Op de vlucht in eigen hoofd

Analyse

Psychosociale problemen bij vluchtelingen

Op de vlucht in eigen hoofd

Op de vlucht in eigen hoofd
Op de vlucht in eigen hoofd

Tijdens en na de reis, de kampen en de asielcentra, is er steeds die ándere vlucht: die voor de aanhoudende problemen in je hoofd. Pieter Stockmans schrijft een getrouw relaas over de leef- en gevoelswereld van mensen op de vlucht.

© Gheleyne Bastiaen

© Gheleyne Bastiaen

Tijdens en na de reis, de kampen en de asielcentra, is er steeds die ándere vlucht: die voor de aanhoudende problemen in je hoofd. Problemen zijn helaas niet enkel van praktische aard wanneer je plots vluchteling wordt. MO*journalist Pieter Stockmans kent al enkele jaren een Syrisch gezin in België, dat hier aankwam in 2015 – het jaar van de Europese “vluchtelingencrisis”. Op basis van verschillende dieptegesprekken met hen schreef hij volgend getrouw relaas over de leef- en gevoelswereld van mensen op de vlucht.

Zijn vrouw en kinderen liggen al urenlang te slapen. De man kijkt op zijn mobiele telefoon naar filmpjes van toen de kinderen klein waren, van de laatste maanden in Syrië en Turkije, en de eerste maanden in België.

Herinneringen flitsen door zijn hoofd, aan de persoon die hij ooit was vóór de oorlog in zijn land, aan hoe hij eerst zijn kinderen moest achterlaten op de vlucht voor de militie in zijn stad en vervolgens met zijn gezin in de handen van smokkelaars belandde.

Dat is nu vijf jaar geleden en het lijkt alsof hij al die tijd ter plaatste is blijven trappelen. Zijn hoofd bonkt. Hij kan zich niet meer herinneren hoeveel nachten op rij hij amper geslapen heeft.

Vlaamse vrienden zeggen dat hij naar een psycholoog moet gaan. Maar hij is toch niet gek, denkt hij. Hij heeft gewoon een job nodig, zodat hij weer die trotse vader kan worden. Het piekeren, over duizend-en-één plannetjes om zichzelf terug te vinden, is al lang veranderd in chronische stress. Want de Belgische samenleving lijkt wel een labyrint, of een sisyfuskwelling waarbij na het overwinnen van één obstakel het volgende al op je wacht en het doel nooit dichterbij lijkt te komen.

Vluchtelingen in België en Europa

Syriërs vormen sinds 2015 veruit de grootste groep vluchtelingen in ons land. Irakezen en Afghanen vervolledigen de top drie. Sinds 2015 kregen 35.575 Syriërs, Irakezen en Afghanen een beschermingsstatuut. Hun totale aantal in België is wel hoger: er zijn ook nog mensen die voor 2015 al erkend werden, plus mensen die niet erkend werden en (nog) niet terugkeerden naar hun land.

Volgens deskundigen zijn psychosociale problemen gangbaar bij vluchtelingen. Volgens data van de Wereldbank wonen er vandaag ongeveer 2,5 miljoen erkende vluchtelingen in de Europese Unie, op een bevolking van ongeveer 450 miljoen inwoners van de EU. Volgens Eurostat kregen 211.900 personen in 2020 een beschermingsstatuut in de EU. Syrië, Afghanistan en Venezuela voeren dat jaar de top drie van nationaliteiten aan.

Geen garantie op een toekomst

De volgende ochtend ligt hij in de woonkamer onder een deken wanneer zijn zoontje van zes binnenkomt. ‘Waarom lig je niet bij mama?’, vraagt het jongetje. Hij schaamt zich. Maar veel tijd om erbij stil te staan heeft hij niet. Met een wazig gemoed vertrekt hij naar het oudercontact voor zijn oudste dochter van elf.

Het lijkt wel een andere wereld die hij binnentreedt als hij de CLB-verantwoordelijke ziet zitten. Weer die pose van sterke vader aannemen. Het is moeilijk om de volledige monoloog te begrijpen, maar een paar woorden blijven door zijn hoofd spoken: ‘Blijven zitten, 1B, beroepsopleiding.’

Hij voelt tranen opwellen. Hij liet heel zijn leven, zijn dorp, zijn olijfbomen, zijn cultuur, zijn vrienden, zijn identiteit achter, hij offerde zijn mentale gezondheid op, voor de toekomst die hij voor zijn kinderen voor ogen had. Plots lijkt het alsof hun vlucht naar Europa nooit een garantie was op die toekomst. Hij laat niet na het hen keer op keer te vertellen, dat ze beter hun best moeten doen. Om later niet te eindigen zoals hij. Om iemand belangrijk te worden in de samenleving. Om respect af te dwingen.

‘Papa, als ik moet blijven zitten, mag ik dan van school veranderen? Want ik wil naar een plek waar niemand me kent, ik wil niet gepest worden’, vroeg het meisje onlangs. Zijn hart brak.

De vele kleinerende opmerkingen, achteloos geuit, vaak zonder slechte bedoelingen, worden ergens in zijn hersenen in steen gebeiteld.

Hoe hij moet omgaan met het sluimerende gevoel van minderwaardigheid en demotivatie bij zijn dochter, met de vraag of ze een leerstoornis heeft dan wel een in te halen achterstand, met de vraag of ze misschien kampt met een trauma uit het verleden: het piekeren hierover wordt een extra bron van stress boven op de berg van andere zorgen.

Soms barst hij in woede uit als hij zijn dochter in het openbaar bedeesd ziet wegduiken telkens er zich een of ander akkefietje voordoet. Een kleine woordenwisseling met een kassierster in een grootwarenhuis, niet genoeg geld op de rekening, bij een politiecontrole. ‘Je moet niet altijd zo bang zijn!’, roept hij. Altijd die angst om iets verkeerd te doen.

Ze is even oud als de oorlog in Syrië. Tot haar vijfde was ze nooit gebonden aan één plek. Meegesleurd door haar ouders om te ontsnappen aan de nachtmerrie. De smokkeloperatie, overal criminelen die van hen wilden profiteren, op het rubberbootje in de donkere nacht op hoge golven, opgejaagd door politieagenten in de mensenmassa. En dan, eindelijk: veiligheid in België. Maar de angst om alles te verliezen knaagt diep vanbinnen.

Woorden die wonden slaan

De volgende dag heeft hij een afspraak bij het OCMW. Om te praten over zijn tewerkstelling in de sociale economie.

Hij kijkt er reikhalzend naar uit om zijn vaderrol, in de ogen van zijn kinderen, te herwinnen. En om, in de ogen van de hele Belgische samenleving, onafhankelijk te zijn. Zodat hij geen leningen meer moet vragen bij vrienden. Zodat niemand nog iets te zeggen heeft over hoe hij zijn zélf verdiende geld moet gebruiken.

© Gheleyne Bastiaen

Een paar woorden kunnen diepe wonden slaan. ‘Dat geld is voor je schoonmoeder, hé, niet voor sigaretten of vakantie. Als vluchteling hoeven jullie niet elk jaar op vakantie te gaan’, zei een vrouw uit de buurt die gehoord had dat zijn schoonmoeder in Syrië kanker had.

Deze opmerking was zo vernederend dat zijn vrouw de hele dag niet meer kon eten. ‘Wij zijn hier geen mensen’, huilde ze die nacht. Zelf voelde hij weer die woede opwellen. Ongevraagd hulp moeten aanvaarden als vluchteling en er meteen een paternalistische opmerking bij krijgen. De vele kleinerende opmerkingen, achteloos geuit, vaak zonder slechte bedoelingen, worden ergens in zijn hersenen in steen gebeiteld.

Bij elk uitstapje dat hij zijn kinderen gunt, vreest hij het oordeel van de Belgen. Verdienen wij vluchtelingen dat wel? Soms wil hij weg, weg van alles. Naar een andere stad, naar een ander land, en daar met rust gelaten worden, niets meer moeten horen dat hem stress bezorgt. Maar hij kan niet weg. Het enige alternatief is: volwaardig deel worden van de Belgische samenleving, eraan bijdragen in plaats van die samenleving als een betuttelend vingertje te moeten dulden. En dat moment komt nu dichterbij.

Tien keer theoretisch rij-examen

Alhoewel… Ergens voelt hij ook een soort mislukking. De VDAB had hem immers proberen klaarstomen voor de reguliere economie. In Syrië werkte hij als bus- en taxichauffeur. In de olijfboomgaarden van zijn familie bestuurde hij tractoren en vrachtwagens. Er is geen voertuig dat hij niet kan besturen. Hij zag zichzelf al als trotse buschauffeur in België, de straten kennend als zijn eigen broekzak, met de verantwoordelijkheid om Belgen te vervoeren.

Hij had er een Mount Everest voor beklommen: als semi-analfabeet zonder kennis van moeilijke Nederlandstalige woorden over het verkeer en auto’s moest hij het rijexamen afleggen. Door de chronische stress en de slaapproblemen was het bovendien moeilijk om de woorden te onthouden.

Na negen keer theoretisch examen en twee keer praktisch kon de moed hem niet nóg dieper in de schoenen zakken. Meer dan één keer barstte hij in woede uit en riep hij tegen zijn vrouw, in de wanhoop van een radeloze nacht: ‘We zijn hier al vier jaar! Nog één keer en ik pak mijn kinderen om terug te keren naar Syrië! Het lukt hier niet, in dit land!’

‘Nog één keer en ik pak mijn kinderen om terug te keren naar Syrië! Het lukt hier niet, in dit land!’

Maar met elke zonsopgang kwam de harde confrontatie met de realiteit: het moet lukken, want het kan niet anders. Bij zijn tiende poging slaagde hij voor zijn theoretische rijexamen. Uit een diep dal klom hij op tot een moment van euforie en hoop. Nooit sliep hij beter. Het rijbewijs was een stapje op het pad naar zijn droom: waardig werk, als buschauffeur.

Vol goede moed was hij naar het gesprek met de VDAB-consulent gegaan. Maar naargelang het gesprek vorderde, voelde hij weer die verduivelde vernedering. Hij moest wéér naar school, wéér cursussen volgen die hij niet aankon: Nederlands op een hoger niveau, rekenen, ICT. De VDAB-consulent wist dat hij anders niet door de aanwervingsprocedure van De Lijn zou raken.

Hoe zou hem dat ooit lukken? Hij kan amper schrijven. Toch zocht hij de hulp van een Belgische vriend. Die geeft hem twee keer per week bijles. Niets is onmogelijk. Of toch? Na drie maanden zette de VDAB de cursussen stop en werd hij opnieuw naar het OCMW verwezen. De opdrachten waren te moeilijk.

Eindresultaat van deze piste: drie maanden verloren, uitgestelde tewerkstelling, bergen onnodige stress, gevoelens van vernedering, schaamte, moedeloosheid.

Kon hij maar een cursus volgen die precies op zijn maat was geschreven, om hem voor te bereiden op precies die sollicitatie bij De Lijn. Of kon hij maar klaargestoomd worden op de werkvloer zelf. De gedachte dat hij iets nodig had dat in België misschien niet bestaat, dat de droom onbereikbaar was, maakte hem gek.

Hij heeft de knop al omgedraaid en zich mentaal voorbereid op werk in de sociale economie, wanneer de sociaal assistent van het OCMW hem vertelt dat de tewerkstelling voor onbepaalde tijd uitgesteld wordt. Het coronavirus is gearriveerd en de regering doet het land op slot.

Acht lange, lege maanden wacht hij. Elke dag van uitgestelde waardigheid is er eentje dichter bij de totale mentale instorting.

Met de hulp van Actiris, de Brusselse dienst voor arbeidsbemiddeling, begint hij dan maar te solliciteren voor een paar jobs in de reguliere economie. Winkelverantwoordelijke in een tankstation, arbeider in een magazijn. Er komen alleen maar negatieve antwoorden. Hij vreest dat niemand hem ooit zal willen aannemen. Zonder job geen integratie, geen leningen bij de bank, geen uitzicht op een betere woning of een tuin voor de kinderen.

Helpen met schoolwerk

De kinderen zitten nu vaker thuis en hij kan ze niet van YouTube weghouden. Vóór de coronapandemie kwam een buddy zijn kinderen helpen met hun schoolwerk; het gaf hem een veilig gevoel, ook al was het confronterend om niet zelf te kunnen toezien op hun scholing.

Meer zelfs: het zijn de kinderen die hun ouders helpen, om de nieuwsbrieven van de schooljuf, de WhatsAppberichtjes van de voetbalclub en de muziekschool te begrijpen. Die omgekeerde wereld doet hem pijn.

Maar door de lockdown kan zelfs de buddy niet meer langskomen. De weekschema’s op Google Classroom, de instructiefilmpjes, de educatieve websites: ze zijn overweldigend. Hij wil zo graag helpen, maar kan niet. Hij heeft nooit geleerd met computers te werken. Wie zal zijn kinderen bijsturen als dat nodig is, zonder leerkracht in de buurt?

Bij het avondeten leest zijn dochter hem één van de vele e-mails voor. Ook de begeleiding bij de logopediste wordt stopgezet, opnieuw door de lockdown. Haar ontwikkeling wordt op pauze gezet, maar de tijd tikt verder. Soms begint het meisje te huilen, zomaar uit het niets.

Borstkanker

De kinderen staan te wachten in de inkomhal van het ziekenhuis. Ze hebben tekeningen gemaakt voor mama. Een paar dagen geleden kregen ze van papa te horen dat mama borstkanker heeft. Wekenlang had hij zijn hoofd erover gebroken. Zouden ze het aan de kinderen vertellen? Hij wist dat het woord ‘kanker’ alleen al de kinderen doodsbang maakt. Maar nu ze het weten, valt er een last van zijn schouders.

Hoe dan ook, de diagnose sloeg in als een bom. Ook de voorgestelde behandeling hakt erin: acht maanden lang om de drie weken chemotherapie, en daarna een maand lang elke dag bestraling. Daarbovenop: de administratieve rompslomp met medische brieven, facturen, verzekeringen. De hulp van de buurvrouw is goud waard.

Hij heeft het er moeilijk mee dat zijn vrouw vaak huilt, ontroostbaar is. Al jarenlang staat ze zichzelf niet toe te genieten van het leven in België zolang haar moeder in Syrië kanker heeft. Diep vanbinnen, achter gesloten slaapkamerdeuren en uit het zicht van haar kinderen, gaat ze kapot van verdriet omdat ze háár moeder niet kan bijstaan. Zij kan Syrië nog minder loslaten dan hij.

© Gheleyne Bastiaen

Op een nacht niet veel later, zijn vrouw heeft juist de tweede chemosessie achter de rug, is hij net een beetje ingedommeld wanneer de beltoon van zijn mobiele telefoon hem wakker schudt. Het is zijn zus, die een paar straten verderop woont. Ze heeft maagklachten en moet in allerijl naar het ziekenhuis. De diagnose van de dokter: een maagzweer, door stress.

De zus is hoogopgeleid, maar de oorlog in Syrië maakte alles kapot. Jarenlang was ze zonder uitzicht op een uitweg als een slaaf uitgebuit in ondergrondse naaiateliers in Turkije, en weggegooid als een stuk vuil, waarna ze ontsnapte via smokkelaars. Het was een traumatiserende en peperdure reis. Op de Belgische schoolbanken, waar ze samen met analfabeten het Nederlandse alfabet leert schrijven, kan ze aan niets anders denken dan aan haar belangrijke baan aan het loket in het stadhuis van Aleppo.

Ze lijdt onder de eenzaamheid. Zelfs haar eigen familie ziet ze niet meer omdat ze geen bezoek mag ontvangen, door de lockdown. Bovendien wilt het Nederlands maar niet vlotten. Als ze buiten is, voelt ze een grote angst. Om in gesprek te gaan met Belgen, om haar wijk te verlaten. Ze vreest de reacties van de mensen als ze iets niet goed begrijpt. Ze vreest racisme, ze vreest gekleineerd te worden, machteloos te staan, niet begrepen te worden.

Wat haar overkwam is zo groot, zo extreem, dat niemand het ooit zal kunnen begrijpen. Laat staan een psycholoog die haar taal en leefwereld niet kent. Denkt ze. Maar het dringt langzaam tot haar door: wij worden hier letterlijk ziek van de stress. Haar kast zit wel vol met de pilletjes die ze elke dag moeten nemen.

Integreren en ontwortelen

Nu hij begint te werken, is zijn volgende zorg: wie zal de kinderen naar de tekenles en de muziekschool brengen? Zijn vrouw vindt dat de kinderen dan maar moeten stoppen met al die buitenschoolse activiteiten. Ze kampt met onderliggende angsten: dat de kinderen te snel integreren en zullen loskomen van de familie.

Deze snelle cultuurverandering confronteert haar nog meer met haar eigen ontworteling. De Vlaamse samenleving is de plaats waar de kinderen de oorlog kunnen vergeten, maar ook waar ze zichzelf kunnen vergeten. Ook hij ziet het al, in hoe de kinderen hun moedertaal spreken: met heel wat Nederlandse woorden ertussen. Wat als wij simpelweg niet meer goed kunnen communiceren met onze eigen kinderen?, vraagt hij zich soms af.

Onlangs nog, toen hij zijn zoontje moest inschrijven bij de voetbalclub, voelde hij de vervreemding. Hij kon het niet. Hij kan niet met de digitale inschrijvingsmodules werken. Door de taalbarrière voelt hij zich geen deel van de leefwereld van zijn kinderen. De school, muziekschool, de tekenschool, het zijn instellingen van de Belgische samenleving waar ze hun kinderen aan “afgeven”.

En de kinderen voelen dat hun ouders niet uitgerust zijn om hen erdoorheen te loodsen. Die gevoelens van machteloosheid wegen zwaar op hem. Maar soms, als zijn kinderen in perfecte zinnen in hun moedertaal antwoorden, krijgt hij een geruststellend gevoel. Cultuurbehoud kan een manier zijn om met trauma om te gaan.

© Gheleyne Bastiaen

Oorlogsverleden

De kinderen zijn op school. Hij zit in de zetel te kijken naar het nieuws uit Syrië, op zijn smartphone, wanneer de telefoon overgaat. Het is opnieuw zijn zus. Ze vraagt geld, om te sturen naar haar dertienjarige dochter die in Syrië achterbleef bij haar ex-man. Ze loopt er gevaar, gaat niet naar school en heeft soms niet genoeg te eten.

Bij elke bom staat de telefoon roodgloeiend: leeft iedereen nog, is er iemand gewond? Als de zus aan het meisje denkt, voelt ze een diep verdriet. Haar traumatiserende verleden is haar heden, alleen ervaart ze nu het absurde contrast met de Belgische samenleving waarin ze leeft, een samenleving die haar pijn niet hoort of ziet.

Ze staat zichzelf niet toe te genieten van het leven in België. Achter gesloten slaapkamerdeuren en uit het zicht van de kinderen gaat ze kapot van verdriet.

Na haar ontsnapping uit de oorlog in Syrië en de slavernij in Turkije had ze verwacht in België het leven terug te vinden. Maar hier gaat ze gewoon een beetje trager dood, denkt ze.

Haar broer heeft zich nochtans voor jarenlang in de schulden gestopt om haar hier te krijgen. De schulden, de vragen om geld te sturen, hij sleept ze mee als een gevangenisbol aan zijn enkels. En met het gewicht van het verleden op zijn schouders geraakt hij maar traag vooruit richting toekomst.

Een deel van de familie is herenigd. De kinderen voelen zich veilig. Hun schoolkameraadjes én hun Syrische familie zijn dichtbij in hun Belgische woonwijk. Zo maakt de hele familie van België hun nieuwe thuis. Maar deze integratie heeft een hoge mentale prijs. Zolang de schulden niet afbetaald zijn, is er stress, een gevoel van terughoudendheid, van zich niets te kunnen veroorloven, ook niet voor de kinderen.

De oudste dochter lijdt eronder. Ze is amper elf maar leeft al ingehouden door schaamte, een gevoel dat van ouder op kind is overgegaan. Zelfs een onschuldige traktatie weigert ze. Ze neemt de stress van haar ouders op zich alsof ook zij niet ten volle mag genieten van haar kindertijd zolang haar ouders het moeilijk hebben.

Dit portret werd geschreven voor het zomernummer van MO*magazine. Voor slechts 32 euro kan je hier een jaarabonnement nemen! Je kan ook proMO* worden voor slechts 4 euro per maand. Je krijgt dan ook ons magazine toegestuurd en je steunt daarmee ons journalistiek project. Opgelet: Knack-abonnees ontvangen MO* automatisch bij hun pakket.