Van wie is de wind?

Windenergie is een heel concurrentiële markt, waarin grote en kleinere spelers met heel verschillende economische logica’s actief zijn. Wie strijkt welke winst op, wat veroorzaakt bedrijfsonzekerheid, hoe belangrijk is participatie van bewoners en welke rol moet de overheid spelen?

  • © Storm Windpower © Storm Windpower
  • © Storm Windpower © Storm Windpower
  • © Storm Windpower © Storm Windpower
  • © Storm Windpower © Storm Windpower
  • © Ecopower © Ecopower
  • © Energent © Energent
  • © Ecopower © Ecopower

De wind waait gratis en is van iedereen. Maar eer die natuurkracht omgezet is in bruikbare elektriciteit voor bedrijven en gezinnen, zijn er enorme investeringen nodig in mensen, materiaal en infrastructuur. Een turbine of windmolen kost in Vlaanderen vandaag gemiddeld tussen 2,5 en 3,5 miljoen euro. Het verschil zit in het type molen dat geplaatst wordt: er zijn windturbines van 2 MW of 3,5 MW, met een tiphoogte van 150m of 200m, met een 82m rotor of 114m rotor, …

Als we uitgaan van de 295 windmolens die Ruimte Vlaanderen in april 2014 telde, dan was er op dat moment minstens voor 737,5 miljoen euro geïnvesteerd in  windmolens in Vlaanderen. Vandaag loopt dat bedrag zeker over het miljard euro.

Van multinational tot lokale coöperatie

Ondanks de relatief grote investeringen en de gespecialiseerde kennis die vereist is om windenergieprojecten succesvol te realiseren, toont het landschap van de Vlaamse windenergie toch veel diversiteit op het vlak van bedrijfsprofielen. Er zijn gewoon commerciële bedrijven zoals Electrabel en Storm, maar er zijn ook coöperaties zoals Ecopower. En er zijn semi-overheidsbedrijven die vooral gemeentelijke intercommunales als aandeelhouders hebben, zoals Aspiravi en Elicio, dat het grootste deel van de windmolens op land van Electrawinds overnam en een dochterbedrijf is van Nethys, dat gecontroleerd wordt door Tecteo, de Waalse intercommunale achter Elicio.

En dan heeft elke categorie nog heel wat grijswaarden. Electrabel maakt deel uit van het beursgenoteerde Engie, een van de grootste internationale spelers op de energiemarkt, maar de Franse staat bezit wel 33,3 procent van de aandelen. Storm is veel lokaler, niet beursgenoteerd en voor 75 procent eigendom van oprichter Jan Caerts. Binnen de categorie coöperaties werkt Ecopower over het hele Vlaamse grondgebied, terwijl Beauvent, Energent, Bronsgroen, Pajopower of Netekracht eerder lokaal actief zijn.

© Ecopower

Bovendien zetten ook de commerciële spelers steeds meer coöperatieve poten op om een vorm van lokale participatie mogelijk te maken, waardoor het begrip windenergie-coöperatie wel heel veel verschillende realiteiten dekt. In Deze spelers domineren de Vlaamse windmolenmarkt zegt ODE-directeur Bart Bode dat veel van de winst die met wind gemaakt wordt terugvloeit  naar de burger, want ‘in veel gevallen gaat het immers om vormen van overheidsbedrijven of zit er overheidskapitaal achter’.

De reden voor de druk op de financiële markt ligt in het feit dat de overheid de waarde van haar groenestroomcertificaten naar beneden bijstelt.

Aspiravi, bijvoorbeeld, keerde vorig jaar 10,4 miljoen uit aan de gemeentelijke holdings, waarin 96 gemeenten participeren. De winstcijfers van de windbedrijven staan overigens wel onder druk, dat tonen de cijfers van zowel Aspiravi als Storm, en ook Electrabel bevestigt dat. Ecopower maakt minder winst, maar ziet die wel weer toenemen.

De reden voor de druk op de financiële markt ligt in het feit dat de overheid de waarde van haar groenestroomcertificaten naar beneden bijstelt. Toch garandeert dit iedereen in de sector voorlopig nog een internal rate of return (irr)  van 8 procent op de gedane investering, wat concreet betekent dat een investering na 15 jaar helemaal terugverdiend moet zijn, al kan dat voor een project met betere “windligging” sneller gaan en voor een groter of moeilijker project langer duren.

© Storm Windpower

Wind is als het water van de rivier

We vroegen enkele grotere windenergieproducenten of en hoeveel contracten voor het vestigen van een recht van opstal hun bedrijf of organisatie voor eventuele toekomstige projecten afgesloten heeft. Dat blijkt gevoelig te liggen, want enkel Ecopower wou een ruime schatting van enkele tientallen geven. De andere spelers houden de lippen op elkaar als het gaat om hoeveel van die cruciale locaties men vastgelegd heeft.

Voor het recht van opstal betaalt men altijd meer dan 5000 euro per jaar en de bovengrens ligt boven de 25.000 euro per jaar.

Ook over de vergoedingen die voor het recht van opstal betaald worden, blijft men liefst vaag, al lijkt iedereen het erover eens dat het altijd meer dan 5000 euro per jaar is en dat de bovengrens zelfs boven de 25.000 euro per jaar ligt.

Storm verwerft pas terreinrechten nadat een haalbaarheidsstudie en voorontwerp voor een project opgemaakt is. Eveline D. Milonas: ‘Dat neemt niet weg dat er heel wat projecten zijn waarvoor de terreinrechten verworven zijn, maar waarvoor nog geen vergunningsaanvragen werden ingediend omdat het vooroverleg met de stakeholders nog loopt, omdat er tijdens dat vooroverleg aandachtspunten gerezen zijn die niet meteen opgelost kunnen worden –zoals luchtvaartproblemen, aanwezigheid bijzondere broedvogels–, of omdat de projecten wachten op een aanpassing aan het regelgevend kader.’

Geetha Keyaert van Electrabel bevestigt dat er contracten afgesloten worden met eigenaars van interessante locaties. Afhankelijk van het geval worden eigenaars soms al vergoed in de periode voordat er effectief een project start of een turbine staat.

Het zal niet verbazen dat het recht van opstal het meest concurrentiële element is in de Vlaamse markt, waar uitstekende windlocaties snel zeldzaam worden. Dat verklaart trouwens de hoge bedragen die ervoor betaald worden. 

De Franse revolutie ontnam de adel haar wind- en waterrechten en transfereerde die naar de Franse republiek.

Dirk Vansintjan: ‘De wind is niet de eigendom van wie de grond bezit, het is een gemeengoed zoals het water van de rivier en de steenkool in de ondergrond. De Franse revolutie ontnam de adel haar wind- en waterrechten en transfereerde die naar de Franse republiek. Sindsdien betaal je een concessie aan de staat voor het gebruiken van het rivierwater. Op dezelfde manier is het niet onlogisch dat een energieproducent een concessierecht betaalt aan de gemeenschap, naast een billijke vergoeding aan de eigenaar van de grond, zeker als het een landbouwer is die dat stuk niet meer kan bewerken. Maar het zou beter zijn als die vergoeding aan vaste tarieven gebeurt in plaats van de wet van de markt te laten spelen, waardoor soms onzinnig opbod ontstaat.’

© Ecopower

De lange mars door de procedures

Een van de pijnpunten in de bedrijfsvoering van windproducenten is de lange duurtijd en de grote onzekerheid waarmee ze te maken krijgen. Op onze vraag hoe lang het gemiddeld duurt om een windmolen operationeel te hebben, antwoordt Eveline D. Milonas van Storm: ‘De minimale duur van het traject van ontwerp tot ingebruikname, indien alles vlot loopt, er geen Milieu Effecten Rapport (MER) of MER-ontheffing nodig is, en er geen beroepen worden ingesteld, is drie jaar. De maximale duur –mét MER en beroepen– kan zelfs langer dan tien jaar duren.’ Als gemiddelde geven zowel Storm, Aspiravi als Ecopower vijf jaar.

‘Het ontbreken van participatie van de burgers vanaf het begin van een windproject ligt aan de oorzaak van de lange procedureslagen.’

Ook de Vlaamse Windernergie Associatie (VWEA)  klaagt de lange vertragingen door beroepsprocedures aan in een persbericht van 24 september. ‘VWEA stelt vast dat een totaal vermogen van 229,3 MW (80 windturbines) aan windenergieprojecten reeds vele jaren geblokkeerd zit. Het wachten op een uitspraak  loopt in de helft van de gevallen twee tot vier jaar  of langer op.’ VWEA dringt er bij de betrokken ministers dan ook op aan hier spoedig actie tegen te ondernemen en een beslissing binnen de 6 maanden te garanderen.

In een reactie stelt REScoop Vlaanderen -het platform van zuivere energiecoöperaties- dat vooral het ontbreken van participatie van de burgers vanaf het begin van een windproject aan de oorzaak ligt van de lange procedureslagen.

Werken aan wind

Windenergie  is niet alleen een keuze die vanuit ecologisch en klimaatperspectief gemaakt wordt. Vaak wordt ook verwezen naar het sociale potentieel van hernieuwbare energie, met name op het vlak van tewerkstelling. In de studie Wind at Work (European Wind Energy Association, 2009) wordt het groeipotentieel van windenergie in de Europese arbeidsmarkt hoog ingeschat.

Voor elke geïnstalleerde MW capaciteit, werden er gemiddeld 15,1 banen gecreëerd

Men verwachtte toen dat er tegen 2020 zo’n 325.000 mensen  direct of indirect in de windeconomie zouden werken, tegenover 154.000 in 2007. Voor elke geïnstalleerde MW capaciteit, werden er gemiddeld 15,1 banen gecreëerd, waarvan meer dan de helft bij bedrijven die onderdelen en molens produceren.

Het rapport Renewable Energy and Jobs (International Renewable Energy Agency, 2014) stelt vast dat er wereldwijd een stagnatie is van het aantal banen in de windsector, met in 2014 een geschatte tewerkstelling van 840.000 banen. In Europa, India en de VS is er wat terugval, als gevolg van een onzekere beleidscontext -lees: de vraag of en in hoeverre de overheden een hernieuwbare energietechnologie als wind blijven subsidiëren. In China en Canada gaf het beleid de sector dan weer een duw in de rug.

De bedrijven die de windmolens uitbaten in Vlaanderen hebben veeleer beperkte teams, met bijvoorbeeld 13 voltijdse krachten bij Storm, 34 bij Ecopower, waarvan een 15-tal specifiek op windenergie, en een 80-tal personen bij Aspiravi. De echte tewerkstelling zit dus ook hier bij de firma’s die installeren en onderhouden, want de productie van onderdelen gebeurt grotendeels in het buitenland.

© Storm Windpower

Het is onze energie

In Wallonië werden een aantal locaties aangeduid als plaatsen waar windenergieprojecten gerealiseerd kunnen of moeten worden. De Vlaamse regering hanteert op dit moment een beleid dat in principe over het hele grondgebied windmolenprojecten mogelijk maakt –binnen de grenzen van een heleboel regels, natuurlijk. Het gevolg daarvan was, zeker in het begin, dat er heel veel aanvragen voor vergunningen gebeurden zonder dat de omwonenden vooraf waren ingelicht, wat een negatieve sfeer gecreëerd heeft.

Informatie kan behoorlijk vrijblijvend gebracht worden, en ziet er in de jaarverslagen altijd beter uit dan in de realiteit.

De grotere ontwikkelaars proberen die fouten vandaag te vermijden en  zeggen zelf alvast dat ze zo snel en zo goed mogelijk met informatie naar de bewoners trekken. Er is echter geen eenduidige aanpak.

Storm doet niet alleen informatievergaderingen, maar zet bij grotere projecten ook een specifieke website op, mét ruimte voor opmerkingen door inwoners. www.windparkE40.be is daarvan een voorbeeld. De meeste bedrijven maken ook graag gebruik van initiatieven als Open Bedrijvendag om burgers met de werken te laten kennismaken.

Maar informatie kan behoorlijk vrijblijvend gebracht worden, en ziet er in de jaarverslagen altijd beter uit dan in de realiteit. De meeste windenergiebedrijven hebben daarom ook manieren ontwikkeld om de omwonenden actiever te betrekken. Eveline D. Milonas van Storm: ‘Lokale participatie is belangrijk om betrokkenheid te creëren bij omwonenden, voor bewustmaking, en omdat het niet meer dan logisch is dat zij die de lasten van het windturbinepark ondervinden ook kunnen delen in de lusten.’  

Participatie kan bij Storm zowel door omwonenden als door gemeenten die mede-eigenaar worden van het windpark op hun grondgebied. ‘Gemeenten die tot hiertoe op dit voorstel ingingen zijn Wielsbeke, Geel, Westerlo en Hoogstraten. Alle inwoners van de gemeente waar het windpark gerealiseerd wordt, en van buurgemeenten indien het windpark vlakbij de gemeentegrens staat, krijgen de mogelijkheid om aandelen te kopen van de coöperatie Storm CVBA, die de opgehaalde gelden investeert in de projectvennootschap die eigenaar is van het windpark.’ Het rendement op de coöperatieve aandelen van Storm is 4 tot 6%. Op dit moment telt Storm CVBA 1301 cöoperanten, die samen 2.786.375 euro hebben ingebracht.

Ook commerciële bedrijven en semi-overheidsberdrijven schermen met coöperaties, de echt coöperatieve energiebedrijven zijn daarvan niet onder de indruk

Zelfs een grote onderneming als Electrabel zette met CoGreen een participatiepoot op. Geetha Keyaert: ‘In de vijf eerste projecten die voor participatie opgesteld werden, participeerden 495 burgers, wat een investering van 925.000 euro voorstelde. Dat vonden wij een succes. Er worden nu nieuwe projecten voor participatie opgesteld (Gingelom, Genk, Gent haven, Westerlo en Wuustwezel). Alleen inwoners van de gemeente waar het project zich bevindt of aangrenzende gemeenten komen in aanmerking voor het verwerven van aandelen.

Voor het project in Westerlo zijn dat bijvoorbeeld de inwoners van Oevel, Tongerlo, Westerlo Centrum en Zoerle-Parwijs. Elke volwassene kan intekenen voor maximum 20 aandelen, tegen 125 euro per aandeel. De looptijd van het aandeel is 3 jaar. Het rendement is 3,5 procent vast en 4 procent als streefdoel, afhankelijk van de effectieve productie -al moeten de administratieve kosten daar nog af. Het eerste dividend dat CoGreen uitkeerde in 2014 bedroeg 5,45 procent.’

Neen, het is ónze energie

An Schaubroeck van Aspiravi claimt dat zij ‘door de unieke structuur het meest participatieve model hebben, aangezien onze aandeelhouders 96 gemeenten zijn. Winsten vloeien dus terug naar de inwoners van de betrokken gemeenten. Daarnaast hebben we ook de beide coöperatieve vennootschappen Aspiravi Samen en Limburg Wind, via dewelke iedere particulier mee kan investeren in windenergieprojecten en genieten van de opbrengsten ervan. Coöperanten kunnen eveneens groene, lokaal geproduceerde stroom aan een voordelig tarief aankopen via Aspiravi Energy, waarbij zij eveneens een sociaal doel steunen.’

De Aspiravi-coöperaties  tellen op dit moment meer dan 7200 coöperanten, die samen goed zijn voor een totaal opgehaald kapitaal van 19,5 miljoen € (cijfers op eind 2014). 1 aandeel kost 125 € en per persoon kunnen maximaal 24 aandelen aangeschaft worden. Beide coöperaties staan onder het toezicht van het FSMA, hebben een uitgebreide prospectus en spreiden het risico voor de coöperant zoveel mogelijk. Voor het werkjaar 2014 werd een dividend van 4 procent (Aspiravi Samen) en 4,5 procent  (Limburg wind) uitgekeerd aan de coöperanten.

© Energent

‘Lokale participatie is voor ons heel belangrijk. Ecopower is dan ook helemaal eigendom van de coöperanten’, zegt Dirk Vansintjan. Een aandeel van Ecopower kost 250 euro. De gemiddelde coöperant heeft 4 aandelen, maar conform de internationale regels voor coöperaties heeft iedereen 1 stem in de algemene vergadering, ongeacht het aantal aandelen.

‘Groene stroom produceren en tegen kostprijs aanbieden, en bovendien inzetten op minder stroomverbruik lijkt misschien  niet efficiënt vanuit een kapitalistische logica.’

Ecopower cvba en andere zuivere coöperaties zoals  BeauVent cvba, Bronsgroen cvba, Volterra cvba, Energent cvba, Campina Energie cvba, Pajopower, Netekracht en Core cvba onderscheiden zich volgens Jim Willame van Ecopower dan ook van de coöperaties die afhankelijk zijn van een traditionele ontwikkelaar. ‘Dat zijn eigenlijk financiële instrumenten. Een kasbon die mensen kunnen kopen. De enige relatie die de “coöperanten” hebben met het bedrijf en zijn doelstelling, is een dividend.’

Dat betekent echter niet dat alle leden van een grote coöperatie als Ecopower, met 48.004 coöperanten eind 2014, even actief betrokken zijn. Op een algemene vergadering zijn in principe alle coöperanten welkom, maar het deelnemersaantal ligt meestal rond 300. Daarom nodigt Ecopower nu bij de opstart van een nieuw project alle coöperanten uit de buurt uit. ‘Dan zien we dat er wel zo’n 50 procent van de uitgenodigden opdaagt.’

‘Echte windcoöperaties willen vooral betaalbare en hernieuwbare energie aanbieden’, zegt Vansintjan. ‘Ecopower wil daarom groene stroom produceren in eigen land en tegen kostprijs aanbieden aan de coöperanten. Bovendien willen we onze coöperanten helpen om hun stroomverbruik terug te dringen. Dat lijkt misschien niet efficiënt vanuit een kapitalistische logica, maar wij willen dan ook mee bouwen aan een andere economie, die niet gericht is op de virtuele wereld van aandelenkoersen en -transacties.’

Stroom is van openbaar belang

Er is discussie in de sector over de vraag of overheden in hun aanbestedingen of windplannen het eigenaarschap van bewoners mogen of zelfs moeten stimuleren. Spelers als Ecopower en lokale coöperaties vinden uiteraard van wel. Een privébedrijf als Storm is terughoudend: ‘Het is belangrijk dat lokale participatie op vrijwillige basis gebeurt, en dat lokale besturen en/of omwonenden niet door een hogere overheid worden aangemoedigd om hun geld in windparken te investeren. Hoe goed bedoeld ook, dergelijke aanmoediging door de overheid creëert, zowel bij gemeentebesturen als bij omwonenden, ten onrechte het idee dat het om een risicoloze belegging gaat; en dat is het niet.’

© Storm Windpower

De economie van windenergie draait rond eigenaars, werknemers, aandeelhouders, coöperanten en omwonenden. De vraag is welke rol overheden  daarbij te spelen hebben. An Schaubroeck van Aspiravi reageert daarop met de duidelijke stelling dat ‘stroomproductie van algemeen belang is en dat de overheid dus algemene richtlijnen moet opstellen, zoals ze heeft gedaan in Vlarem en de Omzendbrief, en deze richtlijnen uniform toepassen.’

Jim Willame van Ecopower bevestigt dat ‘de Vlaamse overheid het beleid moet uittekenen en de regels vaststellen. Daarna kan er een beroep gedaan worden op provincies en gemeenten om te concretiseren of in te vullen.’

‘Wij zien soms eigenaardige discussies tussen verschillende overheidsniveaus, die soms diametraal tegengestelde visies hebben’

Eveline D. Milonas van Storm vindt dat het huidige vergunningenbeleid relatief goed werkt. ‘Het gewest zet de beleidslijnen over de inplanting van windturbines uit in een Omzendbrief, de provincies die dat wensen gaan met die Omzendbrief aan de slag om een provinciaal kader op te maken. Projectontwikkelaars baseren zich bij de selectie van hun locaties vervolgens op dat provinciaal kader of, waar niet beschikbaar, op de Omzendbrief. Projecten worden door de vergunningverleners afgetoetst aan de Omzendbrief en, waar beschikbaar, aan het provinciaal kader. Dat lijkt ons de juiste insteek op het juiste niveau. Het vermijdt ook een wildgroei aan projecten op de verkeerde plaatsen.’

Toch signaleert D. Milonas een belangrijk pijnpunt in het vergunningentraject: ‘Op dit moment stemmen de verschillende beleidsniveaus hun aanpak niet steeds op elkaar af.’ Ook andere ontwikkelaars signaleren dat een groot deel van de beroepsprocedures tegen vergunningen die afgeleverd worden door provincie of gewest, opgestart worden door gemeenten.  ‘Voor de aanvrager van een vergunning zijn dat eigenaardige discussies tussen verschillende overheidsniveaus, die soms diametraal tegengestelde visies hebben. Zelf kan je daarin moeilijk tussenkomen – maar je draagt er wel de gevolgen van’, zegt D. Milonas.

In het kader van een nieuwe aanpak die tot meer en snellere plaatsing van windturbines moet leiden –de zogenaamde Fast Lane scenario’s, die momenteel uitgetekend worden door de Vlaamse administratie– wordt overwogen om aan prioritaire zone-afbakening te doen. Als de Vlaamse overheid zelf tot zones komt, is er meer en sneller kans om de noodzakelijke vergunningen te bekomen, is de redenering.

De ontwikkelaars kijken daar heel verschillend tegenaan. Storm is geen vragende partij, onder andere omdat in het verleden bleek dat alvast lokale en provinciale overheden toch onvoldoende technische kennis hebben om de juiste locaties te selecteren. Bovendien wordt er in het kader van zo’n aanpak wel eens gesproken over onteigeningen. De procedureslagen daarrond duren in Vlaanderen gemiddeld drie tot vijf jaar, wat de ontwikkelingstijd voor projecten eerder langer dan korter zou maken, en een negatieve impact op het lokale draagvlak kan hebben.

Elicio, dat het grootste deel van de windmolens van Electrawinds overnam, is een belangrijk bedrijf in de windsector van Vlaanderen, met turbines in Brugge, Zedelgem, Gistel, Middelkerke, Ieper, Kallo, Maldegem, Berlare en Menen. Director Public Affairs Filip Dewulf verkoos echter niet te antwoorden op onze vragen.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur