Tien experts kijken na Oxfamgate naar de hele humanitaire en ontwikkelingswereld

Seks en de diepe ongelijkheid tussen hulpverleners en slachtoffers

Na een week van berichten over seksueel grensoverschrijdend gedrag door een Belg die onder andere voor Oxfam werkte in Tsjaad en Haïti, is het tijd om een stand van zaken op te maken. Is het Britse verhaal over seksfeesten, prostitutie en grensoverschrijdend gedrag een uitzondering of is het typerend voor de sector? Of is het sensatiejournalistiek? En welk antwoord kan en moet de wereld van humanitair en ontwikkelingswerk geven op het risico van ongepast seksueel gedrag van zijn medewerkers en vrijwilligers?

Susan Warner (CC BY-NC-ND 2.0)

 

Cees Wittebrood: tot voor kort directeur van EU-directoraat-generaal ECHO (European Community Humanitarian Aid Office) 
Marleen Temmerman: voormalig hoofd van het Departement voor Reproductieve Gezondheid en Onderzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie 
Bruno De Cordier: docent humanitair beleid aan de Universiteit Gent en oudgediende van de humanitaire sector, publiceerde Van de nood een deugd maken. Hoe humanitaire hulp werkt
Réginald Moreels: voorzitter Artsen zonder Grenzen België (1986-1994), staatssecretaris Ontwikkelingssamenwerking (1995-1999), humanitair chirurg 
François Grünewald: algemeen en wetenschappelijk directeur van het onderzoeksinstituut Groupe Urgence Réhabilitation Développement 
Stefaan Declercq: directeur Oxfam België 
Joris Willems: doctorandus aan UGent (Conflict- en Ontwikkelingsstudies), acht jaar ontwikkelings- en humanitair werker in Haïti
Gert Van Hecken: assistent professor, Instituut Ontwikkelings Beleid, UA. 
INGO X, vrouwelijke medewerkster van een internationale humanitaire organisatie met ervaring in diverse landen in het Midden-Oosten en Azië 
INGO Y, mannelijke medewerker van een internationale humanitaire ngo met managementervaring in Centraal-Azië en Midden-Oosten 

In het onderstaande artikel vatten we de meningen samen van een tiental experts uit de wereld van humanitair werk en ontwikkelingswerk: academici, terreinwerkers en mensen met managementervaring. Twee cruciale stemmen vroegen om anoniem te antwoorden omwille van persoonlijke redenen of organisatiegebonden afspraken. Aangezien ze geen mensen of specifieke organisaties in het gedrang brengen, vonden we die vraag aanvaardbaar.

Is seksueel grensoverschrijdend gedrag een systeemprobleem in de hulp- en ontwikkelingswereld?

Op de vraag of het klopt dat seksueel wangedrag en misbruik door ngo-medewerkers systematisch voorkomt, zoals gesuggereerd werd in de Britse pers, antwoordt Cees Wittebrood dat dit een onterechte veralgemening is. ‘Het probleem doet zich inderdaad voor, maar in mijn lange en brede ervaring in de humanitaire wereld ben ik nooit iets tegengekomen zoals de wantoestanden die nu beschreven worden in Tsjaad en Haïti.’ Overigens zegt iedereen op een of andere manier dat seksueel grensoverschrijdend gedag in àlle lagen en sectoren van de samenleving voorkomt, e dat het dus niet zo’n ongelooflijke schok is vast te stellen dàt het ook voorkomt in humanitair werk of ontwikkelingswerk. De cruciale vraag is eerder: erkent men het probleem en worden er voldoende inspanningen gedaan om het te voorkomen en te verhelpen?

‘Ngo-medewerkers zijn op het terrein om slachtoffers van oorlog, geweld of rampen te beschermen. Als ze dan hun macht gebruiken voor persoonlijk gewin of bevrediging, dan is er ook geen twijfel over dat hun gedrag onethisch en immoreel is’

Wittebrood vindt dat die laatste vraag meestal positief beantwoord kan worden, al zijn niet alle experts het daarin met hem eens. ‘Waar het echt om draait’, zegt hij, ‘is dat van ngo-medewerkers een hogere ethische standaard verwacht wordt dan van andere mensen. Ze werken in een context van armoede, ontbering, afhankelijkheid en kwetsbaarheid.

Hun aanwezigheid op het terrein is vereist om slachtoffers van oorlog, geweld of rampen te beschermen. Als medewerkers in die omstandigheden net het tegenovergestelde doen en hun macht gebruiken voor persoonlijk gewin of bevrediging, dan is er ook geen twijfel over dat hun gedrag onethisch en immoreel is, want het is in volledige tegenspraak met het mandaat waarmee ze kwamen.’ INGO X stelt dat nog wat scherper. Volgens haar voelen sommige expats zich ‘verheven boven de lokale wet omwille van hun speciale status. Velen opereren, zonder het zelf te beseffen, met een koloniale mentaliteit. Zij bepalen de regels, het hoe, wat en waarom van de acties voor de lokale bevolking, ook al beseffen ze vaak niet hoe de lokale samenleving in elkaar zit en functioneert.’

INGO X bevestigt dat zij grensoverschrijdend gedrag wel degelijk tegengekomen is op de verschillende plaatsen waar ze gewerkt heeft, niet als een systematisch gegeven, maar wel vaak genoeg om het als een prioritair aandachtspunt te zien. ‘Het doet zich vooral voor in geïsoleerde regio’s en in uiterst moeilijke omstandigheden, in regio’s waar men veronderstelt dat er lokale tolerantie is tegenover bijvoorbeeld betaalde seks, of in regio’s waar niet langer sprake is van een rechtsstaat.’ INGO-medewerker Y: ‘Wij werken in contexten waar er veel geweld en straffeloosheid is, en waar de bevolking, inclusief onze staf, kwetsbaar is door het ontbreken van dit soort van bescherming.’ Dat is bij uitstek de context die mensen toelaat over de schreef te gaan.

‘Alles draait om seks, behalve seks: dat draait om macht’

Marleen Temmerman zit op dezelfde lijn. ‘Seksueel grensoverschrijdend gedrag en uitbuiting bestaan overal’, zegt ze. ‘Maar vooral waar de machtsverschillen groot zijn en de bevolking kwetsbaar is.’ Het is een thema dat voortdurend weerkeert in alle reacties: wie seksuele uitbuiting of wangedrag wil begrijpen of voorkomen, moet uitgaan van de machtsfactor. Cees Wittebrood levert daarvoor een veelzeggend citaat van Oscar Wilde: ‘Alles in deze wereld draait om seks. Behalve seks, dat draait om macht.’

Bruno De Cordier formuleert het wat minder poëtisch: ‘Nagenoeg élke plek waar goed betaalde expats samenkomen, hulpverleners of privésector, maakt niet uit, trekt vanuit de plaatselijke samenlevingen figuren aan die daar op de één of andere manier profijt uit willen halen. Dat gaat van allerlei filou’s en ritselaars over mensen die een visum of baan voor zichzelf of een dierbare hopen te regelen, tot, inderdaad, de betaalde liefde. De proporties daarvan variëren naargelang de lokale culturele omgeving en de tolerantie voor het ene of het andere. Een kleine groep medewerkers gaat over de schreef, omdat sommigen niet volwassen kunnen omgaan met de status, macht en middelen die bij hun functie horen.’ François Grünewald bevestigt, vanuit zijn veelvuldig onderzoek naar humanitair werk, dat ‘groepen jonge mensen met geld in een omgeving die getekend wordt door armoede altijd allerlei mensen aantrekken die daar hun voordeel uit proberen halen’.

Grünewald wijst er tegelijk op dat, zeker in de meer extreme omstandigheden, de vaak jonge en zeer gedreven medewerkers op elkaar aangewezen zijn voor ontspanning, sport en lange avonden. ‘Het mag niet verbazen dat de wereld van deze seksueel actieve groep jongeren barst van de verliefdheden-voor-één-nacht of van relaties die een paar maanden duren, en sommige die voor het leven zijn. Ook met de lokale mensen die rond deze “aantrekkingspolen” cirkelen, worden er relaties aangegaan. Er zijn niet zelden materiële motieven mee gemoeid, maar evengoed merk je vaak veel authentieke tederheid. Ik ken heel wat gevallen waarin dit tot een huwelijk en een gezin met kinderen heeft geleid. In andere gevallen was de afloop dramatischer, als gevolg van hiv-besmetting.’

‘De discussie geeft me koude rillingen. Het puritanisme en de hypocrisie druipt er gewoon af.’

Joris Willems, die al van voor de aardbeving werkzaam was in Haïti, is blij met de nuancering die Grünewald aanbrengt. Zijn vrouw is van Port-au-Prince. Is hij dan ook schuldig aan “seks met slachtoffers”, vraagt hij zich retorisch af, want na de aardbeving was iederéén slachtoffer. ‘Die discussie geeft me koude rillingen’, schrijft hij. ‘Het puritanisme en de hypocrisie druipt er gewoon af. Dergelijke discussies getuigen vooral van een totaal onbegrip van de werkelijkheid waarin ze gebed zijn.’ Anderzijds, zegt INGO X, is dat gebrekkige begrijpen minder een zaak van lichtzinnig puritanisme, en meer van kolonialisme -met mogelijk nefaste gevolgen voor lokale collega’s of andere slachtoffers zoals eermoorden, uitstoting, marginalisering of gewelddadige reacties. Bruno de Cordier geeft een voorbeeld: ‘In een ngo waarvoor ik werkte, is iemand zwaar in elkaar geslagen door mannelijke familieleden van de dienster die hij voor een prostituée had aanzien. Een dergelijke, ambachtelijke aanpak kan natuurlijk ook.’

INGO X wijst er ook op dat het grensoverschrijdend gedrag in de wereld van hulporganisaties niet altijd een zaak is van een expat die zich vergrijpt aan de lokale bevolking. ‘Het gaat vaak om ontoelaatbaar gedrag tegenover de eigen, vrouwelijke, collega’s’, zegt ze. ‘In een omgeving met hoge veiligheidsrisico’s worden teams grotendeels binnen een compound gehouden. Die isolatie maakt de vrouwelijke medewerksters nog kwetsbaarder. De humanitaire wereld is toch nog vaak een mannenwereld, en dat geldt nog meer voor privé-beveiligingsbedrijven of militaire operaties.’

Een positief (zelf)beeld valt aan scherven

CC Sean G (CC BY-NC-NA 2.0)

 

De schok die de onthullingen of beschuldigingen van de Britse pers teweegbrachten, heeft zeker ook te maken met het beeld dat humanitaire organisaties en ontwikkelingsorganisaties van zichzelf hebben en verspreiden. Tekenend is de reactie van Réginald Moreels, die zeker geen gebrek aan ervaring op het terrein of in het bestuur van deze organisaties verweten kan worden. ‘In mijn periode als voorzitter van Artsen zonder Grenzen België  (1986-1995) en sinds ik zendingen deed vanaf begin 1982 was onaanvaardbaar seksueel gedrag door vrijwilligers of medewerkers geen onderwerp en kon men zich niet voorstellen dat zulk gedrag voorkwam. Ikzelf ben daar als voorzitter nooit mee geconfronteerd geweest.’

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Ook Gert Van Hecken zegt dat hij tijdens zijn 3 jaar ervaring als landenverantwoordelijke in Nicaragua (2011-2013) ‘op geen enkele wijze de indruk had dat seksueel wangedrag vaak voorkwam -niet sporadisch en helemaal niet systematisch. Bij mijn weten is het zelfs zo ongewoon, dat vele organisaties wellicht geen speciaal meldpunt hiervoor hebben of toch niet bij mijn weten’. Dat hoeft niet eens te betekenen dat ze slecht gekeken hebben, aangezien iedereen bevestigt dat de problemen weliswaar reëel zijn, maar niet massaal of systemisch.

‘De toegenomen aandacht voor het probleem is een goede zaak, maar moet uitgebreid worden tot alle vormen van machtsmisbruik.

INGO Y zegt ook dat hij in die tien jaren dat hij als medewerker of landendirecteur actief was géén gevallen van prostitutie of seksueel grensoverschrijdend gedrag in zijn lokale organisatie tegengekomen is. Maar hij vindt de toegenomen aandacht voor het probleem wél een goede zaak, op voorwaarde dat de transparantie en verantwoordingsmechanismen niet beperkt worden tot alleen seksueel gerelateerde problemen, maar uitbreiden tot alle vormen van machtsmisbruik. Marleen Temmerman denkt dat het probleem onderschat wordt door en voor de humanitaire en ontwikkelingsorganisaties, alsof goed bedoelende mensen hun macht niet zouden kunnen misbruiken. Toch kan ze zelf ook niet meteen voorbeelden geven uit de organisaties waarvoor ze gewerkt heeft, maar heeft ze als gynaecologe wel slachtoffers behandeld.

Bruno De Cordier denkt dat de schok vandaag wel degelijk te maken heeft met het uitgedragen beeld in het verleden. ‘Jarenlang werd grensoverschrijdend gedrag aanzien als een probleem van blauwhelmen of militair personeel. Nu blijkt dat het ook voorkomt bij ngo’s zal de kater nog lang nazinderen, omdat ngo’s jarenlang dat aura van heilige boontjes en morele superioriteit hadden.” Hij voegt daar nog twee waarschuwingen aan toe: ‘Het gaat echt niet alleen om blanke-westerse expats en zelfs niet alleen om expats. Steeds meer expats zijn niet-blanken en niet-westers. En die doen in voorkomend geval qua rotgedrag écht niet onder voor hun blanke collega’s. Bovendien bezondigen ook plaatselijke werknemers van organisaties zich aan dat gedrag. Ten slotte gaat het ook niet alleen om mannen. Vaak wel, maar niet uitsluitend.’

In een gesprek met de enige échte Belgische Oxfam-directeur, Stefaan Declercq, geeft die toe dat de ngo’s de voorbije jaren een hele leercurve doorlopen hebben, en daar nog mee bezig zijn: ‘Er wordt nu veel meer ingezet op preventie en op het creëren van een cultuur waarin grensoverschrijdend gedrag als niet toelaatbaar gezien wordt. Daarvoor is de nieuwe gedragscode een nuttig instrument. We hebben intussen ook betere systemen voor preventie, rapportering en sanctionering, die we nog gaan verbeteren. Oxfam werd binnen de hulpsector zelfs gezien als een van de betere leerlingen van de klas op het vlak van institutionele voorzieningen om seksueel wangedrag te rapporteren en te remediëren. Maar systemen kunnen nooit werken als er geen overtuiging is binnen de organisatie dat ze noodzakelijk en nuttig zijn. We moeten vooral werken aan onze organisatiecultuur.’

Axel Drainville (CC BY-NC 2.0)

Tsunami monument in Banda Aceh, Indonesië

Moeten ngo’s een beleid van nultolerantie tegenover betaalde seks opleggen?

Bruno De Cordier: ‘Eigenlijk zou dit een kwestie van gezond verstand en straatwijsheid moeten zijn, eerder dan van regeltjes en procedures. Maar als het niet anders kan: voor nagenoeg elke werkgever, zowel in de humanitaire sector als de privé, vormen  dronkenschap en druggebruik op het werk of in werkverband dringende en contractueel vastgelegde redenen tot ontslag. Daar kan hoerenlopen of het gebruik van iemands positie voor het krijgen van seks bij gevoegd worden.’ Dat is trouwens exact wat Oxfam al deed in relatie tot “begunstigden” en sinds 2017 uitgebreid heeft tot alle werknemers en hun seksueel gedrag. In de Oxfam gedragscode staat nu: ‘Ik zal geen geld, goederen of diensten aanbieden in ruil voor seks of andere vormen van vernederend, onwaardig of uitbuitend gedrag.’

Waarom is dat categorieke afwijzen van betaalde seks voor ngo-medewerkers belangrijk en vanzelfsprekend? Bruno De Cordier: ‘In samenlevingen en crisisgebieden waar prostitutie hoofdzakelijk armoede-gedreven is, is “vrijwilligheid” wel erg relatief. Bovendien wordt de branche vaak gedomineerd door maffiagroepen en mensenhandelaars. Dé vraag is dus of je daar de nuttige-idioot en feitelijke medeplichtige-door-vraag van wil zijn.  Verder tast dat het imago aan van een humanitaire hulpverlening die in de lokale opinie in tal van regio’s en samenlevingen steeds meer onder vuur komt te liggen.’

‘Wanneer je met kwetsbare bevolkingsgroepen werkt, zit je als ngo-medewerker snel in een machtspositie. Prostitutie in dergelijke contexten is misbruik maken van de meest kwetsbare mensen. Dat kan gewoon niet.’

INGO Y is het daar helemaal mee eens: ‘Wanneer je met kwetsbare bevolkingsgroepen werkt, zit je als ngo-medewerker snel in een machtspositie. Prostitutie in dergelijke contexten is misbruik maken van de meest kwetsbare mensen. Dat kan gewoon niet. Naast het menselijke aspect, denk ik ook dat ngo’s ook naar hun donoren moeten tonen dat ze hun vertrouwen waard zijn. Donoren verwachten van ons dat wij correct handelen. Hetzelfde argument geldt trouwens ook voor onze relatie met de bevolking die wij zo goed mogelijk proberen te helpen. De vraag is hoe je dat best afdwingt. Preventie is waarschijnlijk het volgende aandachtspunt, nu de meeste ngo’s waarschijnlijk wel hotlines hebben.’ 

INGO X: ‘Hulpverleners zijn ter plaatse om het leven van mensen te verbeteren. Roofdiergedrag dat net het tegenovergestelde doet, bedreigt niet alleen die raison d’être, het brengt de veiligheid van de medewerkers en de aanvaarding van de organisatie in het gedrang. En het eindresultaat daarvan is dat de kwetsbare of hulpbehoevende bevolking minder hulp, bescherming en zorg zou krijgen. Dat is evident onaanvaardbaar.’

François Grünewald wijst toch op een paar problemen met die nultolerantie. ‘De meeste ngo’s hanteren een beleid dat de aanwezigheid van prostituees in hun pensions verbiedt. Maar hoe maak je als organisatie het verschil tussen “een Zweedse vriendin die voor een andere organisatie werkt” en “een vriendin die een lokale collega is” of “een lokale vriendin waarvan niemand weet welk werk ze doet”? Waar eindigt het institutionele beleid en waar begint de individuele vrijheid?

Marleen Temmerman is ook een beetje meer terughoudend. Zij heeft het gevoel dat je toch moet opletten met regels die tussenkomen in wat twee volwassen mensen met elkaar afspreken. Als er minderjarigen in het spel zijn, is ze echter categoriek: ‘Dat is misbruik, het moet zo benoemd worden en het moet als dusdanig behandeld en bestraft worden.’ Ze denkt daarbij aan een gepensioneerde Belg in Kenia die het elfjarige dochtertje van zijn huishoudster misbruikte. ‘De mama durfde niets te zeggen uit schrik haar job te verliezen, maar buren hebben hem het misbruik gemeld en dank zij ons centrum is hij in de gevangenis terechtgekomen in Mombasa, waar hij overleden is.’ Bruno De Cordier weet dat het seksuele gedrag van ngo-medewerkers op het terrein ‘lange tijd beschouwd werd als iets dat tot het privéleven van de betrokkene behoorde. Maar in crisisgebieden, in vluchtelingenkampen en op het platteland heb je eigenlijk geen “privéleven”. De partouse-expats riepen niet zelden nogal wat ergernis en woede op onder andere expats, die de betrokkenen daar wel degelijk over aanspraken en aanspreken. Er waren, en zijn, daar veel knallende ruzies over. Los van het morele aspect straalt dit immers negatief af op het grote aandeel ter goeder trouwe humanitaire hulpverleners, m/v, die wèl hun manieren houden of die een correcte en eerlijke relatie hebben met iemand van ter plekke.’

Hoe moeten organisaties optreden bij grensoverschrijdend gedrag?

INGO Y: ‘Moeilijke vraag, ook al lijkt die eenvoudig. Het eenvoudige antwoord is dat sancties in verhouding moeten zijn tot de uitkomst van een onderzoek, en de aard van de transgressie (van kleinschalige fraude tot en met seksueel misbruik). Sancties kunnen gaan van waarschuwingen, tot ontslag, tot rapporteren naar overheden. Denk niet dat hier een ‘one size fits all’ kan zijn. Wat minder gemakkelijk is, is ervoor te zorgen dat in geval van ernstig misbruik de persoon niet bij andere ngo’s aan de slag kan. Zo laten wetgevingen in verschillende landen bijvoorbeeld niet toe dat je als werkgever gedetailleerde informatie doorgeeft aan derden (omwille van databescherming). Dus zelfs als er per standaard referenties worden gevraagd kan een voormalige werkgever wel schrijven dat hij of zij niet meer met de persoon zal samenwerken omwille van wangedrag, maar de precieze reden mag niet worden aangeven. Vandaar dat een “blacklist” tussen ngo’s me moeilijk lijkt.’

‘Iedereen moest een uitgebreid document tekenen met regels en afspraken over wat kan en niet kan. Maar soms heb ik het gevoel dat zo’n gedragscode vooral dient om de organisatie in te dekken.’

INGO X: ‘In de organisatie waarin werkte, was er geen duidelijke procedure om misbruik te melden. Heel veel hangt dan af van de directie en de cultuur die zij installeert. Iedereen moest natuurlijk wel een uitgebreid document tekenen met regels en afspraken over wat kan en niet kan: je wordt bijvoorbeeld verondersteld je te houden aan de wetten van het land waar je werkzaam bent, en er geldt een uitdrukkelijk verbod op prostitutie. Maar soms heb ik het gevoel dat zo’n gedragscode vooral dient om de organisatie in te dekken tegen mogelijke schadeclaims of schandalen, maar dat er bijzonder weinig geïnvesteerd wordt om die code ook om te zetten in dagelijkse praktijk.’

‘Mensen gaan niet snel over tot het melden van misbruik of een vermoeden daarvan, omdat ze er vaak geen hard bewijs voor hebben. Bovendien ontzien ze zich de ellende die een procedure meebrengt, in werkomstandigheden die op zich al moeilijk genoeg zijn. Als daar bij komt dat de directie niet reageert of, zeker als het om senior staf gaat, de dader de hand boven het hoofd houdt of wegpromoveert, dan laat je het al snel zo.’

Moeten overheden de subsidies of de financiële samenwerking stopzetten als er een geval van seksueel wangedrag vastgesteld of uitgebracht wordt? Dat is in elk geval de reactie die aangekondigd werd door de Britse staatssecretaris voor ontwikkelingssamenwerking en de Zweedse overheid heeft de financiering van Oxfam intussen al daadwerkelijk opgeschort. INGO X vindt dit een overtrokken reactie, tenzij het om een systematisch en weerkerend probleem zou gaan. ‘Wie een organisatie bestraft voor een individuele fout, handelt buiten proportie en is niet fair. Als uit gerechtelijk onderzoek blijkt dat de organisatie meerdere gevallen probeerde in de doofpot te steken, ook al gebeurde dat om de goede naam van de organisatie en de meerderheid van de medewerkers te beschermen, dan is er wel degelijk grond voor een krachtige sanctie.’

Waar iedereen het over eens lijkt, is dat bij seksueel grensoverschrijdend gedrag zoals dat naar voor komt in het geval van de Oxfam-directeur in Haïti, ontslag de enige gepaste reactie is. De man toelaten om “vrijwillig en waardig” te vertrekken wordt door bijna iedereen gezien als een vergissing, zowel wat het signaal naar de andere medewerkers betreft, als tegenover slachtoffers, donoren én begunstigden.a

Is seks het probleem?

Neen, of toch wel. Seks wordt problematisch omwille van de enorme machtsverschillen die zich voordoen tussen hulpverlener en geholpene, of, bij uitbreiding, tussen vast betaalde ngo-medewerkers en verarmde of bedreigde lokale bevolking. Cees Wittebrood: ‘De macht van ngo’s - in de vorm van geld, goederen, diensten, ondersteuning, hulp en tewerkstelling – biedt al te veel mogelijkheden voor misbruik. Daarom heeft elke organisatie ook de plicht en de verantwoordelijkheid om dergelijk misbruik te voorkomen, te verbieden, en te bestraffen. Er moet ingezet worden op preventie, bewustmaking, vorming, informatie en opvolging, maar ook op snelle reactie, herstel, transparantie en aansprakelijkheid.’

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur