Klimaat daagt dominante economische modellen uit

Analyse

Studenten proberen alternatieve economische theorieën te introduceren aan de universiteit

Klimaat daagt dominante economische modellen uit

Klimaat daagt dominante economische modellen uit
Klimaat daagt dominante economische modellen uit

Lorenzo Buti

29 juli 2019

De klimaatverandering confronteert economen met ongemakkelijke vragen. Intussen vragen studenten meer alternatieve theorieën in hun opleiding economie.

Adbusters (CC BY-NC 2.0)

Adbusters (CC BY-NC 2.0)

De klimaatverandering bonst op de poorten van de heersende economische ideeën, maar het debat over de economie van morgen is nog lang niet beslecht.

Eerder deze maand publiceerde het Europees Milieubureau (EEB) een wetenschappelijk rapport tegen de mogelijkheid van ‘groene inclusieve groei’. Het rapport weerlegt dat economische groei zich kan loskoppelen van de excessieve ontginning van natuurlijke grondstoffen en dat die op termijn geen schade meer zou aanbrengen aan het klimaat.

‘Men gaat ervan uit dat het voor individuen beter is als ze altijd meer kunnen consumeren. Wat ontbreekt is de vraag: wanneer hebben we genoeg?’

Door het idee onder vuur te nemen dat marktgerichte economische groei zich op lange termijn binnen de natuurlijke grenzen van de aarde kan bewegen, daagt het rapport gevestigde economische waarheden uit.

Het is niet de eerste keer dat dit gebeurt. Jonas Van der Slycken, doctoraatsstudent in de sociale ecologische economie aan de vakgroep Economie (UGent), formuleert scherp de kritiek. ‘De meeste economische theorieën gaan uit van het idee dat mensen onverzadigbaar zijn. Men gaat ervan uit dat economieën moeten blijven groeien en dat het voor individuen beter is als ze altijd meer kunnen consumeren. Wat ontbreekt is de vraag: wanneer hebben we genoeg?’

De econome Kate Raworth, bedenker van het populaire model van de “donuteconomie”, schrijft dat ‘mainstream economische theorie belooft dat groei onze maatschappelijke problemen kan oplossen – maar waarom kan deze theorie dan zo slecht om met de sociale en ecologische gevolgen van haar eigen voorschriften?’ Raworths antwoord is duidelijk: we hebben nieuwe modellen van de economie nodig.

Studentenrevoltes binnen de economie

Sommige studenten economie nemen dergelijke kritieken ter harte. In de nasleep van de financiële crisis richtten enkele misnoegde studenten de groep Rethinking Economics op. Ze kwamen een eerste keer samen in het Duitse Tübingen, maar de beweging spreidde uit naar verschillende universiteiten op alle continenten. België telt onder meer afdelingen in Gent, Brussel en Louvain-la-Neuve. Ook in Leuven en Antwerpen bereiden studenten economie een lokale afdeling voor.

Volgens Van der Slycken hanteren economen te vaak een enge economische bril

Van der Slycken richtte mee de afdeling Rethinking Economics in Gent op. ‘Ikzelf en een aantal studenten deelden een frustratie over het lessenpakket binnen de opleiding economie. We wilden die frustraties omzetten in engagement om de opleiding te veranderen. Zo hebben we de lokale afdeling in Gent opgericht.’

De groep Rethinking Economics wil de opleiding economie te pluraliseren. ‘Een van onze doelen is om heterodoxe stromingen meer in het curriculum te laten komen’, zegt Van der Slycken. ‘Momenteel bestaan er weinig mogelijkheden om in contact te komen met alternatieve theorieën, die een heel andere kijk kunnen geven op de economie.’ Volgens Van der Slycken hanteren economen te vaak een enge economische bril, wat onder andere ecologische perspectieven uitsluit.

Neoklassiek gedachtegoed

Maar wat verkondigen de dominante economische theorieën, en hoe geloofwaardig is de bewering dat ze achterhaald zijn? Erwin Ooghe, professor publieke economie aan de KU Leuven en mederedacteur van het belangrijkste handboek economie voor bachelor studenten economie, legt uit dat de neoklassieke school vandaag het meest wordt gedoceerd in klaslokalen en aula’s. Ook economen werken voornamelijk binnen de neoklassieke traditie.

Het neoklassieke paradigma vertrekt van individuen die elkaar ontmoeten op een economische markt, om via een ruil van geld en goederen hun eigen welvaart te verbeteren. Zo ontstaat er een vraag en een aanbod en bereikt men een gepaste prijs voor producten. Volgens Ooghe kan het neoklassieke model voor alle contexten worden ingezet: de handel van bananen, beslissen om al dan niet hoger onderwijs te volgen of belastingheffingen op vliegtuigtickets. ‘Heel wat neoklassieke theorieën vertrekken van voldoening door consumptie, maar eigenlijk is het een zeer algemeen model’, zegt Ooghe. ‘De inhoud van de voorkeuren van mensen blijft open.’

De belangrijkste grondleggers van de neoklassieke school, zoals Alfred Marshall en Léon Walras, trachtten de studie van de economie zo sterk mogelijk te doen lijken op de natuurwetenschappen. Zij waren ervan overtuigd dat de economie gehoorzaamt aan quasi-natuurwetten die men met wiskundige precisie kon vastleggen.

Volgens Sacha Dierckx, wetenschappelijke medewerker van de progressieve denktank Minerva, knelt het schoentje al van het begin. Om economisch handelen in wiskundige termen te vatten, moesten de neoklassieke economen namelijk beroep doen op hoogst onrealistische vooronderstellingen, zoals dat mensen altijd rationeel handelen en dat hun behoeften oneindig zijn.

‘Veertig jaar geleden vonden wij als studenten economie al dat de orthodoxe neoklassieke economie te weinig aansloot bij de werkelijke motivaties van mensen.’

‘Als je uitgaat van vooronderstellingen die niet realistisch zijn, dan weet ik niet of het interessant is om daar zo lang over door te gaan. Deze uitgangspunten brengen dan conclusies voort die niet relevant zijn voor de realiteit.’

Dit kan soms tot bizarre situaties leiden. Dierckx verwijst naar de cursus milieueconomie aan de Universiteit Gent. Die verkondigde in 2010 nog dat ‘het niet bewezen was dat de baten om klimaatverandering aan te pakken de kosten zouden overtreffen,’ volgens Dierckx het resultaat van een te enge blik op hoe de economie functioneert.

Mee op de barricades

Toch lijkt de realiteit complexer dan sommige critici beweren. Volgens Antoon Vandevelde, professor emeritus aan de KU Leuven, is de economische wetenschap een stuk diverser dan enkele decennia geleden. De kritiek op de neoklassieke school is bovendien allesbehalve nieuw. ‘Veertig jaar geleden vonden wij als studenten economie al dat de orthodoxe neoklassieke economie zijn tijd had gehad, dat die veel te abstract was en te weinig aansloot bij de werkelijke motivaties van mensen.’

‘Ik kan mij persoonlijk moeilijk inbeelden dat de economische wetenschap ooit weg zal gaan van de neoklassieke vorm.’

Vandevelde stond toen mee op de barricaden. Maar sinds die tijd is er veel veranderd. ‘De neoklassieke economie keek steeds meer naar alternatieve tradities om zichzelf realistischer te maken. Heterodoxe benaderingen kwamen zo binnen in de orthodoxe theorie.’ Argumenten over de sociale en ecologische tekortkomingen van de vrije marktwerking komen nu bijvoorbeeld wel degelijk aan bod in de studie van de economie. ‘Vroeger was het idee van marktfalingen een kleine toevoeging in de cursus economie, terwijl dat nu behoort tot de kern van de mainstream economische wetenschap,’ vertelt Vandevelde.

Volgens Ooghe is de huidige economische discipline inderdaad meer divers dan vaak wordt gesuggereerd. ‘We hebben er altijd over gewaakt dat ons inleidend handboek economie redelijk breed is. Sinds de publicatie van het boek van Thomas Piketty over ongelijkheid gaat er bijvoorbeeld meer aandacht naar de economische verdeling van inkomen over kapitaal.’ Het handboek bespreekt ook de risico’s van milieuvervuiling ten gevolge van economische activiteit.

Ondanks de groeiende diversiteit benadrukt Ooghe dat de hoofdstroming toch neoklassiek blijft. ‘Ik kan mij persoonlijk moeilijk inbeelden dat de economische wetenschap ooit weg zal gaan van de neoklassieke vorm, namelijk, een model van economische actoren met verlangens en beperkingen.’

Volgens Van der Slycken bestaan er wel degelijk alternatieve modellen om de economie te bestuderen. In het licht van de klimaatverandering zouden deze zelfs onontbeerlijk kunnen zijn. ‘De neoklassieke theorie ziet milieuproblemen gewoonlijk als “externaliteiten” van de marktwerking, dus iets dat extern is aan de kernanalyse. Vervolgens gaan ze die markten wat proberen te corrigeren om opnieuw optimale efficiëntie te bereiken. Voor de alternatieve ecologische benadering zijn milieuproblemen niet zomaar externaliteiten, maar integraal aan het economisch proces. Wij spreken over “kostenverschuivingen” van bedrijven naar de samenleving, de armen, het globale zuiden, toekomstige generaties of naar het levensondersteunende ecosysteem. Het woordgebruik van “kostenverschuivingen” in plaats van “externaliteiten” biedt al een volledig ander perspectief.’

(CC BY-SA 4.0)

Kate Raworths bekende diagram van de donuteconomie

(CC BY-SA 4.0)

Internationaal dominant

‘Het zal een werk van lange adem zijn om dat pluralisme in de economische opleiding te krijgen.’

Mattias Vermeiren, professor Internationale Politieke Economie aan de UGent, toont zich voorstander van meer pluralisme binnen de economische discipline. ‘Er bestaat meer diversiteit in de andere sociale wetenschappen, zoals de sociologie en de politieke wetenschappen, dan in de economie. Docenten en professoren brengen dat pluralisme ook in hun lessen.’

Vermeiren duidt wel op de structurele obstakels om de economische wetenschap te pluraliseren. ‘Het zal een werk van lange adem zijn om dat pluralisme in de economische opleiding te krijgen, want de neoklassieke economie is nog altijd internationaal dominant.’ Die dominantie weerspiegelt zich in de meest invloedrijke academische tijdschriften, waarin academici moeten publiceren om relevant te blijven.

‘Het is niet evident om als universiteit mensen aan te werven waarvan je het gevoel hebt dat die toch niet kunnen publiceren in de meest toonaangevende internationale tijdschriften, waar faculteiten toch altijd naar streven. Het is dus een structureel probleem van een gebrek aan divers personeelbestand, want uiteindelijk zijn het de professoren die pluralisme in de lessen moeten brengen.’

Uitdagingen van de 21ste eeuw

In ieder geval zal de studie van de economie zich moeten blijven aanpassen om de uitdagingen van de 21ste eeuw tegemoet te komen. Het is daarbij nog niet beslist of het neoklassieke model die de baas zal kunnen of dat andere modellen het zullen overvleugelen.

Voor Antoon Vandevelde biedt klimaatverandering de grootste uitdaging voor het economisch denken. ‘De meeste economen blijven te optimistisch over economische groei. Vooral economen die beleidsgericht zijn gaan ervan uit dat economische groei maatschappelijke conflicten kan oplossen en ongenoegen wegnemen. Maar dat is een model dat stilletjes aan op z’n einde loopt. Duurzaamheid ernstig nemen betekent dat economische groei gebruikt zal moeten worden om de wereld in stand te houden in plaats van materiële inkomens te verhogen. Maar resoluut kiezen voor duurzaamheid is moeilijk.’

‘Economisch beleid zal altijd indirect politiek blijven.’

Economische wetenschappen mag de confrontatie met de politiek daarbij niet schuwen. ‘Sommige economen houden vast aan een te technische visie op de economie, waarbij macro-economisch beleid best onafhankelijk blijft van de politiek’, zegt Vermeiren. ‘Maar economisch beleid zal altijd indirect politiek blijven. Uiteindelijk gaat het altijd om bepaalde afwegingen die moeten worden gemaakt. Wanneer duidelijk wordt dat het moeilijk is om bepaalde economische keuzes te maken, is het essentieel dat er een democratisch debat plaatsvindt over macro-economisch beleid en de verschillende instrumenten die we kunnen inzetten.’

Sacha Dierckx hoopt alvast dat ze tot gevolg kunnen hebben dat de economie een bescheidenere plaats inneemt in het publiek debat. ‘De economische wetenschap is nuttig, maar heeft zijn grenzen en mag het debat niet overheersen.’

Antoon Vandevelde treedt hem hier bij: ‘Sinds de financiële crisis in 2008 is de nederigheid van de meeste economen toegenomen. Men beseft nu dat de economische wetenschap goed kan verklaren wat vroeger heeft plaatsgevonden, maar slecht is in het voorspellen van toekomstige ontwikkelingen. Dat heeft die economen ook een klein beetje sympathieker gemaakt.’

Initiatieven als Rethinking Economics tonen dat het debat over de meest invloedrijke economische ideeën nog niet beslecht is. Wellicht doen faculteiten economie er het best aan om dit debat in hun leslokalen te laten voeren.