Dossier: 

‘Het geweld ligt niet aan de godsdienst, maar aan de menselijke natuur’

Sinds 2001 wordt politiek geweld in toenemende mate in verband gebracht met moslims. In het Westen groeit de overtuiging dat religies de bron zijn van alle geweld. De Britse religiewetenschapster Karen Armstrong schreef er een dik boek over. Gie Goris las het en haalt er drie belangrijke stellingen uit.

  • © Brecht Goris © Brecht Goris

Karen Armstrong schreef In naam van God. Religie en geweld als antwoord op de overtuiging van strijdbare atheïsten dat religies verantwoordelijk zijn voor het meeste en gruwelijkste geweld dat de wereld teistert. Zij vindt het belangrijk om duidelijk te maken dat de verwijdering van religie uit de publieke sfeer en vooral uit het staatsbestuur niet geleid heeft tot minder geweld.

1. Scheiding tussen religie en staat is nieuw en uitzonderlijk

‘In het Westen zien we “religie” als een coherent systeem van vereiste geloofsopvattingen, instellingen en rituelen rond een bovennatuurlijke god, waarbij de beoefening in principe privé is en hermetisch afgesloten van alle “wereldse” activiteiten. Maar woorden in andere talen die we als religie vertalen, verwijzen vrijwel altijd naar iets wat groter en vager is en een ruimere betekenis heeft.

In het Arabisch houdt din een hele manier van leven in. In het Sanskriet is dharma eveneens een totaalconcept, onvertaalbaar, dat wet, gerechtigheid, moraliteit en sociaal leven omvat. De Oxford Classical Dictionary stelt duidelijk: “Geen enkel woord in het Grieks of het Latijn correspondeert met het Engelse woord religion of religious.”

Het idee van religie als een persoonlijke en systematische onderneming was volkomen afwezig in het klassieke Griekenland, Japan, Egypte, Mesopotamië, Iran, China en India. De Hebreeuwse Bijbel kent evenmin een abstract concept van religie. De Talmoedische rabbijnen hadden onmogelijk in één woord of één frase kunnen uitdrukken wat ze onder geloof verstonden, omdat de Talmoed juist bedoeld was om het menselijke leven in z’n geheel binnen het domein van het heilige te brengen.’

‘Geweld hangt niet samen met een bepaalde cultuur of levensovertuiging, maar keert terug in elke maatschappelijke en economische organisatie en wordt gedreven door economische noodzaak of ambitie.’

Karen Armstrong probeert met die vaststelling niet onder de verantwoordelijkheid van religies of godsgeloof uit te komen. Ze geeft het ene na het andere voorbeeld van heersers, dissidenten of opstandelingen die hun oorlogen, plunderingen of verzetsgeweld legitimeren met de theologische argumenten van hun tijd en traditie. Ze heeft alleen evenveel en even diverse voorbeelden van groepen en geleerden die geweld afwijzen, op basis van hun eigen theologische analyses van dezelfde religieuze tradities.

‘Chinese daoïsten, legalisten en militaire strategen hadden dezelfde ideeën en meditatieve disciplines, maar maakten er op sterk uiteenlopende manieren gebruik van. Ibn Taymiyyah (de militante denker waarop het salafistische gedachtengoed zich baseert) en Rumi (de poëtische en onthechte filosoof) waren beiden slachtoffer van de Mongoolse invasies, maar bereikten aan de hand van de leer van de islam totaal verschillende conclusies.’

Dat betoog leidt niet tot de conclusie dat religie er uiteindelijk niet toe doet. Zoals hierboven al aangehaald vindt Armstrong de verklaring voor het geweld niet in een recent in het Westen afgesplitste deelrealiteit, maar in de totaliteit van het menselijke bestaan. Daarmee eigent ze zich de klassieke marxistische benadering op een heel vernieuwende en vervolledigende manier toe.

Het geweld, zegt Armstrong, hangt niet samen met een bepaalde cultuur of levensovertuiging, maar keert terug in elke maatschappelijke en economische organisatie – sinds het ontstaan van de landbouw en van de sedentaire samenleving – en wordt in de regel gedreven door economische noodzaak of ambitie. Dat is een tragische vaststelling, omdat ze weinig ruimte lijkt te laten voor het geloof in een wereld waarin mensen, staten en belangengroepen op vreedzame wijze met elkaar omgaan. Het is tegelijk een opdracht voor de hele samenleving, die intussen gemondialiseerd is, om het onuitroeibare geweld in te perken en terug te dringen.

2. Ook zonder godsdienst is de mens in staat tot gruwelijk geweld

‘John Locke meende dat de scheiding van kerk en staat de sleutel tot vrede was, maar de natiestaat is zeker niet afkerig van oorlog gebleken. Het probleem ligt dan ook niet in de veelzijdige activiteit die we religie noemen, maar in het geweld dat besloten ligt in onze menselijke aard en in de aard van de staat, die vanaf het allereerste begin de gewelddadige onderwerping van minstens negentig procent van de bevolking vereiste.’

Ook in de twintigste eeuw werden de grootste gewelddaden begaan door regimes of bewegingen die geen enkele religieuze motivatie hadden.

Karen Armstrong schreef haar boek als antwoord op de overtuiging van strijdbare atheïsten dat religies verantwoordelijk zijn voor het meeste en gruwelijkste geweld dat de wereld teistert. Het is voor haar dan ook belangrijk om duidelijk te maken dat de verwijdering van religie uit de publieke sfeer en vooral uit het staatsbestuur niet geleid heeft tot minder geweld. De ruimte die vrijkwam werd immers meteen ingevuld door de verabsolutering van de natie als hoogste goed en als onbetwistbare reden om voor te strijden en te sterven.

Ze geeft het voorbeeld van de terreur na de Franse revolutie en de slachting die het revolutionaire leger in de Vendée aanrichtte, omdat de bevolking zich weigerde neer te leggen bij het nieuwe bewind.

Ook in de twintigste eeuw werden de grootste gewelddaden – de twee wereldoorlogen, de Armeense genocide en de nazi-uitroeiingskampen, de stalinistische terreurcampagnes en de miljoenen slachtoffers van Mao’s ideologische campagnes, de killing fields van Cambodja en Rwanda… – allemaal begaan door regimes of bewegingen die geen enkele religieuze motivatie hadden. Voor alle duidelijkheid: dit alles is voor Armstrong geen reden om tegen de secularisering van de staat te pleiten. Het is vooral een waarschuwing om de feiten niet uit het oog te verliezen.

De scheiding van kerk en staat werd in het Westen ervaren als een bevrijding na het verwoestende geweld van de Dertigjarige Oorlog, in de eerste helft van de zeventiende eeuw, en andere conflicten die heel sterk de kleur van een strijd tussen katholieken, lutheranen, calvinisten en andere christelijke strekkingen kregen, al was de drijfveer vaak evenzeer of meer werelds.

‘In het Westen was de seculiere natiestaat opgezet om het geweld van religie in te dammen; in het Midden-Oosten kwam het seculiere nationalisme over als een bloeddorstige, destructieve macht die hen beroofde van de spirituele steun waarop ze hadden vertrouwd.’

Armstrong wijst echter op een contradictie waaraan ook de vroegmoderne denkers en humanisten niet ontsnapten: ‘De humanisten van de renaissance bleken niet bereid om de natuurlijke mensenrechten die ze voorstonden ook te laten gelden voor de inheemse volken van de Nieuwe Wereld… Als pionier van de verdraagzaamheid was hij stellig van mening dat de soevereine staat zich niet moest aanpassen aan het katholicisme of de islam. Hij was voorstander van de “absolute, willekeurige, despotische macht” van een meester over een slaaf, met inbegrip van “de macht om hem op elk moment te doden”. Zelf was Locke direct betrokken bij de kolonisering van North en South Carolina, en hij betoogde dat de inheemse “koningen” van Amerika geen wettige jurisdictie of eigendomsrecht op hun land hadden.’

De schizofrenie zou de hele koloniale periode volgehouden worden en er onder andere toe leiden dat een seculariserende natie als het Britse Rijk in zijn Zuid-Aziatische kolonie de lokale politiek rondom een strikte religieuze opdeling zou organiseren, waardoor de vloeibare grenzen en samenlevingsvormen verhard en gewelddadiger werden. ‘In het Westen was de seculiere natiestaat opgezet om het geweld van religie in te dammen; voor vele duizenden in het Midden-Oosten kwam het seculiere nationalisme over als een bloeddorstige, destructieve macht die hen beroofde van de spirituele steun waarop ze hadden vertrouwd.’

3. De wereld is niet genezen van de koloniale pijn

‘In het verleden was de islam een religie geweest die werd bekrachtigd door haar succes. Tot het moderne tijdperk leek de machtige positie van de oemma een bevestiging van de boodschap van de Koran: dat het een rechtgeleide gemeenschap goed zou gaan omdat ze in harmonie was met hoe de dingen moesten zijn. De abrupte neergang van de oemma was net zozeer een theologische klap voor sommige moslims als Darwins evolutietheorie voor sommige christenen. Het gevoel van schande en vernedering werd versterkt door het bewustzijn van de voorbije glorie. Het moderne islamisme is voor een groot deel een wanhopige strijd om de geschiedenis weer op het juiste spoor te zetten.’

Karen Armstrong behandelt in het derde deel van het boek uitgebreid het ontstaan van de politieke islam en zijn evolutie tot het huidige gewelddadige jihadisme. Ze situeert dat ontstaan, zowel in Egypte als in Indië, resoluut in de context van het verzet tegen de koloniale overheersing en de gewelddadige onderdrukking van lokale economie en cultuur. En ze maakt duidelijk dat de onafhankelijkheid alleen maar meer staatsrepressie bracht voor de islamitische bewegingen, waardoor die van de weeromstuit verder radicaliseerden en meer en meer richting gewapende strijd evolueerden.

‘Wat we moslimterrorisme noemen, is van een politieke zaak veranderd in een gewelddadig optreden vanuit een jeugdige woede.’

Armstrong citeert uitgebreid uit het werk van de Jordaans-Palestijnse geleerde Abdullah Azzam – een vooraanstaand Moslimbroeder, beschermeling van Saoedi-Arabië, een van de mentoren van Osama bin Laden en tijdens de jaren van strijd tegen de Sovjet-bezetting van Afghanistan dé motor achter de internationalisering van de militaire jihad. ‘De geschiedenis schrijft haar regels slechts in bloed’, benadrukte Azzam. ‘Eer en respect zijn niet anders te behalen dan op een fundament van doden en gewonden.’

Azzam was een klassiek militair denker en dus tegenstander van terroristische praktijken, omdat ze ingingen tegen fundamentele geboden en verboden van de islam, zoals het verbod op zelfmoord en op het doden van onschuldige burgers. Zijn ideologische nazaten hebben dergelijke terughoudendheid allang afgelegd en verklaren gewoon hele bevolkingen tot collaborateurs met de vijand, waardoor ze legitieme doelwitten worden, en ze verklaren moslims die het niet eens zijn met hun extremistische visie tot afvalligen, zodat ook zij zonder gewetensbezwaren gedood kunnen worden.

‘Wat we moslimterrorisme noemen’, schrijft Armstrong, ‘is van een politieke zaak veranderd – aangevuurd door vrome oproepen die strijdig zijn met de islamitische leer – in een gewelddadig optreden vanuit een jeugdige woede.’

In naam van God. Religie en geweld door Karen Armstrong is uitgegeven door De Bezige Bij. 640 blzn. ISBN 978 90 234 8877 4

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur