Leve de democratie! Leve het religieuze nationalisme?

Met de verkiezing van Narendra Modi in India geraakt het “levensgevaarlijke” verkiezingsjaar in Zuid-Azië stilaan afgerond. Modi en zijn Pakistaanse collega Sharif drukten elkaar meteen na de eedaflegging in Delhi de hand. Zijn deze conservatieve, religieuze nationalisten beter in staat voor vrede te zorgen dan hun seculiere voorgangers? Gie Goris maakt een round-up van wat de verkiezingen in India, Afghanistan, Iran en Pakistan opgeleverd hebben: nieuwe machthebbers die zich ideologisch profileren als vertegenwoordigers van de conservatieve, religieus-nationalistische middenklasse met een economisch programma dat duidelijk neoliberaal klinkt.

  • © Reuters/Adnan Abidi Eerste minister Modi van India (rechts) schudt de hand van zijn Pakistaanse collega Sharif, New Delhi, 27 mei 2014. © Reuters/Adnan Abidi

Het politieke klimaat en de daarin geldende mores zijn in Zuid-Azië altijd al wispelturig, maar de voorspellingen voor het komende jaar zijn extreem ongunstig.’ In die verontrustende zin verwoordde ik een dik jaar geleden de onzekerheid en het dreigende politiek geweld dat samenhing met de nakende verkiezingen in Pakistan, Iran, India en Afghanistan.  

‘De gekende gezichten van Hamid Karzai, Mahmoud Ahmedinejad en Manmohan Singh verdwijnen zeker van het wereldtoneel. In Afghanistan heeft men nog geen idee van waar een nieuwe president zou moeten komen, aangezien er geen politieke infrastructuur die naam waardig is en president Karzai altijd geweigerd heeft een politieke partij uit te bouwen.’

Democratie werkt

Een jaar later kennen we drie van de vier nieuwe machthebbers: Nawaz Sharif in Pakistan, Hassan Rouhani in Iran, Narendra Modi in India. Alleen Afghanistan moet nog een definitieve keuze maken tussen Abdullah Abdullah en Ashraf Ghani.

De campagnes zijn niet vlekkeloos verlopen –in Pakistan werden volgens het Pakistan Institute for Peace Studies 527 mensen gedood en 1102 mensen gewond bij politiek geweld in aanloop naar 11 mei 2013- maar toch is het aangekondigde jaar van gevaarlijk leven verrassend rustig en volgens de regels verlopen. In de vier landen werd een hoge opkomst vastgesteld en een betrekkelijk vrije en eerlijke kiesstrijd.

Ook de burgers van landen die zich uitgesproken anti-westers opstellen opteren massaal voor de procedure die hen minstens om de zoveel jaar een stem geeft in de politieke besluitvorming.

De pleitbezorgers van de op westerse leest geschoeide democratie hebben daarmee een vlag om mee te zwaaien: ook de burgers van landen die zich uitgesproken anti-westers opstellen, zoals Pakistan, Iran en Afghanistan, opteren massaal voor de procedure die hen minstens om de zoveel jaar een stem geeft in de politieke besluitvorming.

Wie cynisch wil zijn over de impact van verkiezingen, moet maar eens kijken naar de doodsverachting waarmee mensen in Afghanistan en Pakistan het boycot-diktaat door de taliban naast zich neerleggen. Of kijk naar Iran, waar de verkiezingen vooraf geamputeerd worden door de theocratische machthebbers, en toch resulteren in sterke inhoudelijke debatten waarbij weinig taboes gelden. Of naar India, waar zelfs de massaal aanwezige armoede, analfabetisme en corruptie er zelfs niet in slagen om de reële keuzevrijheid van de kiezer te ondermijnen.

Alles kan beter, uiteraard, maar het voorbije jaar ging het toch verbazend goed in Zuid-Azië.

“Hervormingsgezind”

De meest relevante trend die uit dit verkiezingsjaar voor Zuid-Azië komt, is echter niet de procedure, maar het resultaat. De nieuwe sterke mannen –inderdaad, geen vrouw in zicht- van Pakistan, Iran en India hebben een opvallend gelijkaardig profiel. En dat geldt vooraf ook voor wie in Afghanistan uit de bus zal komen als nieuwe president.

Het zijn telkens mannen die zich ideologisch profileren als vertegenwoordigers van de conservatieve, religieus-nationalistische middenklasse met een economisch programma dat duidelijk neoliberaal klinkt. In de westerse pers wordt vooral op dat laatste gefocused.

Wie bereid is meer buitenlandse investeringen toe te laten en zich te onderwerpen aan de regels van de Wereldhandelsorganisatie, wie de wetten van het internationale flitskapitaal aanvaardt en zijn land zo wil inrichten dat binnen- of buitenlandse ondernemers er graag zaken doen, zo een president of eerste minister krijgt het kwaliteitslabel “hervormingsgezind”, waardoor de deuren naar Davos en New York wijd open zwaaien.

Ik ben hindu en daar ben ik fier op

Het religieuze nationalisme van de nieuwe machthebbers wordt daarbij onder het Perzisch tapijt geveegd, want het klopt niet met wat het Westen definieert als “hervormingsgezind”, zeker niet als de religie in dat nationalisme ook nog eens de islam is. Nochtans is net dat aspect de ideologische basis van het draagvlak van de nieuwe presidenten en premiers.

De eclatante overwinning van Narendra Modi en zijn Bharata Janata Party (BJP) in de recente Moeder van Alle Verkiezingen illustreert het belang van religieus-cultureel nationalisme misschien nog het best, al was het maar omdat de verkiezingen gedeeltelijk juist op dat punt uitgevochten werden.

De aantrekkingskracht van Modi lag op de eerste plaats in de combinatie van zijn ervaring als goed en efficiënt bestuurder in Gujarat en zijn belofte op hernieuwd hoge groeicijfers door economische “hervormingen” –lees: verdere liberalisering.
De Congress-partij van de dynastieke Gandhi’s, maar ook het ruime spectrum aan linkse partijen probeerden Modi nog te stoppen door te wijzen op zijn communautaire discours, op zijn vermeende verantwoordelijkheid voor de anti-moslim pogrom in Gujarat, op zijn verleden in de extreem-hindoeistische en op apramilitaire leest geschoeide RSS… Het mocht niet baten.

Grote delen van het Indiase electoraat blijken zich niet te storen aan het hindoenationalisme van Modi en zijn BJP.

Niet alleen bleek de aantrekkingskracht van beloofde welvaart en bestrijding van corruptie te groot, bovendien storen (heel) grote delen van het Indiase electoraat zich niet aan het hindoenationalisme van Modi en zijn BJP.

Wel integendeel, het voegt een noodzakelijke dimensie van nationale trots en eigenheid toe aan een politiek debat dat al te vaak zijn best doet om het Westen te plezieren. In een interview met Amartya Sen begin dit jaar verwonderde de Nobelprijswinnaar zich ook al over het feit de regering Singh maar bleef verwijzen naar het nucleair akkoord met de Verenigde Staten als haar grote verwezenlijking.

‘Waarom snijdt ze niet op over het uitroeien van polio? Of over de tewerkstellingssteun voor werklozen op het platteland? Over de wet op voedselzekerheid?’ vroeg Sen zich af. Hij had zich ook kunnen afvragen waarom de seculiere partijen er niet in slagen om hun electoraat een gevoel van trots op hun collectieve eigenheid te geven. Want dat is in een wereld die geëgaliseerd wordt voor de krachten van de mondialisering een essentiële behoefte, zoveel blijkt uit de uitslag van de Indiase verkiezingen, maar ook in de buurlanden.

“Gematigde” moslimleiders

In Pakistan en Iran liggen de kaarten wel enigszins anders. Nawaz Sharif en zijn Muslim League moesten zich niet meten met een uitgesproken seculiere concurrent -de PPP van Zardari hing al uitgeteld in de touwen voordat de campagne begon- maar konden zich integendeel afzetten tegen het extremisme van jihadi’s, militanten en opstandelingen allerhande.

Zijn religieus conservatisme is even vroom en militant als de meerderheid van de Pakistanen: in naam, voor de vorm en als schild tegen het echt dogmatische fanatisme van gewapende groepen.

Hassan Rouhani in Iran belichaamt een vergelijkbaar religieus maatschappij-ideaal, maar dan als alternatief voor de officiële staatsideologie die gebouwd is op de machtstheologie die geformuleerd werd door ayatollah Khomeini en krampachtig verdedigd wordt door huidig ayatollah Khamenei en zijn kringen.

Door zich niet expliciet af te zetten tegen die ideologie, kan Rouhani deelnemen aan de politiek en besturen; door de nadruk te leggen op persoonlijke verantwoordelijkheid en openheid voor de wereld, verzamelde hij zelfs de stemmen van regimehaters en binnenshuis geseculariseerde jongeren.

Het meest gecontesteerd is het religieuze nationalisme van de Afghanen, omdat het Westen er de voorbije 12 jaar massaal geïnvesteerd heeft in de opbouw van een democratische rechtsstaat. De inzet van militaire middelen, diplomatiek kapitaal, belastinggeld en ontwikkelingsmiddelen in Afghanistan zijn historisch ongeëvenaard.

Het meest gecontesteerd is het religieuze nationalisme van de Afghanen.

Die investeringen zijn grotendeels gedreven door westerse staatsbelangen en zakelijke vooruitzichten, maar worden op het publieke forum verkocht met democratische argumenten, met name met de verwijzing naar de grondwet van 2001 waarin vrouwen gelijke rechten en burgers mensenrechten gegarandeerd worden.

De regeringen onder president Hamid Karzai hebben die garanties de voorbije jaren al behoorlijk uitgehold en binnen machtskringen in Kaboel blijkt een behoorlijk grote bereidheid om daarin nog verder te gaan, op zoek naar een “nationale verzoening” met de opstandelingen die door een extreem-religieus-nationalistische agenda gedreven worden en zich dus afzetten tegen elke maatregel die klinkt alsof hij door de kafirs uit Westen gedicteerd is.

De twee presidentskandidaten die op 14 juni de tweede ronde van de presidentsverkiezingen uitvechten, hebben elk behoorlijk goede geloofsbrieven in het Westen en worden als “gematigd” omschreven. In de aanloop naar de tweede ronde is de religiositeit van de kandidaten zelfs een stevig onderwerp van debat geworden, waarbij Ashraf Ghani -na beschuldigingen van ongeloof- opriep tot een publiek debat over geloof. Een voorstel dat door Abdullah afgedaan werd als een platte, pre-electorale grap.

Fundamentele contradicties

Het is voor Europa en de Verenigde Staten een hele zware opdracht om religieus nationalisme als een legitieme, democratische keuze te zien. Getuige daarvan is de omgang met de verkiezingsoverwinningen van Hamas in de Palestijnse Gebieden en van de Moslimbroeders in Egypte.

Het probleem is echter niet de veronderstelde botsing tussen de absolute waarheidsaanspraken van (monotheïstische) religies met het fundamentele pluralisme dat noodzakelijk is voor een waarachtige democratie. Getuige daarvan de omgang met het koninkrijk Saoedi-Arabië, het Vatikaan of Malta. Daarmee is niet gezegd dat die botsing niet reëel is en dringend om een oplossing vraagt, waarbij de rechten van individuen op eigen keuzes gegarandeerd wordt, ongeacht de collectieve keuze voor een eventuele religieuze fundering van de staatssoevereiniteit.

Het ware probleem is dat religieus nationalisme slecht is voor de cultureel-commerciële hegemonie van het Westen in de wereld. De politieke projecten die vandaag aan de macht zijn of komen in Zuid-Azië bevatten dan ook een fundamentele contradictie: ze beloven nationale soevereiniteit op basis van een sacraal gelegitimeerde eigenheid, maar ze beloven tegelijk dat het afbouwen van die soevereiniteit ten voordele van internationale vrijhandel voor voorspoed en materiële welstand zal zorgen.

De bevolkingen van Zuid-Azië willen beide beloften gerealiseerd zien. De vraag is dan ook wat ze zullen doen als blijkt dat  ze wel religieus bestuur, maar geen soevereiniteit krijgen, en als ze wel vrijhandel, maar geen breed gedeelde vooruitgang zien. Dat is een vraag voor een volgende ronde verkiezingen, al hebben Afghanen, Pakistanen, Indiërs en Iraniërs niet de gewoonte hun beurt netjes af te wachten. Het blijft, met andere woorden, toch gevaarlijk leven in de regio.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2745   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur