Het is de ontwikkeling, stupid

De meeste verkiezingen draaien rond de vraag welke partij het best in staat geacht wordt voor welvaart en welzijn te zorgen. In India wordt Bill Clintons klassieke “It’s the economy, stupid” dit jaar vooral vertaald in een meer specifiek “It’s the development”. Maar welke visies op ontwikkeling zijn er werkelijk in het spel, en hoe verhouden visies en beloften zich met de praktijk en realisaties uit het verleden?

  • Gie Goris Een gezin uit Bihar, een van de armste deelstaten in India Gie Goris
  • Gie Goris Gie Goris
  • Gie Goris Gie Goris
  • Gie Goris Gie Goris

Elk jaar komen er 13 miljoen mensen bij op de Indiase arbeidsmarkt. Dat is alleen te absorberen indien de economie voortdurend met 8 procent of meer blijft groeien, zeggen economen. Het huidige begrotingsjaar zal echter afgesloten worden met 4,9 procent groei en de industriële sector kromp zelfs met 1,9 procent vorig jaar.

Met een bevolking van 1,2 miljard mensen, waarvan de helft jonger is dan 25 staat India dus voor gigantische uitdagingen. Volgens de Wereldbank heeft slecht 16 procent van de werkenden in India een formeel loon als inkomen, terwijl meer dan de helft tewerkgesteld blijft in de landbouw.

Gie Goris

Ontwikkeling is een vloek

‘De problemen van de mensen kan je samenvatten in één woord’, zei activist en documentairemaker Meghnath in een kamertje aan de buitenrand van Ranchi, de hoofdstad van de Indiase deelstaat Jharkhand. Dat woord is ontwikkeling.

Hij toonde een docu die hij een paar jaar voordien produceerde: Development flows from the barrel of the gun, een cynische knipoog naar de beroemde uitspraak van Mao Zedong dat macht uit de loop van het geweer komt. Aan de hand van vijf voorbeelden uit verschillende deelstaten toont de film het geweld dat de staat gebruikt om grootschalige energie- en industrialiseringsprojecten op te dringen.

Ook Manoj Prased, hoofdredacteur van de Jharkhandse editie van de krant The Indian Express, hamert op de verwoestende effecten van ontwikkeling-van-bovenaf. ‘Het punt is niet dat de tribale regio over het hoofd gezien is bij de veranderingen in India. Het is dat die veranderingen hier een negatief resultaat opleveren.’

Ook in de deelstaat Madhya Pradesh kreeg ik een gelijkaardig verhaal te horen. De overheid wilde er de gronden van twee kleine dorpen onteigenen om er het bedrijf Wellespan een grote thermische centrale op te laten bouwen. Toen de eerste geruchten over de elektriciteitscentrale de ronde deden, waren de mensen niet echt verontrust. Sommigen hoopten wellicht op werkgelegenheid, al was het in de vorm van een beter draaiend winkeltje of meer afzet voor de groenten die ze telen. Anderen waren ronduit onverschillig.

Toen duidelijk werd dat het niet ging om een paar hectare grond, maar om een site van in totaal wel vierhonderd hectare, en dat daarvoor de twee dorpen inclusief de velden ontruimd moesten worden, dat zevenduizend mensen have en goed zouden verliezen en dat in de hele streek de kwaliteit van het rivierwater en de lucht ernstig aangetast zou worden, toen beslisten de boeren dat ze zich met alle middelen zouden verzetten tegen de plannen. Ook al pleit de lokale volksvertegenwoordiger voor de centrale, als een cruciaal onderdeel van de noodzakelijke ontwikkeling van de regio.

Dat was ook het argument dat honderd kilometer verderop gehanteerd werd om een waterkrachtcentrale te bouwen, waardoor in dit vlakke land een enorm stuwmeer ontstond dat honderden dorpen onder water zette. De meeste inwoners zijn dat wassende water enkele jaren geleden ontvlucht. Geen wonder dat ontwikkeling op het Indiase platteland meestal als een vloek uitgesproken wordt.

Ieder zijn ontwikkeling

Die uitgesproken negatieve bijklank die ontwikkeling kreeg op het Indiase platteland belet grote en kleinere partijen niet om net van ontwikkeling de inzet van de verkiezingen in 2014 te maken.

De hindoenationalistische BJP mikt met haar verkiezingscampagne dit jaar minder op de saffraankleurige identiteit van India en meer op het economische succes dat haar kandidaat-premier Modi als deelstaatpremier in Gujarat realiseerde. Met een gemiddelde groei van 10,5 procent tussen 2002 en 2010 scoorde zijn deelstaat immers beter dan de andere staten, en die groei is ook meer dan in andere staten gebaseerd op industriële activiteit.

Congress zet vooral in op de resultaten van tien jaar bestuur onder het bewind van Manmohan Singh, al neemt die niet deel aan de deze verkiezingen. In die periode kende India als geheel een uitzonderlijk sterke economische groei van gemiddeld 7,6 procent per jaar, met pieken tot boven de 9 procent in de jaren voor de financiële crisis, al is die groei de voorbije twee jaar teruggevallen tot onder de 5 procent. Daarom schuift Congress vooral de sociale programma’s naar voor, als een manier om haar beleid te onderscheiden van de neoliberale aanpak van uitdager Modi.

Tussen die twee centrale spelers bevinden zich de ontwikkelingsmodellen van de communistische partijen, die vooral verwijzen naar de successen in Kerala en tot op zekere hoogte in West-Bengalen; het recente model van goed bestuur door deelstaatpremier Nitish Kumar en zijn Janata Dal partij in Bihar; en de belofte van nieuwkomer Aam Admi Party dat een volgehouden strijd tegen corruptie alle nodige middelen voor zowel een goed economisch als sociaal beleid zal vrijmaken.

Alle partijen onderschrijven hetzelfde Indiase ontwikkelingsmodel: het creëren van een investeringsvriendelijk klimaat, het realiseren van sociale vooruitgang en het bestrijden van corruptie.

‘Een van de vooronderstellingen van deze verkiezingscampagne is dat ontwikkeling een welomschreven begrip is dat voor iedereen hetzelfde betekent, voor rijk en arm, hoge kaste of dalit, man of vrouw’, schrijft C.P. Chandrasekhar in het linkse maandblad Frontline. En tot op grote hoogte is dat voor de politieke partijen ook het geval, stelt hij. Want iedereen onderschrijft het neoliberale ontwikkelingsmodel dat de Indiase staat aangehouden heeft de voorbije decennia, zowel onder Congress als onder BJP, en dat zelfs in deelstaten als West-Bengalen onder communistisch bestuur nagestreefd werd.

Chandrasekhar onderscheidt drie basiskenmerken van dat Indiase ontwikkelingsmodel: het creëren van een investeringsvriendelijk klimaat, het realiseren van sociale vooruitgang en het bestrijden van corruptie. De door het Congress geleide regeringen tussen 2004 en 2014 beseften goed dat vooral die sociale investeringen cruciaal waren. Toch maakten ze die ondergeschikt aan het credo van economische groei en de trickle down-effecten daarvan.

Feiten en harde gegevens

Het is in volle verkiezingscampagne moeilijk om feiten van propaganda te onderscheiden, vooral omdat de propaganda gebaseerd wordt op selectief gebruik van reële cijfers en gegevens. Niemand betwist uiteraard de enorme vooruitgang die India het voorbije decennium gemaakt heeft. Maar ‘de geschiedenis van ontwikkeling in de wereld toont nauwelijks of geen voorbeelden van een economie die zo snel en over zo een lange periode groeit en toch zo’n beperkte resultaten oplevert in het verminderen van menselijke ontbering’, schrijven Jean Drèze en Amartya Sen in hun vorig jaar verschenen An Uncertain Glory. India and its Contradictions.

Gie Goris

Een paar cijfers maken duidelijk wat ze bedoelen. 350 miljoen Indiërs leven onder de officieel vastgestelde armoedegrens. Zij worden in de Indiase statistieken aangeduid met de afkorting BPL: Below the Poverty Line. Die armoedegrens werd door de overheid vastgelegd op 32 roepie per persoon per dag in stedelijk gebied en op 26 roepie in landelijk gebied. Begin april 2014 was 1 euro 82 roepie waard.

Als het Wereldbankcriterium van 1 euro per hoofd per dag gehanteerd wordt, moet 42 procent van de Indiërs omschreven worden als extreem arm. In haar meerjarenstrategie voor India (2013-2017) schrijft de Wereldbank dat een op de drie extreem armen ter wereld in India woont. Indien de deelstaten in internationale vergelijkingen behandeld zouden worden als afzonderlijke landen, dan zouden 11 van de 20 landen met de meeste armen ter wereld Indiaas zijn. Uttar Pradesh bijvoorbeeld huisvest meer armen dan Bangladesh, Nigeria of Pakistan.

Volgens de normen van de VN Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) is 21 procent van de bevolking in India zelfs ondervoed. 70 procent van de bevolking woont in landelijke gebieden, waardoor het belang van landbouw in armoedebestrijding bijzonder groot is. Het gemiddelde inkomen uit landbouw groeide in de jaren tachtig nog met 5 procent. Dat viel terug tot 2 procent in de jaren negentig en het voorbije decennium werd zelfs geen enkele groei meer vastgesteld. Met andere woorden: zoveel te sneller de economie begon te groeien, zoveel te trager verliep het terugdringen van armoede op het platteland.  

De Wereldbank voegt daar nog andere cijfers aan toe. 70 procent van de Indiërs woont op het platteland. Toch telt het land al 53 steden met meer dan een miljoen inwoners en verwacht men een aangroei van buitenaf van de stedelijke bevolking met 10 miljoen per jaar. Dat verklaart ook waarom het aantal slumbewoners in India snel blijft stijgen, van 75 miljoen in 2001 tot 93 miljoen in 2011. India blijft met een gemiddelde levensverwachting van 65,4 jaar (in 1951 was dat nog maar 32 jaar) 5 jaar onder het wereldgemiddelde. Bovendien woont 30 procent van de analfabeten en 40 procent van de ondervoede kinderen ter wereld in India.

In Bangladesh schat men het aantal gezinnen dat niet beschikt over een privé of gemeenschappelijk toilet op 8,4 procent van de bevolking. In India moet 55 procent van de gezinnen zijn behoeften in open veld doen.

In An Uncertain Glory vergelijken Drèze en Sen de sociale verwezenlijkingen van booming India ook met die van buurlanden, BRICS-landen en andere ontwikkelingslanden. Telkens is het resultaat beschamend. Het inkomen per hoofd lag in India in 1990 60 procent hoger dan in Bangladesh. Tegen 2011 was dat 100 procent. In diezelfde periode stak Bangladesh echter India voorbij op het vlak van tal van sociale indicatoren, zoals levensverwachting, het terugdringen van kindersterfte, het verhogen van immuniseringbereik, het verminderen van het aantal kinderen per vrouw en zelfs een aantal onderwijsindicatoren.

In Bangladesh schat men het aantal gezinnen dat niet beschikt over een privé of gemeenschappelijk toilet op 8,4 procent van de bevolking. In India moet 55 procent van de gezinnen zijn behoeften nog steeds in open veld doen –met alle gevolgen van dien voor de volksgezondheid en voor de menselijke waardigheid van vooral vrouwen.

Vergeleken met andere opkomende economieën wordt het beeld er niet fraaier op. De overheidsuitgaven voor gezondheidszorg in India bedragen amper 1,2 procent van zijn bruto nationaal product, terwijl dat in China 2,7 procent is en in Brazilië zelfs 4,2 procent. In India heeft 30 procent van de bevolking geen aansluiting op het elektriciteitsnet, in China is dat slechts 1 procent.

Zelfs in vergelijking met Afrika scoort India slecht. In sub-Saharaans Afrika schat de FAO dat 25 procent van de kinderen een te laag lichaamsgewicht heeft –een belangrijke indicator voor ondervoeding– maar in India loopt dat op tot 40 procent. Dat belet India niet om jaarlijks een budget van 380 miljoen euro te besteden aan ontwikkelingshulp voor Afrika.

Voorzichtig optimistisch

In een uitgebreid artikel dat eind maart verscheen in het weekblad Outlook brengt Jean Drèze enige nuance aan op het uitgesproken negatieve beeld van de staat van ontwikkeling in India. Hij doet dat op basis van een recent onderzoek in tien deelstaten naar de impact van vijf op rechten gebaseerde welzijnsprogramma’s (kinderwelzijn, schoolmaaltijden, rantsoenwinkels, tewerkstellingsrechten en minimumpensioenen).

De beginvraag is of de 205 miljard euro die India jaarlijks uitgeeft aan welzijnsprogramma’s tot tastbare vooruitgang voor de armsten leiden (zoals de regering beweert) of dat het dure maar verspillende programma’s zijn die corruptie voeden en afhankelijkheid creëren (dolenomics, zoals de BJP beweert).

Het resultaat van de studie die Drèze bespreekt is genuanceerd positief, behalve voor het door hemzelf opgezette tewerkstellingsschema NREGA (National Rural Employment Guarantee Act), dat zowat overal achteruit boert en steeds minder mensen uit de allerarmste doelgroep blijkt te bereiken, terwijl op veel plaatsen de lokale machthebbers en tussenpersonen hun –onrechtmatige– deel van de geldstroom blijven incasseren.  

Nochtans zijn ook internationale organisaties als het VN-Ontwikkelingsprogramma (UNDP)overtuigd van de cruciale rol die NREGA kan spelen om van de economische groei ook een inclusief verhaal te maken. In een rapport uit 2013 schrijft Ashwini Deshpande dat het ‘programma inclusief geweest is doordat het mensen op het platteland toegang verschafte tot werk, doordat het de minimumlonen omhoog duwde en door de positieve impact op landbouwproductiviteit’.

De kinderverzorgsters functioneren in de meeste staten steeds beter en hetzelfde stellen de onderzoekers vast voor de verplicht gratis warme middagmaaltijden in de basisscholen, een programma dat van start ging in 2001 en dat op dit moment, naast de miljoenen middagmalen, ook 2 miljoen vrouwen tewerkstelt als koks en helpers. Ook de rantsoenwinkels waar de armsten tegen voordelige prijzen rijst, kookolie en andere levensnoodzakelijke goederen kunnen kopen –de lijst en de hoeveelheid verschillen van staat tot staat– blijken in veel staten efficiënter en minder corrupt te functioneren.

Gie Goris

Een belangrijke conclusie is dat de vooruitgang in deze sociale programma’s geen duidelijk zwart-witbeeld oplevert over de politieke partijen. In Himachal Pradesh bijvoorbeeld bleken zowel BJP als Congress positief te scoren, terwijl deze partijen elders zowel positieve als twijfelachtige resultaten voorlegden. Hetzelfde geldt voor de regionale partijen. ‘Het karakter van de democratische politiek in de verschillende staten blijkt doorslaggevender te zijn dat de keuze voor de ene of de andere partij’, besluiten Jean Drèze en Reetika Khera in Outlook.

Modinomics

‘Leiders en medewerkers in Delhi formuleren heel wat onlogische plannen in de naam van ontwikkeling. Tientallen miljoenen worden aan die plannen uitgegeven, maar het geld belandt nooit bij de gewone man maar in de zakken van de corrupten. Wij moeten niet weten van dat soort ontwikkeling’, schreef Arvind Kejriwal, leider van de anti-corruptiepartij Aam Admi Party in Swaraj, een boekje dat hij 2012 uitbracht. De boodschap van Swaraj is duidelijk: de macht en de middelen moeten uit Delhi en de deelstaathoofdsteden weggehaald worden en zoveel mogelijk aan de dorpen en wijken gegeven worden.

Hij toont zich in dat boek ook een tegenstander van nationale welzijnsprogramma’s, omdat ze de ‘mensen herleiden tot bedelaars’. Zijn recept gaat terug op de idealen van zelfvoorziening (swaraj) en lokale economie (swadeshi), die ook door Mahatma Gandhi gepropageerd werden. Nu hij met de AAP deelneemt aan de nationale verkiezingen, ligt de klemtoon minder op swaraj en meer op corruptiebestrijding, zodat de welzijnsprogramma’s hun eigen ambities kunnen waarmaken.

Gujarats armoedepercentage ligt 7 procentpunten lager dan het nationale gemiddelde en de staat behoort met een alfabetiseringsgraad van 79,3 procent tot de top drie van de deelstaten op dat terrein.

Dé grote discussie in de Indiase media draait om de vraag of Narendra Modi met recht en reden aanspraak maakt op zijn kampioenentitel in ontwikkeling. Ja, schrijft Arvind Panagariya, professor Economie aan de Amerikaanse Columbia University, in de Indiase krant The Economic Times.

Niet alleen kan Gujarat indrukwekkende groeicijfers voorleggen, ook het armoedepercentage ligt er 7 procentpunten lager dan het nationale gemiddelde (23 procent tegenover 30 procent), de staat behoort met een alfabetiseringsgraad van 79,3 procent tot de top drie van de deelstaten op dat terrein, en zowel voor de sterftegraad van min-vijfjarigen als voor moedersterfte slaagde Gujarat er de voorbije jaren in betere cijfers te halen dan het nationale gemiddelde.

Atul Sood en A. Kalaiyarasan, beiden verbonden aan de Jawaharlal Nehru University in Delhi, zijn het daar niet mee eens. Zij citeren cijfers die aantonen dat Gujarat wegzakt in de rankings voor overheidsuitgaven voor onderwijs en gezondheidszorg en verwijzen naar een Human Development Report dat in 2011 door de regering uitgebracht werd en waarin Gujarat slechts op de negende plaats komt wat menselijke ontwikkeling betreft. Bovendien had geen enkele deelstaat de voorbije jaren met zo veel arbeidsconflicten en stakingen af te rekenen als Gujarat.

Het is de ongelijkheid

Dankzij het werk van auteurs zoals Wilkinson & Pickett en Piketty wordt het thema van ongelijkheid steeds hoger op de agenda van ontwikkelingsorganisaties geplaatst. Dat zou best ook gebeuren in India, waar de ongelijkheid op het vlak van bezit en inkomen uitermate groot zijn.

Volgens de meest recente cijfers (2003) is de rijkste 5 procent in India goed voor 38 procent van alle bezittingen, terwijl de armste 60 procent het moet stellen met 13 procent van de bezittingen. Drèze en Sen citeren een Wereldbankrapport dat de inkomensongelijkheid in India in dezelfde categorie schat als in Brazilië en Zuid-Afrika, twee van de meest ongelijke landen ter wereld. Bovendien zien ze een duidelijke tendens van toenemende ongelijkheid die parallel loopt met de economische groei.

In Churning the Earth. The making of Global India (2012) stellen Aseem Shrivastava en Ashish Kothari dat er voor de financiële crisis van 2008 geen land ter wereld was met meer dollarmiljardairs dan India. Drèze en Sen noteren dat de 40 rijkste zakenmensen in India samen 125 miljard euro waard zijn.

De rijkste 0,01 procent verdient 110.000 euro per jaar; de rijkste 1 procent 6000 euro, de miljoenen armenop het platteland moeten het stellen met maximaal 115 euro per jaar.

Op basis van gegevens van de Wereldbank rekenen Shrivastava en Kothari uit dat het aangegeven jaarinkomen van de rijkste 0,01 procent in 2007 zo’n 110.000 euro bedroeg; voor de rijkste 1 procent (iets meer dan de bevolking van België) ging het nog om een kleine 6000 euro. De miljoenen Indiërs die op het platteland leven en onder de armoedegrens vallen, stellen het met maximaal 115 euro inkomen per jaar. Shrivastava en Kothari merken daarbij op dat indien de zwarte economie in rekening gebracht zou worden, de ongelijkheid wellicht nog groter zou zijn.

De concentratie van rijkdom bovenaan de inkomensgroepen wordt ook zichtbaar in de opvallende uitgaven voor goud en juwelen in het land. India is immers goed voor 20 procent van alle gouden juwelen die mondiaal verkocht worden. In 2005 was de import van juwelen en goud goed voor een gezamenlijke waarde van 12,5 miljard euro.

De twee luxegoederen zijn bovendien vrijgesteld van import- en exportbelastingen, wat de Indiase schatkist ongeveer 6,8 miljard dollar aan gederfde inkomsten per jaar kost. Dat is het dubbele van de berekende meerkost van de nieuwe Voedselzekerheidswet, die door de media, de middenklasse en de oppositie scherp bekritiseerd werd omwille van haar “onoverkoombare hoge kosten”.

Indien de inkomensongelijkheid uitgebreid wordt tot “multidimensionale armoede” zoals UNDP het definieert (rekening houdend met ongelijkheden op het vlak van onder andere onderwijs, kindersterfte en –voeding, elektriciteit, woning, drinkwater, energie en sanitaire voorzieningen), dan rekenen de VN in 2013 een ruime helft of 612 miljoen Indiërs tot de armen. Die verhouding verslechtert nog als de berekening toegepast wordt op lage kasten en kastelozen (66 procent) en inheemse groepen of adivasi (81 procent).

Ook Drèze en Sen beklemtonen in An Uncertain Glory dat de ongelijkheid in India verzwaard wordt door een unieke combinatie van verticale (inkomens)ongelijkheid met diep verankerde horizontale (gender-, kaste-, religieuze en regionale) ongelijkheden. In de besluiten van het boek schrijven de auteurs dat ‘multidimensionele ongelijkheid de neiging heeft zichzelf te doen voortbestaan, met name door de scheeftrekkingen van publieke debatten en van de voorstelling van zaken door de media.’

Te merken aan de focus van de media op economische groei in plaats van op inclusieve groei en herverdeling van de welvaart, lijken ze ook tijdens deze verkiezingscampagne gelijk te krijgen. ‘Ook vandaag’, besluiten ze, ‘lijken de minst geprivilegeerde Indiërs terughoudend om een snel en definitief einde te vragen aan hun uitzonderlijke armoede.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur