Grof taalgebruik in de politiek: 'Taal is nooit vrijblijvend'

Hoe de taal verruwt: crapuul, uitschot, hou je bek en blijf in je kot, bitches

Flickr / Vetustense Photorogue (CC BY-NC 2.0)

 

‘We maken ze kapot’, liet Bart de Wever zich ontvallen over de federale regering. De Nederlandse premier Rutte had het voor de camera over ‘gewoon je bek houden’. We kregen de nodige portie taalgeweld van politici over ons heen de afgelopen weken. Wat zijn de gevolgen van die verruwing van politieke taal en debat?

‘Gewoon je bek houden als je daar zit.’ Zo verwoordde de Nederlandse premier Mark Rutte onlangs zijn ongenoegen over het gedrag van voetbalsupporters die de coronaregels aan hun laars lapten. Supporters mochten hun stem niet verheffen in het stadion, volgens die regels.

Ruw, grof en ronduit beledigend taalgebruik door politici, daar hebben we in deze coronaperiode al een goede portie van gekregen. Ook onze noorderburen ontsnappen er niet aan.

Rutte’s grove uitspraak ging niet aan de aandacht van de oppositie voorbij. ‘Taalgebruik leidt af van het telkens afschuiven van verantwoordelijkheid’, reageerde PvdA-leider Lodewijk Asscher. Rutte vond achteraf gezien dat hij niet had moeten schelden, maar zei wel achter de boodschap te staan.

Sommige politici hebben van grof taalgebruik hun handelsmerk gemaakt, en die grofheid is niet het kenmerk van één bepaalde politieke strekking.

De uitspraak van de Nederlandse premier doet denken aan het ‘Blijf in uw kot!’ van voormalig minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open Vld), de uitspraak die ze in maart bij het begin van de coronacrisis deed.

Eén dag na ‘Gewoon je bek houden’, op 21 september, golfde de verontwaardiging ook bij ons over sociale media, over het ‘We maken ze kapot’ van Bart De Wever. De N-VA-voorzitter gebruikte die woorden in het VIER-programma Gert Late Night. Hij liet zich in datzelfde filmpje denigrerend uit over zijn ‘blauwe collega’s’ en gebruikte termen als ‘op de knieën gaan’ en ‘doorslikken’, verwijzend naar de formatieonderhandelingen die op dat moment bezig waren. Presentator James Cooke reageerde nog verontwaardigd (‘Kom, je gaat te ver’), maar toen werd er geknipt.

Op 26 september was het de beurt van De Wevers partijgenoot Zuhal Demir, Vlaams minister van Justitie, om uit te halen naar Mathias De Clercq (Open VLD). In een reactie op Twitter noemde zij de burgemeester van Gent een ‘stokende haatsmurf die alles op een familiaal schoteltje kreeg’ en een ‘parvenu’. De Clercq had het aangedurfd een foto te posten van het Vlaams Belang-protest op de Heizel, waar een Vlaams Belanger en een N-VA’er naast elkaar stonden, met het commentaar ‘Eindelijk samen, eindelijk verenigd.’

Een paar weken verder terug in de tijd: vorige zomer hadden we, naast geweld op het strand, ook recht op een portie taalgeweld van politici die naar de vechtende jongeren in Blankenberge verwezen met de woorden ‘crapuul’ en ‘uitschot’. Taalgebruik dat wel gehanteerd werd voor de jongeren die uit Brussel kwamen, maar niet voor pakweg de Nederlandse jongeren die een paar weken eerder in Knokke amok maakten en politieagenten belaagden.

Sommige politici hebben van grof taalgebruik hun handelsmerk gemaakt. Maar het zou fout zijn om te denken dat grofheid een kenmerk is van een welbepaalde politieke strekking en dat andere politieke identiteiten zuiver zouden zijn. Taal is ook manipulatie en een strategie. En de verschuiving van de normen betreft niet alleen taal, maar is in alle aspecten van het leven te zien. Dat stelt Marc van Oostendorp, hoogleraar Nederlands en Academische communicatie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, vast.

‘De tijd dat er maar één omroep was en dat je je haar kamt en je stropdas rechttrekt voor je daar op verschijnt, is voorbij. Die omgangsvorm was ook aanwezig in verschillende aspecten van het leven. Ik ben professor en ik spreek lang niet meer zoals een professor dat vroeger deed. De omgangsvormen zijn steeds informeler geworden. Dat is wat sociologen de informalisering van de samenleving noemen’, zegt de taalkundige.

Weggelaten of eruitgeknipt

Er is meer. De verschuiving in het politieke discours kwam er volgens deskundigen na de intrede van radio en televisie in het parlement, en heeft zich verdergezet na de commercialisering van het medialandschap en de intrede van sociale media. Maar ruw taalgebruik door politici op zich in helemaal niet nieuw, alleen gebeurde dat voordien veel minder in het openbaar.

‘Een bekend voorbeeld zijn de Nixon Tapes’, zegt Van Oostendorp, verwijzend naar de opnames die in het Witte Huis werden gemaakt begin jaren 1970. ‘Die deden hem uiteindelijk de das om. Toen deze opnames in de openbaarheid werden gebracht, kwam ook het grove taalgebruik van de president, en met name zijn racistische taalgebruik ten opzichte van de zwarte burgers, aan het licht.’

Volgens Marlou Schrover, hoogleraar economische en sociale geschiedenis aan de Universiteit Leiden, werd ruw taalgebruik in het parlement geïntroduceerd door de communistische en de fascistische partij. Dat gebeurde in de jaren 1930. Maar de ruwe taal die er gebezigd werd, werd bij het notuleren van de debatten gewoon weggelaten.

Een ommezwaai in taalgebruik gebeurt niet van vandaag op morgen. Zelfs na de intrede van radio en televisie in het parlement was er een periode waarbij er een duidelijke scheidingslijn was tussen wat er op televisie en radio kwam en wat men zei wanneer de camera of microfoon uit stond. ‘Als een politicus verbaal uit de bocht ging, zou de verslaggever ingrijpen en een woord of een passage weglaten of eruitknippen’, zegt Marc van Oostendorp.

‘Maar de scheidingslijnen die vroeger werden getrokken, zijn nu niet makkelijk te handhaven. Dat komt door sociale media, maar op een bepaald moment ook door de intrede van commerciële radio en televisie’, zegt de taalkundige.

Populisme

In België en meer specifiek in Vlaanderen begon de verschuiving in taalgebruik in de jaren negentig, als deel van de evolutie naar meer populisme in de politiek. Ico Maly, docent Nieuwe media en politiek aan de Universiteit Tilburg: ‘In die periode was er aan de ene kant de commercialisering van het medialandschap, en langs de andere kant de opkomst van nieuwe politieke actoren die zich gingen voorstellen als de stem van het volk.’

De vraag is voor politici niet meer: ‘Hoe maak ik indruk door wat ik zeg?’, maar eerder ‘Hoe val ik op?’

Maly noemt deze evolutie de ‘formattisering’ van het politieke discours: alles wat gezegd wordt, moet in een voorafbepaald format passen. ‘Een politicus moet niet zozeer sterk zijn in speeches geven in het parlement, maar moet andere genres beheersen: het harde interview of de talkshow. Hij moet vlot zijn en oneliners produceren. Hij moet ook de logica van sociale media beheersen’, zegt Maly.

Met die formattisering werd het politieke discours inhoudelijk zwakker. Ook de manier waarop politici praatten begon te veranderen. ‘De nadruk kwam te liggen op de politicus als gewone mens, die ook gevoelens en emoties heeft. Denk maar aan Bert Anciaux die huilde voor de camera (in 2002, bij zijn ontslag als minister, red.).’

‘De vraag is in dit sterk gemediatiseerd en commercieel landschap niet meer: “Hoe maak ik als politicus indruk door wat ik zeg?”’, stelt Maly vast. ‘Maar eerder: “Hoe val ik op? Hoe zorg ik ervoor dat ik gehoord word in een ruimte die volgeduwd wordt met meningen?”

“De dingen benoemen”

Politici moeten dus steeds meer praten als die gewone mens en moeten zogenaamd ‘de dingen benoemen’. Bij rechtse partijen, stelt Ico Maly, ging dat samen met het isoleren van bepaalde groepen van de samenleving, en met heel grove dingen zeggen over deze groepen. ‘Filip De Winter van het Vlaams Belang heeft er heel zijn politieke carrière op opgebouwd’, zegt Ico Maly.

Is die verruwing in taal dan vooral het werk van rechtse partijen? ‘Het is dubbel’, beantwoordt Maly die vraag. ‘De inhoud van het discours is meestal anders aan de verschillende kanten van het politieke spectrum, maar er zijn ook gelijkenissen.’

Hij haalt enkele voorbeelden van vroeger én nu aan: ‘Louis Tobback (sp.a, red.) bijvoorbeeld sprak in de jaren negentig over de vluchtelingen die “als meeuwen die op een stort komen zitten”. En tegenwoordig heb je het taalgebruik van iemand als Conner Rousseau, de sp.a-voorzitter. Die spreekt als een jonge gast van 22, die volledig apolitiek is. Heel zijn communicatie is daarop gebouwd.’

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Tag iemand die het moeilijk heeft in quarantaine #corona (Of iemand die je weg wilt)

Een bericht gedeeld door Conner Rousseau (@kingconnah) op

Terwijl politici in de jaren 1960 en 1970 probeerden indruk te maken met de inhoud van hun speeches en door eloquent over te komen, willen politici nu andere indrukken achterlaten. ‘Conner Rousseau bijvoorbeeld wil vooral cool overkomen. En dat gaat van zijn basketschoenen bij een bezoek aan de koning tot zijn Instagram-account, die vanuit politiek perspectief totaal inhoudsloos is’, zegt Ico Maly.

Dat al die zaken samen niet alleen de politiek herscheppen maar ook de hele samenleving, daar zijn de deskundigen het over eens. Niet alleen heeft het samenspel tussen media en taalgebruik effect op hoe een ‘goede politicus’ wordt gedefinieerd, maar ook op hoe wij als mensen met elkaar praten en hoe we met elkaar omgaan. Het heeft ook effect op de verhoudingen tussen de verschillende politieke identiteiten én tussen nationale en etnische identiteiten. ‘Taal is nooit vrijblijvend, nooit’, benadrukt de docent Nieuwe media en politiek.

Crapuul, uitschot, tuig

‘Als je mensen als crapuul bestempelt, bestaat de kans dat ze zich ook zo gaan gedragen.’

Dat deze gang van zaken bij veel mensen een bron van ergernis en vooral van bezorgdheid is, valt af te leiden uit onder andere de manier waarop een filmpje van Angela Merkel ontvangen werd op sociale media. In het filmpje waarschuwde de Duitse kanselier voor ruw taalgebruik. ‘Taalgebruik is de voorloper van het handelen. Eenmaal de taal het verkeerde pad op gaat, gaat ook het handelen het verkeerde pad op’, zei ze. Het filmpje ging viraal.

‘Een terugkeer van een beetje vormelijkheid in onze taal is misschien wenselijk, maar ik denk dat het heel moeilijk is om te zeggen waar de scheidingslijn ligt. Informeel en plat taalgebruik betekent niet noodzakelijk dat het onbeschoft of onaardig moet zijn’, benadrukt hoogleraar Marc van Oostendorp. Net daarom is het zo moeilijk om een scheidingslijn te trekken tussen wat aanvaardbaar is en wat niet.

Maar het is voor de taalkundige wel duidelijk dat woorden als tuig, crapuul en uitschot de grens overschrijden. ‘Terwijl uitspraken als “Hou je bek’ of ‘Blijf in uw kot” willekeurig naar alle burgers van het land gericht zijn, gaan woorden als tuig of uitschot over bepaalde mensen, en zeker over een bepaalde groep mensen in de samenleving. Door die termen vaak te herhalen, nestelen ze zich bewust of onbewust in je hoofd. En dat is duidelijk een factor die kan leiden tot meer discriminatie’, zegt hij.

‘Het gebruik van extreem negatieve woorden heeft een weerslag op de manier waarop kinderen en jongeren naar zichzelf kijken.’

Die bedenking maakt ook Baldwin van Gorp zich, docent communicatiemanagement en journalistiek en coördinator van het Instituut voor Mediastudies aan de KU Leuven. ‘Misschien is de redenering achter het gebruik van termen als tuig en crapuul dat het om uitzonderingen gaat, om de rotte appels in de mand, dat kan. Het is mogelijk dat men met die woorden die tien of twintig heethoofden wil viseren, en niet een hele groep. Maar ik weet niet of het in de hoofden van de meeste mensen zo werkt’, zegt hij.

 

Van Gorp wijst er ook op dat taal niet louter beschrijvend is. ‘Het is niet zo dat je één realiteit hebt en dat taal die realiteit weergeeft. Taal geeft mee vorm aan de realiteit’, duidt hij. ‘Een woord als crapuul roept een bepaald beeld op. Door mensen crapuul te noemen ga je anders naar hen kijken, ga je ook je gedrag ernaar aanpassen, ga je ingrijpen in die realiteit en gaat deze realiteit zich mogelijk helemaal richten naar dat taalgebruik.’

‘Als je mensen als crapuul bestempelt,’ vervolgt Van Gorp, ‘bestaat de kans dat ze zich ook zo gaan gedragen. Ze gaan zich verzetten, misschien zelfs agressief handelen. En dan krijg je de reactie: zie je wel, dit is crapuul. Een soort self fulfilling prophecy,.’

Dehumaniserend

Voor Mireille-Tsheusi Robert, voorzitster van Bamko, een vzw die rond interculturaliteit en racisme werkt, heeft dit taalgebruik niet alleen effect op de geviseerde groep, jongeren die amok maken of crimineel gedrag vertonen. Het heeft ook heeft effect op alle kinderen die tot dezelfde etnische groep behoren.

‘Problemen worden overroepen, en het gebruik van extreem negatieve woorden heeft een weerslag op de manier waarop kinderen en jongeren naar zichzelf kijken. Vooral omdat er daarnaast geen positieve voorbeelden naar voren worden geschoven, tenzij in de sport of in de showbizz. Jongeren stellen zichzelf gelijk aan de beschrijving die hen wordt gegeven.’

Mireille-Tsheusi Robert deed als jeugdwerker onderzoek naar stadsbendes en bracht de verschillende uitingen van racisme tegen zwarte mensen in kaart. Ze is ook een van de auteurs van Being Imposed Upon, een collectie van reflecties over vrouw-zijn en zwart-zijn in België.

‘Mensen bestempelen als tuig, crapuul en uitschot is hen misprijzen en dehumaniseren. Dat is extreem gevaarlijk. En wanneer publieke figuren deze termen gebruiken, dehumaniseren ze niet alleen diegenen die zich schuldig maakten aan geweld, maar alle mensen die op hen lijken.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2940   proMO*’s steunen ons vandaag al. We hopen 2021 te kunnen starten met 3000 proMO*‘s, word jij er één van?

Word proMO* of Doe een gift