideale bemiddelaar en bracht de belanghebbenden samen.

Toen er eind 2014 een Dutch Coal Mission naar Colombia trok, reisde Ploumen mee. Er namen afgevaardigden van 35 Nederlandse ondernemingen en zes ngo’s aan de missie deel. De groep bezocht onder andere de mijnconcessie van Drummond. Daar trof ze als bij toeval de CEO’s van de elektriciteitsproducenten E.ON, Delta, Electrabel (een dochter van GDF Suez), Essent (een dochter van RWE) en Nuon. Het heeft er alle schijn van dat de ngo’s, de meest kritische stemmen tegenover de steenkoolaanvoer vanuit Colombia, toen tot Dritter im Bunde met de regering en de ondernemingen zijn gemaakt. Zo zijn de scherpe kanten van het dossier afgevijld. De ondernemingen benadrukken dat ze nu direct met de ngo’s praten.

Is de in Nederland aangevoerde steenkool duurzaam en schoon? De Nederlandse overheid kijkt het zelf niet meer na. Ze laat dat aan de bedrijven over. Zij hebben het jongste Voortgangsrapport opgesteld. Nikolaus Valerius signeert er het voorwoord ‘namens het ministerie van Buitenlandse Zaken en de vier betrokken energiebedrijven’. Valerius is directeur bij de Duitse stroomproducent RWE en voorzitter van de raad van bestuur van BetterCoal.

Dit artikel kwam tot stand met steun van het Fonds Pascal Decroos en de vzw Gresea.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2838   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver, journalist en onderzoeker

    Raf Custers is onderzoeker bij Gresea (Groupe de Recherche pour une Stratégie Economique Alternative). In 2013 publiceerde hij het boek Grondstoffenjagers.