Minister De Croo noemt overheidsbudget voor ontwikkeling verouderd en (bijna) niet relevant

Alexander De Croo vindt de officiële ontwikkelingshulp (ODA) een voorbijgestreefd concept uit de nadagen van de koloniale periode. Vandaag moet het over investeringen, winst en meetbare resultaten gaan, vindt hij. Ontwikkelingseconoom Jeffrey Sachs daagt de minister uit: verhoog je budget eindelijk tot de beloofde 0,7 procent. Dan kan je resultaten vragen.

Als mensen praten over het financieren van ontwikkeling, dan hebben ze het meteen over ODA, het overheidsbudget voor ontwikkelingssamenwerking’, zegt minister van Ontwikkelingssamenwerking De Croo. ‘Maar is die officiële ontwikkelingshulp echt de sleutel waarmee ontwikkeling ontsloten kan worden? Ik denk het niet.’

CC Dylan Lowthian/UNDP (CC BY-NC-NA 2.0)

 

De VN-week bracht minister voor Ontwikkelingssamenwerking Alexander De Croo tweemaal naar Columbia University in New York, waar hij op uitnodiging van ontwikkelingseconoom Jeffrey Sachs een toespraak hield voor studenten en voor het Sustainable Development Solutions Network, een uitgelezen publiek van academici, diplomaten en zakenmensen. De Croo had het over de beperkte impact van het overheidsbudget voor ontwikkelingssamenwerking en de noodzaak om in te zetten op privékapitaal om de duurzame ontwikkelingsdoelen (sdg’s) te realiseren. Dat zijn geen nieuwe thema’s voor de minister, maar hij bracht ze in New York met extra verve.

Het zijn niet de overheidsmiddelen die voor ontwikkeling zorgen, maar de combinatie van drie voorafgaande voorwaarden: stabiliteit, politieke wil en goed bestuur.

De Croo argumenteert de beperkingen of zelfs het falen van ontwikkelingshulp met een vergelijking tussen Congo en Ethiopië. Volgens de minister kreeg Congo de voorbije decennia veel meer ontwikkelingsgeld dan Ethiopië, terwijl het voor iedereen duidelijk is dat Ethiopië er vandaag economisch veel beter aan toe is, terwijl Congo ‘over de hele lijn een catastrofe is’. Conclusie: het is niet de ODA die voor ontwikkeling zorgt, maar de combinatie van drie voorafgaande voorwaarden: stabiliteit, politieke wil en goed bestuur.

Tot zo ver is er niets controversieels gezegd, lijkt het. Toch schoot de eerste vraagsteller op Columbia University met scherp: als een Belgische minister vaststelt dat de ontwikkeling in Congo zo catastrofaal is, zou hij dan ook niet naar de eigen koloniale verantwoordelijkheid moeten kijken? En als hij argumenteert dat ontwikkeling geen kwestie is van hulp of geven, moet hij dan misschien niet nadenken over herstelbetalingen voor de schade die een land als Congo geleden heeft door de Belgische kolonisatie?

De Croo ging niet in op de provocatie. Hij antwoordde dat geven net ontstaat door achterom te kijken en het verleden te willen goedmaken, terwijl ontwikkeling over de toekomst gaat en dus ook alleen met dat perspectief voor ogen vormgegeven kan worden. Gastheer Jeffrey Sachs, aan Columbia University, viel wat dat betreft De Croo bij, en stelde dat de huidige chaos in de Democratische Republiek Congo veel meer de verantwoordelijkheid was van de interventiezucht van de VS, met de CIA in een leidende rol bij zowel de moord op Lumumba als de staatsgreep door Mobutu.

Wie moet duurzame ontwikkeling financieren?

Het tweede deel van De Croo’s toespraak zorgde voor meer debat tussen hem en Sachs. De minister schoof zijn intussen klassieke stelling naar voor, namelijk dat de uitdagingen van de sdg’s zo groot zijn dat ze nooit alleen gefinancierd kunnen worden met publieke middelen. Zelfs indien alle rijke landen 0,7 procent van hun bnp aan ontwikkelingshulp zouden besteden, dan zou dat nog ontoereikend zijn, zelfs om voor de armste landen de middelen te mobiliseren die ze nodig hebben, zegt De Croo. En dus, zo gaat de redenering, moeten we ontwikkelingsgeld gebruiken als een soort durfkapitaal, een hefboomfonds waarmee we privékapitaal aantrekken.

De Croo vindt dat ontwikkelingsprojecten en -programma’s winst moeten maken, want anders krijg je er nooit privékapitaal voor verzameld. ‘Winst zorgt voor resultaten.’

De consequentie daarvan is wel dat ontwikkelingsprojecten en -programma’s die met privékapitaal worden gefinancierd, aantoonbare resultaten moeten kunnen voorleggen en zelfs winst kunnen maken, want anders krijg je er nooit privékapitaal voor verzameld. De minister vindt die consequentie ondubbelzinnig een voordeel, want zegt hij: ‘Winst zorgt voor resultaten. Winst realiseert impact. Want, laten we eerlijk zijn: donor-overheden worden nooit bevraagd over impact. Onze belastingbetalers zijn immers niet degenen die voordeel halen uit onze ontwikkelingsprogramma’s en –projecten. Privé-aandeelhouders, daarentegen, zullen donoren veel meer ter verantwoording roepen over hun resultaten, aangezien zij investeren op basis een return-on-investment logica.’ Privékapitaal zorgt er mee voor dat de input-benadering van de overheid evolueert naar een output-benadering, zegt de minister.

Jeffrey Sachs was het daar absoluut niet mee eens, en minister De Croo had dat kunnen opmaken uit de lange inleiding die Sachs hield. Sachs deed daarin een poging om het amalgaam “de sdg’s realiseren” uit elkaar te halen aan de hand van de vraag wie de hoofspelers en wie de investeerders moeten zijn om elk van die 17 duurzame ontwikkelingsdoelen effectief te realiseren tegen 2030. Daarbij gaf Sachs al aan dat de doelstellingen die rechtstreeks te maken hebben met het wegwerken van extreme armoede, maar ook met het realiseren van kwalitatief onderwijs voor allen, goede gezondheidszorg en andere delen van fundamenteel sociaal beleid, de verantwoordelijkheid zijn en blijven van de overheid.

CC Amisom Public Information

Een geldwisselaar in Mogadishu.

Overheden in het Zuiden moeten dan ook, vindt Sachs, zoeken naar meer en betere inning van correcte belastingen, maar overheden in de rijke landen moeten ook zorgen voor voldoende officiële ontwikkelingshulp. ‘Het Belgische officiële ontwikkelingsbudget is gezakt naar 0,4 procent van het bnp. Zorg ervoor dat je zo snel mogelijk 0,7 procent haalt, en zorg er daarnaast ook voor dat je keiharde contracten maakt met de ontvangende overheden, opdat de hulp ook effectief helpt.’

Sachs greep terug naar het Ethiopië-voorbeeld van De Croo om zijn punt te maken. ‘In Ethiopië gaat slechts dertig procent van de kinderen naar de secundaire school en slechts twintig procent maakt die middelbare opleiding af. Dat is nefast voor de langetermijnontwikkeling van het land, maar Ethiopië heeft op dit moment het budget niet om zowel voor scholen, opgeleide leerkrachten en gratis onderwijs voor allen te zorgen. Als daar geen ontwikkelingshulp voor komt, stagneert het land. En als je dat met winstgedreven investeringen wilt aanpakken, gaat het niet werken. Sociaal beleid financieren met publiek geld, op basis van progressieve belastingen, is de enige manier om een fatsoenlijke samenleving op te bouwen’, aldus Jeffrey Sachs.

Sachs: ‘De stelling van Deaton dat hulp er eigenlijk niet toe doet en zelfs vaak tot negatieve resultaten leidt, doodt mensen omdat ze de financiering van gezondheidszorgsystemen in arme landen tegenhoudt.’

De Croo had zijn stelling dat ontwikkelingssamenwerking niet aantoonbaar zorgt voor betere sociale resultaten nog even onderbouwd met een verwijzing naar Angus Deaton, de ontwikkelingseconoom die in 2015 de Nobelprijs voor Economie kreeg voor onderzoek dat neerkomt op De Croo’s beginvergelijking tussen DRC en Ethiopië. Dat werkte op Sachs als een rode lap op een stier. ‘De stelling van Deaton dat hulp er eigenlijk niet toe doet en zelfs vaak tot negatieve resultaten leidt, doodt mensen omdat ze de financiering van gezondheidszorgsystemen in arme landen tegenhoudt. Ze is dus absoluut niet verdedigbaar. Na jaren van heftige discussie hierover heeft Deaton intussen toegegeven dat alvast voor financiering van gezondheidszorg hulp nuttig en nodig is.’

Jeffrey Sachs was het wél helemaal eens met minister De Croo dat er vaak te weinig resultaatsverbintenissen gemaakt worden of dat die te weinig gecontroleerd en nageleefd worden. Vandaar zijn pleidooi voor “keiharde contracten”, want ontwikkelingshulp mag geen blanco cheque zjin, het moet de financiering zijn van de politieke wil om sociale vooruitgang mogelijk te maken.

Geven is het verleden, investeringen de toekomst

‘Privé-investeringen stimuleren is waar het vandaag om draait, niet publieke financiering’, concludeerde Alexander De Croo. ‘En dat betekent ook dat de ODA zoals we die nu kennen een verouderde maatstaf is voor het sdg-tijdperk. Het ODA-begrip is vijftig jaar oud en dateert van de periode van de dekolonisering. Het voldoet niet meer aan de vereisten van vandaag omdat het alleen kijkt naar de hoeveelheid publiek geld dat naar ontwikkeling gaat. Dat eenzijdige input-denken zal ons niet helpen om resultaten te halen op het vlak van duurzame ontwikkeling.’

Ook voor die stelling had Jeffrey Sachs niet veel genade. Niet dat hij alleen maar interesse zou hebben voor input en niet voor output of impact, maar Sachs hamert wel op het belang van voldoende input indien je op het vlak van sociale output goede resultaten wilt halen. Hij verwijst daarvoor graag naar de kloof in sociale resultaten tussen de Verenigde Staten en de West-Europese of Scandinavische sociaaldemocratieën. De VS hebben een ongelijkheidsscore (Gini-efficiënt) van 0,40 op het beschikbare inkomen, terwijl dat in Denemarken maar 0,25 is. Die relatief lage ongelijkheid is het resultaat van hoge en progressieve belastingen in Denemarken, en die belastingen stellen de overheid in staat gratis gezondheidszorg, kinderopvang, ziekteverzekering, ouderschapsverlof, universitair onderwijs en veel meer –kwalitatief hoogstaande- openbare diensten aan te bieden aan de hele bevolking.

Sachs: ‘In belastingparadijzen bevindt zich momenteel naar schatting 7,7 biljoen dollar en daar wordt zo goed als geen belasting op betaald. Dat is, vanuit ontwikkelingsperspectief, misdadig.’

‘In de verenigde Staten kennen we een systeem dat ieder individu aan zichzelf overlaat, en veel mensen redden het daardoor niet. Dat is geen model voor ontwikkeling’, aldus Sachs, die voortdurend naar de West-Europese ervaring van sociaaldemocratische overheden verwijst als het betere antwoord op de vraag hoe overheid, individu en markt met elkaar in evenwicht gebracht moeten worden –als sociale resultaten het einddoel zijn. Hij dreigt daarbij vooral te kijken naar de ervaring van voor de financiële crisis van 2008 en dus van voor het harde besparingsbeleid van de voorbije jaren dat net die sociaaldemocratische staat aan het wankelen brengt, ten voordele van een model dat een stuk in de richting van de VS opschuift.

In elk geval pleit Jeffrey Sachs voor een soort mondialisering van Denemarken, en dus voor een staat die voldoende inkomsten haalt uit de economie om een sociaal investeringsbeleid te financieren, maar ook om de noodzakelijke menselijke en fysieke infrastructuurinvesteringen te kunnen doen. Hij gaat onverminderd uit van de afspraak dat de rijke landen 0,7 procent van hun bnp aan ontwikkelingshulp besteden. Dat zou vandaag 350 miljard dollar moeten zijn, maar in realiteit is dat niet meer dan zo’n 150 miljard dollar. De helft van die ontbrekende 200 miljard is eigenlijk de verantwoordelijkheid van de VS. Maar daarnaast kijkt Sachs ook naar de grote fortuinen en naar de gigantische kapitalen die zich verschuilen in belastingparadijzen of die wegglippen via onverdedigbare belastingafspraken. In die belastingparadijzen, zegt Sachs, bevindt zich momenteel naar schatting 7,7 biljoen dollar en daar wordt zo goed als geen belasting op betaald. Dat is, vanuit ontwikkelingsperspectief, misdadig.

Voor de volledigheid is het belangrijk om toe te voegen dat Jeffrey Sachs zeker niet vijandig staat tegenover de idee dat privékapitaal een belangrijke rol moet spelen in het realiseren van de sdg’s. Voor de heel belangrijke energietransitie, bijvoorbeeld, rekent hij op een goede combinatie van overheidsstimulansen en privé-investeringen. ‘Als je alles optelt wat we nu min of meer kunnen berekenen’, zegt Sachs, ‘kom je uit op 3 tot 4 procent van de wereldeconomie die van richting moet veranderen om de sdg’s te kunnen waarmaken. Dat is niet het einde van de wereld, en zelfs niet het einde van het kapitalisme, zoals Naomi Klein beweert. Het is gewoon het installeren van goed, sociaaldemocratisch bestuur op wereldschaal.’

‘De rijkdom om de armoede te bannen, de economie duurzaam te maken en de wereld rechtvaardig te maken bestaat. We moeten ze alleen durven inzetten. Er wordt voortdurend geklaagd dat wereldbestuur onbetaalbaar en inefficiënt is’, zegt Sachs. Maar hij geeft twee voorbeelden om die klacht in perspectief te plaatsen. ‘Het hele jaarbudget van de Verenigde Naties komt overeen met de uitgaven van het Pentagon gedurende zeven uren. En de golfreisjes van onze huidige president alleen al zullen op jaarbazsis ongeveer 100 miljoen dollar kosten.’

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur