Rwanda na de genocide: De hel en het helen

De twintigste verjaardag van de Rwandese genocide komt eraan. Kris Berwouts heeft zowel de hel als de pogingen tot heling daarna van heel nabij meegemaakt, ook al is hij niet altijd welkom bij de huidige machthebbers in Kigali. Samen met vijf bevoorrechte getuigen blikt hij terug op het verleden om de toekomst te begrijpen.

In de vroege ochtend van 7 april 1994 brak de hel los in Rwanda. Enkele uren eerder was het vliegtuig van president Habyarimana uit de lucht geschoten en neergestort op diens eigen paleis. Hij kwam terug van een regionale topontmoeting in Tanzania over de impasse in het vredesakkoord tussen het regime, dat steunde op de Hutu-meerderheid in het land, en de Tutsi-rebellen van het Rwandan Patriotic Front. In oktober 1990 waren die het land binnengevallen.

Habyarimana’s dood was het startschot voor een nooit geziene slachtpartij op ongeveer een miljoen Tutsi’s en gematigde Hutu’s. De genocide eindigde toen het RPF in juli aan de macht kwam. Twee miljoen Hutu’s vluchtten naar Congo. Rwanda stabiliseerde, maar het geweld verplaatste zich naar Congolese bodem en leidde uiteindelijk tot wat men The Great African War is gaan noemen.

© Jeroen Janssen

De waanzin

Rose herinnert het zich levendig, ook al was ze nog maar zes: ‘We woonden in Cyangugu: mijn ouders, mijn broertje van drie en ik. Ik herinner me nog beelden van net voor de genocide: luidruchtige mensen die op de bus met machetes zwaaiden. En de politieke moorden. Op een dag lag zo’n lijk gewoon bij ons voor de deur. Toen bekend raakte dat de president dood was, kwam een Tutsi-buurman bij ons: “Dit is het einde, we gaan sterven.” Niet lang nadien schreeuwde een lid van de Interahamwe  (extremistische Hutu-militie, nvdr.)  over de omheining: “Hou jullie gereed, we komen straks ons werk doen.” “Welk werk?” vroeg vader. “Je vriend afmaken, en je vrouw!”’

‘Omdat mijn moeder Tutsi was, is mijn vader zo vlug mogelijk met haar naar Congo vertrokken. We woonden vlak bij de grens. Die Tutsi-buurman is dezelfde dag nog vermoord. Zijn vrouw ook, nadat ze gruwelijk was verkracht. Ik bleef alleen achter met mijn broer. Ook wij werden overvallen. Iemand haalde met een machete uit naar mijn hoofd, maar ik weerde de slag af met mijn arm. Ik was zwaar gewond maar we leefden.’

‘Iemand haalde met een machete uit naar mijn hoofd, maar ik weerde de slag af met mijn arm.’ 

‘Een buur redde ons: hij vroeg de aanvallers ons leven te sparen, uiteindelijk was onze vader een Hutu. Vier dagen later pikte vader ons op en bracht ons ook naar Congo. Ik lag maanden in het ziekenhuis. Eerst wilden ze mijn arm amputeren. Die was helemaal ontstoken. Ze hebben hem toch kunnen redden. Vader is die hele tijd bij mij gebleven. Toen ik beter was, keerden we terug naar Bukavu, waar mijn moeder en mijn broer verbleven.’

Béatha was er niet bij. Ze was vijftien jaar eerder als tienjarig kind vertrokken naar België. Ze was opgegroeid in Gisenyi. Haar vader was er gemeentesecretaris. Het gezin was Tutsi.

‘In die tijd hadden Tutsi-kinderen slechts mondjesmaat toegang tot middelbaar onderwijs. Ik leerde goed op de lagere school, maar kon niet verder studeren. Omdat ik een fysieke beperking had, was het niet zo duidelijk wat ik moest doen. Uiteindelijk stonden mijn ouders mij in 1979 af voor adoptie en groeide ik verder op in Brugge. Ik hield contact met mijn familie in Rwanda.’

‘Mijn moeder kwam een paar keer naar hier en in 1989 keerde ik terug voor het huwelijk van mijn broer. Ik begreep nog wel Kinyarwanda maar sprak het niet meer. Toch was het een soort thuis komen, de band met mijn kindertijd was erg tastbaar. Een jaar later brak de oorlog uit. We maakten ons niet veel zorgen. Het gebeurde allemaal ver van Gisenyi.’

‘In mei 1992 kwam mijn moeder voor wat achteraf de laatste keer bleek te zijn. Ze bleef tot 23 september. Ik wilde dat ze asiel vroeg, maar ze weigerde. “Als ik dan toch moet sterven, dan liever thuis.” Niet dat we dachten dat dat voor onmiddellijk was, we geloofden nog steeds dat de oorlog ver weg was. Maar toch, voortaan belde ik haar elke week.’

‘In april 1994 brak de waanzin uit.’

‘In april 1994 brak de waanzin uit. We probeerden per telefoon op de hoogte te blijven. In eerste instantie probeerde men ons gerust te stellen. Door omstandigheden waren alleen mijn moeder en mijn broer in het land. Een buurman verborg hen. Op vijftien mei belde hij me op. Hij probeerde enigszins cryptisch te vertellen dat moeder en mijn broer die nacht waren opgehaald. Hij draaide er wat omheen, maar we begrepen: het is voorbij. Ze hadden hen drie weken verstopt, maar uiteindelijk werden ze verklikt door het huispersoneel.’

© Jeroen Janssen

‘Sommige familieleden hebben de buurman beschuldigd van medeplichtigheid, maar ik vond dat onterecht: uiteindelijk had de man zijn leven gewaagd door Tutsis te verbergen. Het is al een half mirakel dat hij daar zelf niet voor vermoord is. In 1995 keerde ik voor de tweede maal terug. Dat was zeer vervreemdend. Zoveel mensen waren dood. Zes jaar eerder vond ik mijn klasgenoten van vroeger nog, nu waren die verdwenen. Toen ik weer in België kwam dacht ik: ik heb het nu wel gehad met Rwanda. Ik heb daar niets meer te zoeken.’

‘Ik besefte toen al: het is onrechtvaardig als je de doden van één kant wel en die van de andere kant niet mag betreuren. Je mocht niet spreken over de slachtoffers van het leger, alsof alleen de slachtoffers van de Interahamwe waren gestorven. Met dat gevoel van onrecht ben ik opgegroeid, de breuklijn liep dwars door mij heen.’

 

Onherkenbaar veranderd

Ik zoek Marc Hoogsteyns op, een onafhankelijke journalist en documentairemaker uit Limburg. Hij maakte een groot deel van het geweld in Rwanda en later in Congo te velde mee. Hij kent de hele RPF-top persoonlijk uit de tijd dat ze nog rebellenleiders waren. Door zijn huwelijk heeft hij familiebanden binnen de Tutsi-gemeenschap aan beide kanten van de grens. Hij blijft een onafhankelijk waarnemer, maar weet goed wat er binnen die gemeenschap leeft en kan er veel empathie voor opbrengen. Is Rwanda veel veranderd, wil ik weten.

‘Het land heeft een totale gedaanteverwisseling ondergegaan. Het is veranderd van basiscultuur. Sociaal en economisch is Rwanda geweldig vooruitgegaan. Qua onderwijs en gezondheid bijvoorbeeld zijn de resultaten spectaculair. Wat mensenrechten en democratie betreft is er dan weer weinig veranderd. Vroeger was het een eenpartijstaat, en ook al doen ze hun best om dat wat op te smukken, in wezen is het dat nog.’

‘Wat mensenrechten en democratie betreft is er weinig veranderd.’

Ik bel Aloys Habimana op. Meer dan tien jaar geleden kwam ik hem al tegen. Hij was een van de leidinggevende figuren binnen Liprodhor, misschien wel de moedigste mensenrechtenclub die Rwanda ooit gekend heeft. Verschillende generaties van hun activisten hebben in de loop der jaren Rwanda moeten verlaten omdat de autoriteiten hard optraden tegen pottenkijkers. Aloys verdween uit het plaatje maar dook later elders weer op. In New York bijvoorbeeld, waar hij jaren kaderfuncties bekleedde op de hoofdzetel van Human Rights Watch. Vandaag coördineert hij het kantoor van de internationale mensenrechtenorganisatie Front Line Defenders in Nairobi.

‘Rwanda is inderdaad erg veranderd in al die jaren, op de meest uiteenlopende terreinen. Er zijn een hoop positieve ontwikkelingen. De leiders van het nieuwe regime hebben erg goed gescoord op de terreinen die ze zelf als prioritair beschouwden. We mogen niet onderschatten wat voor een complexe, bijna onhaalbare opdracht het is om een tot de grond vernielde en in het diepst van haar ziel getraumatiseerde samenleving weer op te bouwen. Toch denk ik dat de eerste prioriteit had moeten zijn om de grondoorzaken van het conflict en het geweld aan te pakken. Hebben we bijvoorbeeld het vraagstuk van de vluchtelingen aangepakt? Vandaag wonen vermoedelijk meer Rwandezen dan ooit in het buitenland omdat ze zich in Rwanda zelf niet veilig voelen.’

‘Toen ik weer in België kwam dacht ik: ik heb het nu wel gehad met Rwanda. Ik heb daar niets meer te zoeken.’

© Jeroen Janssen

Ook  Béatha  merkte de verandering. Ze had zich in 1995 wel voorgenomen om nooit meer naar Rwanda terug te keren, maar in 2011 ging ze toch: ‘Weer een huwelijk. Ik wilde niet gaan, maar ze hebben me zo lang aan mijn kop gezanikt dat ik toch vertrokken ben. Opnieuw was het vervreemdend. Ik herkende eigenlijk niets meer. De mentaliteit en de levensstijl waren helemaal veranderd. Er is geen plaats meer voor gewone mensen. Alles moet schoon zijn. Allemaal goed en wel, maar ik vind de arme mensen niet terug. Er is zoveel onteigend, maar die moeten toch ergens zijn? De gewone mensen zijn blijkbaar in het decor verdwenen. Ik heb er een onbehaaglijk gevoel bij. In elk geval, ik heb het me niet beklaagd dat ik gegaan ben, maar ik vind nog steeds dat ik rond ben. Volgend jaar komt er weer een huwelijk aan, en weer heb ik er geen zin in. Hopelijk lukt het me dit keer wel om thuis te blijven.’

 

De hele waarheid

‘Het regime is erg dubbelzinnig,’ zegt Rose over de breuklijn tussen Hutu’s en Tutsi’s die ook dwars door haar heen loopt. ‘Jaren aan een stuk zeggen ze dat Hutu’s en Tutsi’s categorieën zijn die de Belgen hebben uitgevonden om ons eronder te houden. Als je die woorden uitsprak, verweten ze je dat je een  divisionist  was, dat je de samenleving wilde verdelen. Of erger: je hing de ideologie van de genocide aan. Maar nu komen ze met hun nieuwe programma  Ndi Umunyarwanda  (‘Ik ben Rwandees’) en willen ze dat Hutu’s vergiffenis vragen in naam van alle Hutu’s. En dat Tutsi’s vergiffenis schenken in naam van alle Tutsi’s. Zelfs ministers moeten het doen. Probeer er maar kop of staart aan te krijgen.’

‘Programma’s als Ndi Umunyarwanda nu en eerder de gacaca-rechtbanken  (rechtbanken op dorpsgemeenschapsniveau, nvdr.) . Ze belichten allemaal maar één deel van het verhaal. Ze brengen ons land niet vooruit en de mensen niet dichter bij elkaar. En die beseffen dat ook. Ze nemen eraan deel omdat ze moeten, niet omdat ze erin geloven,’ vindt  Aloys Habimana . ‘Hoe je het ook draait of keert, alles wat niet gebaseerd is op het erkennen van de gehele waarheid kan nooit echt bijdragen tot het verwerken van het verleden.’

Mijn laatste gesprekspartner is David Himbara. Ooit een van de naaste medewerkers van president Kagame, besloot hij in 2010 in het kielzog van andere sleutelfiguren uit de  inner circle  van de macht Kagame de rug toe te keren. Het was een zeer moeilijk moment voor het regime. Plots kwam de grootste dreiging niet van de gewapende oppositie in het Congolees maquis of van de oppositiepartijtjes in Kigali, maar van binnen uit.

David Himbara leidt sindsdien een publiek leven als een van de meest kritische en best gedocumenteerde bronnen over de Rwandese politiek, maar trad nooit toe tot een van de oppositiepartijen in de diaspora: ‘Onder het huidig regime in Rwanda is verzoening onmogelijk omdat het klimaat er zich niet voor leent. Verzoening kan alleen het resultaat zijn van een proces waarbij twee partijen in dialoog gaan. Zo’n dialoog bestaat niet in Rwanda. Maar het is ook passé om je vast te pinnen op de Hutu-Tutsi-kwestie.’

‘Rwanda is een gewelddadige staat, maar er is een strikt beleid van gelijkekansengeweld: we krijgen allemaal ons rechtmatig deel van de roe. De Hutu’s zijn vandaag gemarginaliseerd, ze komen amper aan bod in de instellingen die het land regeren. En als ze dat wel doen, dan niet omdat ze ergens voor verkozen zijn maar als geparachuteerde alibi-Ali. Wat niet betekent dat het een Tutsi-regime is: Kagame speelt beide groepen tegen elkaar uit. De manier waarop hij met pionnen schuift heeft zijn eenpartijstaat tot een eenmansstaat versmald.’

En hoe zit dat dan met de gewone mensen, wil ik weten. ‘De repressie en de intimidatie zijn georganiseerd tot op het niveau van de  nyumbakumi , de cel van tien huishoudens als laagste bestuursniveau. De breuklijnen lopen door families heen. Mijn vader bijvoorbeeld was een  old school  Tutsi-patriarch. Ik heb dertig broers en zussen. Verschillende wonen nog steeds in Rwanda. Sommige willen zelfs niet dat ik hen bel. Ze vrezen dat ik hen in gevaar breng. Ik wil maar zeggen: de sociale cohesie is weg, het wantrouwen is totaal. Dat maakt Rwanda tot een tijdbom.’

Marc Hoogsteyns  is veel milder in zijn oordeel: ‘Het is een mooi land met veel troeven, maar natuurlijk ook een Afrikaanse versie van Brave New World. De mensen zijn bang om te praten, maar toch. Ze leven rustiger en veiliger dan vroeger, het onderwijs en de gezondheidszorg zijn van hoge kwaliteit. Daar zijn ze al heel blij mee. De Tutsi-gemeenschap staat grotendeels achter Kagame en ook de meeste Hutu’s schikken zich. Ze vinden het niet fijn dat ze politiek niets te zeggen hebben, maar ze kunnen studeren, zaken doen enzovoort. De zachte repressie nemen ze erbij. Ze weten dat het in Burundi, Kenia en Congo ook niet allemaal koek en ei is wat dat betreft. Eerlijk, hadden we twintig jaar geleden, net na de genocide, geweten dat Rwanda er vandaag zo zou uitzien, we hadden er onmiddellijk voor getekend.’

‘Het is een mooi land met veel troeven, maar natuurlijk ook een Afrikaanse versie van Brave New World.’

Hoe moet het nu verder, vraag ik aan Aloys Habimana. Op vele gebieden lijkt Rwanda klaar voor de toekomst, maar hoe raakt het uit de schaduw die het verleden over het heden werpt?

‘De gewone mensen op de heuvels en in de volkswijken hebben een zeker evenwicht gevonden, een manier om met het verleden verder te leven. Je ziet bijvoorbeeld steeds meer gemengde huwelijken. Tijd is de beste heelmeester. Als mensen deel uitmaken van dezelfde samenleving, dezelfde problemen en successen kennen, gemeenschappelijke belangen hebben, dan slijt het verleden. Er bestaan momenten die mensen samenbrengen en de sociale banden aanhalen. Kerken en liefdadigheidsorganisaties proberen zulke momenten te creëren, vaak met enig resultaat.’

‘Maar het potentieel aan geweld is niet weg, het wordt alleen met harde hand onderdrukt. Als je vroegere golven van geweld bestudeert, vraag je je toch af of onze leiders lessen trekken uit het verleden. Wat ons uiteindelijk in de genocide stortte was een beleid van politieke uitsluiting. Het elimineren van politieke tegenstanders en van kritische stemmen in het algemeen. Hebzucht. Dat is allemaal nog altijd aan de orde. Zolang we daar niet efficiënt mee omgaan, krijgen we het risico op geweld niet onder controle. Het land heeft verantwoordelijke leiders nodig en sterke instellingen. Die zijn er niet. Leiderschap is de sleutel. Dat je erin slaagt iedereen het zwijgen op te leggen betekent nog niet dat je een efficiënte leider bent. De ruimte voor maatschappelijk debat moet worden opengegooid.’

Deze bijdrage kadert in een boekproject over de Grote Merenregio, gesteund door het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift