Dossier: 

Indonesië: Een archipel aan toekomstkansen

Indonesië leeft én groei een beetje in de schaduw van de Aziatische grootmachten China en India, maar heeft de ambitie om op eigen merites erkend te worden als een van de opkomende machten van de 21ste eeuw. Met 250 miljoen inwoners, een economische groei van 5,7 procent dit jaar en een bruto binnenlands product van meer dan een biljoen dollar heeft Jakarta recht van spreken. Maar wat echt telt, is dat het grootste moslimland ter wereld een levendige democratie geworden is en dat het de motor vormt van de Zuidoost-Aziatische regio.

Cijfers zeggen niet alles, maar ze spreken toch erg luid, zeker als het over grote en volkrijke landen zoals Indonesië gaat. De Indonesische economie was volgens het McKinsey Global Report 2009 de zestiende grootste van de wereld – wat meteen de aanwezigheid van Indonesië als enige Zuidoost-Aziatische in de G-20 verklaart. Andere berekeningen plaatsen het land op de 27ste plaats. In een rapport van 2012 (The Archipelago Economy: Unleashing Indonesia’s Potential) verwachtte McKinsey dat Indonesië tegen 2030 de zevende economie zou zijn. In elk geval verdubbelde Indonesië zijn bruto nationaal product (bnp) de voorbije tien jaar.

© CC Utenriksdept CC BY ND 2.0

Dankzij goedkope kredieten worden in Indonesië jaarlijks zeven miljoen nieuwe moto’s verkocht.

Van de 250 miljoen Indonesiërs, woont 53 procent in steden, is de helft jonger dan dertig en rekent McKinsey er 45 miljoen tot de “consumerende klasse”.

Indonesië verdubbelde zijn bnp de voorbije tien jaar.

Een belangrijke verklaring voor de recente groei is de sterk toegenomen binnenlandse consumptie, goed voor 60 tot 70 procent van het bnp. De vastgoedsector boert goed, maar vooral de verkoop van motorfietsen en auto’s groeit spectaculair. Door onvoorstelbaar goedkope kredieten worden er jaarlijks 7 miljoen nieuwe moto’s verkocht, wat het totale motorpark vandaag op 65 miljoen tuffende tweewielers brengt. In 2010 telde het land ook al 220 miljoen geregistreerde mobiele telefoons. Indonesië behoort dan ook tot de top vijf van landen op het vlak van sociale media, samen met India, Mexico, Brazilië en de Verenigde Staten. Deze consumptieboom werd mogelijk door een sterk toegenomen arbeidsproductiviteit, een lage inflatie en de toename van de koopkracht van een overwegend jonge bevolking.

De achillespees van de archipel

Hoewel de economie heel sterk steunt op de eigen consumenten, raakt de economie meer en meer in buitenlandse handen. Heel wat lokale ondernemers hebben bankrekeningen in het buitenland, onder meer in het naburige belastingparadijs Singapore. De ASEAN (Association of South East Asian Nations, de regionale organisatie van tien Zuidoost-Aziatische landen) stak in 2013 China voorbij als belangrijkste bestemming voor buitenlandse investeringen (Foreign Direct Investment, FDI), en Indonesië had hierin een prominent aandeel. Merkwaardig genoeg komt nu ook China in de regio investeren, terwijl tot 2011 het leeuwendeel van de FDI’s naar China stroomde.

Die groeiende economische afhankelijkheid van buitenlands kapitaal verklaart grotendeels macro-economische moeilijkheden vanaf 2013. De economische groei steeg minder dan verwacht, de rupiah verloor 20 procent van zijn waarde tegenover de dollar en ook de beurs ging tussen mei en december 17 procent achteruit. Dat kwam doordat heel wat internationale investeerders hun beleggingen in groeilanden terugtrokken uit vrees voor wijzigingen in het stimulansbeleid bij de Amerikaanse Federal Reserve. Daarnaast zorgden stagnerende inkomsten uit de export voor bijkomende druk op de betalingsbalans. Vooral de dalende prijzen voor steenkool en palmolie, samen goed voor een vierde van de export, waren hiervoor verantwoordelijk.

De Indonesische economie is sterk afhankelijk van de ontginning en export van natuurlijke rijkdommen zoals ertsen, mineralen en tropisch bos.

Zo komt ook een ander pijnpunt bloot te liggen: de economie is sterk afhankelijk van de ontginning en export van natuurlijke rijkdommen zoals ertsen, mineralen en tropisch bos.  Sedert 2007 is Indonesië de grootste producent van palmolie en ook de mijnbouwsector kende een grote bloei, maar beide sectoren zijn ook schoolvoorbeelden van groei met een bijzonder zware impact op milieu en klimaat. Ondanks een moratorium op nieuwe concessies in beschermd regenwoud blijft de ontbossing gigantisch en slaagt men er niet in het aandeel van de conversie van landgebruik in de totale uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Indonesië is na China en de Verenigde Staten de grootste broeikasproducent ter wereld. Na het toelaten van de uitbreiding van plantages in veengronden explodeerden die emissies en zelfs met grote inspanningen in de komende jaren kan men de beloofde daling van de uitstoot met 26 procent tegen 2020 onmogelijk behalen.

Aziatische tijger

Het economische succesverhaal van Indonesië heeft een bijzonder traject gevolgd. Het begon in de jaren 1990 onder het autoritaire bewind van Soeharto, toen het land opgevoerd werd als een van de Aziatische tijgers die groei realiseerden op basis van geheel andere waarden en maatschappelijke instellingen dan het Westen. Dat verhaal implodeerde in 1998, toen Indonesië meegezogen werd in de Aziatische crisis, wat in Indonesië ook meteen het einde van Soeharto’s “Nieuwe Orde” betekende.

De economie herstelde verbazend snel en goed van de enorme klappen die in 1998-99 geïncasseerd werden, wat op zijn minst bewees dat de meerpartijendemocratie minstens even geschikt was om voor groei en welvaart te zorgen dan de autocratische regeervorm voordien. Het bnp van Indonesië in 1970 was afgerond 90 miljard dollar. Tegen 1997 was dat gegroeid tot 200 miljard dollar. In 1999 – na de crisis – was dat opnieuw teruggevallen tot 90 miljard dollar, maar in 2014 overschreed het bnp de kaap van 1 biljoen dollar.

¢ Marcel Holyoak CC BY NC ND 2.0

De Grote Moskee in Ternate. Indonesië is het grootste moslimland ter wereld.

Toenemende ongelijkheid

De gestegen welvaart werd nog niet omgezet in een beter welzijn.

Het uitstekende macro-economisch rapport en de bijhorende statistieken verbergen dat zowat de helft van de gezinnen moeten rondkomen met 2 dollar per dag of minder. Fabby Tumawi van het Institute for Essential Services Reform: ‘Zowat de helft van het Indonesische bnp komt op naam van in het buitenland geregistreerde bedrijven. Het resultaat is dat een immens aandeel van onze welvaart niet in het land blijft. Neem daarbij dat tot 70 procent van de economische activiteit in en rondom Jakarta plaatsvindt, en je moet concluderen dat de overgrote meerderheid van de Indonesiërs uitgesloten blijft van deze economische boom.’ 

Deze analyse wordt ondersteund door de  Human Development Index van het VN-Ontwikkelingsprogramma UNDP. In het meest recente rapport staat Indonesië op plaats 121, een lichte stijging in vergelijking met de voorbije jaren, maar onder het niveau van de buurlanden Maleisië, Thailand en Filipijnen. De gestegen welvaart werd nog niet omgezet in een beter welzijn. De gini-coëfficiënt die de graad van inkomensongelijkheid meet, evolueert in de verkeerde richting.

Het middel bij uitstek om dit bij te sturen is de begroting, en meer bepaald het subsidiëren van sociale diensten en levensnoodzakelijke producten. De grondwet legt centrale en regionale overheden onder andere op minstens 20 procent van de begroting aan onderwijs te besteden. Indonesië heeft 3700 universiteiten, maar de kwaliteit van het onderwijs laat vaak te wensen over en bovendien is er grote ongelijkheid op het vlak van toegang tot onderwijs.

De overheid zou meer moeten investeren in sociale ontwikkeling, maar zit met een serieuze erfenis uit het verleden die het maar niet aangepakt krijgt, met name subsidies op brandstoffen. De subsidie dateert uit de periode dat het land aardolie uitvoerde, maar ondertussen is het een netto-importeur.

Door de snel stijgende olieprijs steeg het aandeel van deze subsidies in de nationale begroting tot 15 procent. Het is uiteraard vooral de middenklasse die hiervan profiteert, en de subsidie werd wat ingeperkt in 2013, maar onvoldoende om voor een kentering te zorgen. Indien de overheid dit bedrag zou investeren in sociale ontwikkeling of – om binnen dezelfde “sector” te blijven – in duurzame energieprojecten en openbaar vervoer, zou men een stevige aanzet kunnen geven in de richting van de uitbouw van een meer duurzame economie, die bovendien de toegang tot elektriciteit in de meest afgelegen gebieden van de archipel zou kunnen verzekeren.

Rechtszekerheid

De belangrijkste zorg van de plattelandsbevolking vandaag is echter niet zozeer meer subsidie, maar meer rechtszekerheid, bijvoorbeeld inzake de toegang tot land, beter onderwijs, een aansluiting op het elektriciteitsnet en betere mogelijkheden om hun producten op de markt te brengen.

Corruptie blijft immers een dagelijkse zorg voor de mensen en een enorme rem op de economie. Volgens Transparency Internationals Corruption Perception Index (2012) bevindt Indonesië zich op plaats 118 van 183 landen, niet echt een sterke score.

In 2002 richtte de overheid een anti-corruptie commissie op (de KPK). Ondanks pogingen van het parlement om de macht van de KPK in te perken kan de commissie een indrukwekkend palmares voorleggen. 

De recente arrestatie van een rechter van het Grondwettelijk Hof, Akil Mochtar, deed bijvoorbeeld heel wat stof opwaaien. Hij was verantwoordelijk voor toezicht op de lokale verkiezingen en “verkocht” blijkbaar overwinningen voor de districts- en gouverneursverkiezingen aan de hoogstbiedende. De prijs varieerde naargelang de economische opportuniteiten en kon oplopen tot ruim een half miljoen euro voor een districtshoofd. Tot zijn arrestatie stond het Grondwettelijk Hof in hoog aanzien bij de bevolking, want het deed een aantal opmerkelijke uitspraken die niet in lijn lagen van het beleid van de regering.

Ondanks of misschien dankzij een actieve anti-corruptiecommissie (KPK) blijft het toch corruptieschandalen regenen. De vrees dat de bedrijven en politici, die vaak zeer nauw verweven zijn, het op een onderling akkoord gooien, blijkt vaak terecht. Steeds meer ngo’s werken samen met de KPK omdat het één van de weinige overheidsinstellingen is waar ze vertrouwen in hebben.

Trots op democratie

De omverwerping van dictator Suharto en de omwentelingen van 1998-99, bekend onder de Indonesische term Reformasi, leidden niet alleen tot een meerpartijendemocratie, maar ook tot decentralisatie van het bestuur waarbij ook gouverneurs en bupatis of districtshoofden rechtstreeks verkozen worden. Al deze districten en provincies kregen een beperkt budget mee vanuit Jakarta, maar voor heel wat ambitieuze lokale leiders volstond dit niet, vandaar de wildgroei aan nieuwe concessies voor onder andere mijnbouw en plantages.  Dit leidde tot heel wat nieuwe conflicten tussen deze nieuwe elite en de bevolking, die vaak het gevoel had na de reformasi van de regen in de drop terecht te komen.

© Ikhlasu lAmal CC BY NC 2.0

Provinciale verkiezingen in Indonesië (2008).

De democratische credentials van Indonesië zijn intussen stevig gevestigd, dankzij de ruimte die de grondwet voorziet en de regering garandeert voor een sterk middenveld en een erg vrije pers. Het feit dat Indonesië ook het land met de grootste moslimbevolking ter wereld is, maakt die verwezenlijking des te interessanter – en het is ook voor Indonesiërs een bron van grote trots. ‘Indonesië is geen islamitische staat’, zegt Azyumardi Azra, directeur aan de Syarif Hidayatullah State Islamic University. ‘Maar het is wel een land met een zeer levendig en actief islamitisch middenveld, dat onze zin voor burgerschap voedt en de sociale cohesie bevordert.’

Volgens Azra wordt er vanuit de landen in het Midden-Oosten die in volle transitie zijn dan ook vaak en graag beroep gedaan op de expertise van Indonesië, dat volgens hem als model fungeert voor islamitische landen die af willen van corrupte autocraten.

Toch is de dreiging van een intolerant islamisme groter dan de vertegenwoordigers van de instellingen laten uitschijnen, wat zowel slecht nieuws is voor de seculiere staat, de religieuze minderheden als de inheemse volkeren. Nego Tarigan van Walhi, het Nationaal Forum voor Milieu, stelt dat die laatsten trouwens vooral bedreigd worden door de “ontwikkelingsstaat”’ die elders zo geprezen wordt voor de gerealiseerde groei: ‘Het is hoogdringend dat de beleidsmakers zich eindelijk bekommeren om de bevolking die niet zomaar deel wil uitmaken van die consumptiemaatschappij. Vorig jaar herstelde het Grondwettelijk Hof de landrechten van de inheemse volkeren, een belangrijke overwinning die hen beschermt tegen landroof door palmolie- of mijnbouwbedrijven. Zij hebben recht op hun eigen ritme van ontwikkeling.’

Buitenlands belang

Indonesië is door zijn ligging erg belangrijk voor de wereldhandel.

Ten slotte: Indonesië is niet alleen door de omvang van zijn economie, maar ook door zijn ligging erg belangrijk voor de wereldhandel. Edy Prasetyono, vice-rector van de faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen aan de Universiteit van Indonesië schat dat ‘meer dan 400 miljard dollar aan handel jaarlijks door onze wateren passeert’. Dat verklaart volgens analisten ook de aanzienlijke stijging van de defensiebegroting de jongste jaren, van 5,45 miljard dollar in 2011 naar 8 miljard dollar in 2013. Al is dat nog steeds minder dan 1 procent van het bnp – en minder dan het defensiebudget van Singapore.

De grootste zorg vanuit de Europese Commissie en vanuit multilaterale organisaties als de Wereldbank is dat Indonesië zijn economie minder open zou maken, in plaats van de internationale trend van steeds verdergaande liberalisering te volgen. In 2012 besliste de regering bijvoorbeeld dat mijnbedrijven na tien jaar minstens voor 51 procent in handen moeten komen van Indonesische partners. Begin 2014 ondertekende president Susilo Bambang Yudoyono een wet die de uitvoer van onverwerkte grondstoffen flink moet terugschroeven.

‘Nikkel, bauxiet (de grondstof van aluminium), chroom, goud, zilver en tin moeten vanaf heden eerst verwerkt worden alvorens ze geëxporteerd kunnen worden’, liet R. Sukhyar weten, algemeen directeur van het Indonesisch ministerie van Energie en Minerale Grondstoffen. De regering wil de eigen industrie opwaarderen door buitenlandse bedrijven te dwingen hun grondstoffen op Indonesisch grondgebied te verwerken. In het akkoord werd er wel een uitzondering gemaakt voor mijnbouwreuzen als Freeport-McMoRan en Newmont Mining, multinationals die eerder al beloofden smelterijen in het land te zullen bouwen.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift