‘Saddam was tenminste geen dief’

Zestien jaar na Saddam is de belofte van een beter Irak zonder de dictator weg

Matt Buck CC BY-SA 2.0

Schilderij van Saddam Hussein in het Imperial War Museum

‘Geef ons Saddam maar, toen was alles beter.’ Het ondenkbare is gebeurd in Irak. Zestien jaar na het verdrijven van de gehate dictator, gaan er stemmen op voor een sterke man zoals hij.

Er gaat een grap rond in Irak. Over een man die met zijn vrouw, zes kinderen, moeder en schoonmoeder in een veel te klein huisje woont. Hij vraagt een wijze man om hulp, want hij wordt gek in dat huis. ‘Neem een ezel in huis, en kom over twee dagen terug’, draagt die hem op. ‘Maar het wordt erger!’ klaagt de man als hij terugkomt. Hij krijgt de opdracht er ook nog een schaap bij te nemen. Twee dagen later klaagt hij opnieuw dat het slechter gaat. Hij moet ook er nog een paar kippen bij doen. ‘Het is ondraaglijk, ik pleeg zelfmoord!’ roept hij dan tegen de wijze man.

Die sust hem, en draagt hem op de ezel te verkopen. Twee dagen later komt de man terug met de boodschap dat het inderdaad iets beter gaat. Hij moet dan het schaap verkopen. ‘Het gaat veel beter!’ Weer twee dagen later mogen ook de kippen weg. De man bedankt de wijze man omstandig. De crisis is afgewend, de beginsituatie is ongewijzigd, maar schijnt hem nu zoveel beter toe dan voorheen.

Kapotte steden

De grap is een allegorie voor de situatie in Irak, zestien jaar nadat de Iraakse dictator Saddam Hoessein van zijn sokkel viel. Ieder jaar in april herdenken Irakezen de omwenteling, en ieder jaar worden ze negatiever. De belofte van een beter Irak zonder de dictator is weg. Ieder jaar hoor je meer mensen zeggen wat jarenlang taboe was: dat het beter was onder Saddam.

De Amerikaanse invasie van 2003 zou aan één miljoen Irakezen het leven gekost. De strijd tegen Al-Qaida leidde tot de arrestatie en radicalisering van duizenden.

Volgens sommige schattingen heeft de Amerikaanse invasie van 2003 uiteindelijk aan een miljoen Irakezen het leven gekost. Er volgde een burgeroorlog, de strijd tegen Al-Qaida leidde tot de arrestatie en radicalisering van duizenden, en tot de islamitische terreurgroep IS die ongeveer een derde van het land bezette. De strijd om hen te verjagen eindigde met kapotte steden en meer omstreden arrestaties.

In het begin rouwden alleen de soennieten om Saddam. Met zijn vertrek verloren ze niet alleen de macht in het land waar ze een minderheid vormden, maar zelfs alle politieke invloed. Saddam en zijn Baathpartij waren taboe geworden. Sjiieten deden alles om de regering te zuiveren van oud-partijleden.

Ontevreden aanhangers zochten hun heil bij de belofte van een soennitische revolutie - de vlag waaronder IS binnentrok. Al na weken zagen ze hun fout in, en vijf jaar later blijken zij het grootste slachtoffer van hun eigen revolutie. IS is al meer dan een jaar geleden verslagen verklaard in Irak, maar nog twee miljoen mensen zijn ontheemd, soennitische steden liggen in puin zonder overheidsbudget voor de wederopbouw, en de werkloosheid en armoede zijn enorm. Zij die worden geassocieerd met IS zijn de Iraakse melaatsen van vandaag.

Arm op de koop toe

Minder bekend is hoe groot de armoede ook elders in Irak is. Uit cijfers van de VN-ontwikkelingsorganisatie UNDP uit 2014 blijkt dat die het grootst is in provincies die merendeels sjiitisch zijn, als Wasit, Maysan, Muthanna. In de laatste leeft zelfs 52 procent van de inwoners onder de armoedegrens. Nieuwere cijfers zijn er niet, en voor soennitische gebieden zullen ze na de oorlog tegen IS niet meer kloppen, maar voor de sjiitische nog wel.

Want de sjiitische machthebbers lijken onwillig hun eigen achterban te laten meegenieten van hun grotendeels uit corruptie vergaarde rijkdom, die veilig op buitenlandse banken staat. In Basra zijn de protesten al jaren niet van de lucht. Maar voor die zuidelijke havenstad vielen de cijfers in 2014 nog mee, nog geen 15 procent. Daar gaat de onvrede over het gebrek aan stroom (en dus koeling) in de hete zomers, het smerige drinkwater, het gebrek aan ontwikkeling van infrastructuur en banen –en natuurlijk de corruptie, als de belangrijkste oorzaak.

© Judit Neurink

Uitgewist portret van Saddam bij een van zijn forts in Iraaks-Koerdistan,(2003)

Misschien is het dus niet zo opmerkelijk dat die roep om Saddam –of een soortgelijke sterke man — zich niet langer beperkt tot soennitisch gebied. Terwijl inmiddels bijna de helft van de Irakezen zich de dictator zelf niet kan herinneren, wijst de oudere generatie erop dat de elektriciteit in 1991 na Amerikaanse bombardementen binnen maanden hersteld was. Nu wachten ze al zestien jaar. En dat de corruptie toen zoveel minder was, en de veiligheid zoveel beter. Ja, onder Saddam was alles beter. Irak heeft zo iemand nodig.

Saddam was een dictator met veel bloed aan zijn handen, hoe kan je die nou terug willen? Toch hoor je die mening nu ook bij sjiieten en Koerden, de belangrijkste slachtoffers van Saddams wreedheid. En die eersten hebben nota bene de macht in Bagdad, terwijl de Koerden hun eigen autonome regio besturen. Als je je stilhield, kon je goed leven, hoor je nu. Hij was wreed, maar dat gold voor iedereen die tegen hem was, of je nu sjiiet, soenniet of Koerd was. En: Saddam was tenminste geen dief!

Koerden klagen dat hun overheidssalarissen maandenlang niet zijn uitbetaald als gevolg van de oorlogskosten en onenigheid met Bagdad na hun omstreden referendum over Koerdische onafhankelijkheid. Dit bracht het vertrouwen in hun leiders na jaren van welvaart ernstig aan het wankelen. Zelfs al zijn de armoedecijfers met vier procent in de regio laag vergeleken met de rest van Irak, opeens hoorde ik Koerden verklaren dat het onder Saddam beter was.

Propaganda voor Saddams regime

‘Mijn moeder zegt dat ze elke dag meer van het Saddam-regime houdt dan van het huidige’, vertelt ook Kholoud, mijn tolk in Bagdad, afkomstig uit het sjiitische Karbala. ‘Want de veiligheid was goed en Saddam begreep ons. Daardoor wist hij de eenheid tussen ons allemaal te bewaren.’

Volgens haar zeggen veel sjiieten dat de Irakezen niet zonder een sterke hand kunnen. Sommigen gaan zelfs zo ver dat ze zeggen dat Irak een nieuwe dictator nodig heeft. Tot voor kort deden ze dat alleen binnenskamers, want Irak heeft een wet die propaganda voor Saddams regime strafbaar stelt.

‘Veel mensen overleven dankzij maatregelen van het Baathregime van president Al-Bakr’

Maar de discussie die op dit moment gevoerd wordt over het gebrek aan vooruitgang leidt ertoe dat politici zaken bij de naam noemen. Faiq al-Sheikh, een sjiitisch parlementslid voor een kleine liberale partij wees erop dat ‘veel mensen alleen maar overleven dankzij maatregelen van het Baathregime van president Al-Bakr.’

Dat hielp burgers met leningen aan land en eigen huizen. In Irak weet iedereen dat Saddam toen vicepresident was en eigenlijk de macht had, en zo hoefde Al-Sheikh diens naam niet te noemen. Zonder dat stukje grond om op te bouwen of verbouwen hadden ze nu niks, en daar moeten ze dat regime voor bedanken, zei hij, met een openlijk verwijt aan de opvolgers, die de groeiende armoede niet bestreden.

De soennitische politicus Salih al-Mutlaq noemde in een discussie op de Iraakse TV de bouw van snelwegen, ziekenhuizen, fabrieken en elektriciteitscentrales als goede punten van het vorige regime. Naast de vele slechte, haastte hij zich te zeggen om niet van Saddam-propaganda beschuldigd te worden. Aan nieuwbouw van publieke werken wordt momenteel vrijwel niets gedaan. Zij krijgen kritiek en worden bedreigd, want dit is een taboe.

De rol van Teheran

Veel Irakezen leven nog dagelijks met de gevolgen van Saddams regime: hun vaders verdwenen, hun dorpen zijn verwoest en hun geliefden vergast. De bewering van Saddams kleindochter Hareer bij het TV-station Russia Today, dat haar familie ten onrechte in diskrediet is gebracht omdat de invasie alleen maar ellende bracht, is met gehoon ontvangen. En op 9 april, de dag van de val, stonden de sociale media als vanouds bol van de verhalen van Saddams slachtoffers.

De Iraaks-Britse politicoloog Haydar al-Khoei haalde op twitter een vriend aan, die vertelde over de angst onder Saddam, en dat hij op 9 april 2003 voor het eerst diens naam in zijn agenda schreef, in plaats van een code: Saddam gevallen. 

Tegelijkertijd bloeit het Iraakse nationalisme. De oorlog tegen IS is vanuit die emotie gevochten. En het speelt een rol bij de groeiende weerstand tegen de macht van Iran in Irak, een van de indirecte gevolgen van de invasie van 2003. Het buurland was eeuwenlang de grote vijand, waarmee bloedige oorlogen zijn gevochten. Vrijwel iedere Iraakse familie verloor wel een familielid in de Golfoorlog van de jaren tachtig. Maar nu Teheran de meeste sjiitische partijen betaalt, en zelfs stroom aan Basra levert om de zomer door te komen, is Iran overal. Zichtbaar in de portretten van Iraanse geestelijk leiders, maar veel is onzichtbaar. Een Iraakse politicoloog vergeleek het met elektriciteit; je weet dat het er is maar je ziet het niet.

Dat zou onder Saddam nooit zijn gebeurd: die was al beducht dat de invloed van Iran de sjiitische gemeenschap zou binnensijpelen. De meeste Iraakse sjiieten stonden in de achtjarige oorlog tegen het buurland voluit achter hem. Die emotie is er opnieuw: in Basra zijn tijdens de protesten anti-Iraanse leuzen geroepen en is het Iraanse consulaat bestormd. De demonstranten zien de Iraanse steun aan hun politici als een reden waarom het maar niet lukt om de verlammende corruptie te bestrijden.

Irak heeft vooral te maken met een veranderd perspectief. In vergelijking met alles wat erna is gekomen –de oorlogen, het gebrek aan diensten, de corruptie — lijkt Saddams regime meer acceptabel te worden. Daarom is de sjiitische moeder van mijn tolk, die sidderde en leed onder Saddam, nu een fan van diezelfde dictator.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift