Dossier: 

Wie zegt dat ggo's veilig zijn?

Over ggo’s lijkt een consensus te zijn ontstaan. ‘Niet per se’ minder veilig dan conventionele gewassen, stellen gerespecteerde academische instituties. Kritische wetenschappers wijzen op onzekerheden. En op de schimmige tactieken van de biotech-industrie.

  • Nathan Meijer (CC BY-NC-ND 2.0) Vanuit de ene leerstelling zijn ggo's veilig tot het tegendeel is bewezen; de andere benadrukt dat het gaat om effecten op lange termijn, op complexe ecosystemen en op gezondheid. Nathan Meijer (CC BY-NC-ND 2.0)

De beelden gingen in 2012 de wereld rond. Ratten met tumoren zo groot als pingpongballen, aan de camera’s getoond door de Franse onderzoeker Gilles-Eric Séralini. De deplorabele gezondheid van de arme dieren zou te wijten zijn aan Monsanto’s “Roundup Ready” genmais: NK603. De Franse professor haalde er voorpagina’s mee, om ook weer net zo snel van zijn voetstuk te vallen. Onder een storm van kritiek van collega-wetenschappers trok het tijdschrift Food and Chemical Toxicology het artikel in, een afgang voor elke wetenschapper. ‘Onvolledig’ luidde het oordeel.

Drie jaar later is het wetenschappelijk debat over ggo’s niet minder verhit. Het gaat om botsende geloofssystemen. Vanuit de ene leerstelling zijn ggo’s veilig tot het tegendeel is bewezen; de andere benadrukt dat het gaat om effecten op lange termijn, op complexe ecosystemen en op gezondheid.

Het is die laatste groep die anno 2015 een achterhoedegevecht lijkt te voeren. Gerespecteerde wetenschappelijke instituties als de American Association for the Advancement en de European Academies of Sciences stelden afgelopen jaren dat ggo’s “niet meer risicovol” zijn dan traditionele gewassen. De toon jegens tegenstanders wordt dan ook harder: “immoreel” door de wereld gewassen als Golden Rice te ontzeggen; “luddieten” in het “ideologisch” en “onwetenschappelijk” verzet.

Vraagtekens blijven

‘We weten vaak niet precies wat die genen doen. We hopen dat 99 procent niets is, maar we zouden als onderzoekers naar die ene procent moeten kijken.’

Angelika Hilbeck is onderzoeker aan het Swiss Federal Institute of Technology, en spil in een netwerk van kritische wetenschappers. Zij noemt op haar beurt onderzoekers die de gevaren bagatelliseren “religieus”. ‘Het risico bij ggo’s blijft dat onbedoeld ook andere processen in het organisme worden veranderd’, stelt zij.

‘In studies zien we dat off-target genen worden geactiveerd. We weten vaak niet precies wat die genen doen. We hopen dat 99 procent niets is, maar we zouden als onderzoekers naar die ene procent moeten kijken. Het is als een vliegtuig met miljoenen schroefjes. Wij zoeken naar dat ene schroefje dat het vliegtuig kan doen neerstorten.’

Angelika Hilbeck

Hilbeck is co-auteur van het artikel “No Scientific Consensus on GMO safety”. Het werd sinds 2013 wereldwijd door meer dan 300 wetenschappers ondertekend. ‘Een brede gemeenschap van onafhankelijke onderzoekers (…) zet vraagtekens bij recente claims dat er consensus zou bestaan over de veiligheid van ggo’s’, valt te lezen in het stuk, dat ook ten dele als brief in The New York Times verscheen. ‘Over de afgelopen jaren zijn een aantal wetenschappelijke artikelen gepubliceerd met verontrustende resultaten van voedingsexperimenten gedaan met verschillende dieren.’

Joachim Schieman

Welke studies negatieve gezondheidseffecten zouden tonen? Christoph Then is van de anti-ggo onderzoeksgroep Testbiotech stuurt desgevraagd een lijst door. De studies tonen verschillende gezondheidseffecten bij onderzoek met specifieke ggo’s: maagslijmvliesontstekingen bij varkens; reacties van het immuunsysteem bij ratten; veranderde immuunreacties bij Atlantische zalm.

‘Er zijn verschillende studies die negatieve gezondheidseffecten in dieren benoemen’, zegt  professor Joachim Schiemann, lid van de European Academies Science Advisory Council (EASAC), en hoofd van het Duitse Bundesforschungsinstitut für Kulturpflanzen. Schiemann was tevens in 2004 betrokken bij het ggo-panel van het Europese Voedselveiligheidsagentschap (EFSA), op het moment dat het agentschap de EU-normen vaststelde voor risico-inschatting van ggo’s. ‘Desondanks zou ik er nog geen definitieve conclusies aan verbinden. Met name de Séralini-studie is van zulke slechte wetenschappelijke kwaliteit dat op basis daarvan geen uitspraken te doen zijn.’ Volgens Schiemann is er brede consensus onder wetenschappers dat ggo-techniek ‘niet per se’ andere risico’s heeft dan conventionele plantverdeling.

Schiemann stelt dat Hilbeck en haar medestanders reageren op beweringen die niet bestaan. ‘Ik wil niet ingaan op de objectiviteit van de auteurs’, zegt hij, ‘maar wanneer zij de claim citeren dat ggo-gewassen veilig zouden zijn, dan citeren ze een claim die nooit is gemaakt.’ Volgens Schiemann moet de veiligheid per ggo-gewas apart worden bekeken. Hij deelt de mening van Testbiotech dat daarbij sommige aspecten nader onderzocht moeten worden. ‘Mogelijke reacties van het immuunsysteem bij proefdieren op verschillende ggo’s verdienen meer aandacht.’

De Belgische Stijn Bruers, milieu-activist, en sinds kort pro-ggo

‘Wetenschappelijke overzichtsstudies tonen aan dat een ggo-landbouw op vele vlakken vaak beter scoort dan een gangbare ggo-vrije landbouw: hogere gewasopbrengsten, minder landgebruik, minder bodembewerking, minder pesticidengebruik, meer biodiversiteit van onschadelijke ongewervelde dieren op de akkers en hogere opbrengsten voor de (armste) boeren. Grote wetenschappelijke academies en gezondheidsorganisaties erkennen dat de huidige ontwikkelde ggo’s even veilig zijn voor de gezondheid als conventionele gewassen. GGO’s kunnen vele voordelen bieden waardoor ze perfect inzetbaar zijn in een milieuvriendelijke en sociaal rechtvaardige agro-ecologie: betere stikstoffixering, lagere concentraties van toxische stoffen, langere houdbaarheid, hogere voedingswaarden en resistentie tegen droogte, verzilting, overstromingen en plagen. Er is dus geen reden om specifiek tegen ggo’s te zijn.’

Maar volgens Hilbeck ligt op het vlak van onderzoek een groot probleem. ‘De industrie heeft haar mensen bij de wetenschappelijke tijdschriften; in de regulerende instanties; en in de comités die bepalen hoe publiek onderzoeksgeld wordt besteed. In Amerika kan je geen onderzoek doen zonder geld van de industrie. In Europa gaan wij ook die kant op.’ Hilbeck noemt ook de contracten die wetenschappers moeten sluiten. ‘Biotechbedrijven geven alleen hun materiaal aan de mensen die het soort wetenschap doen dat zij voorstaan. Wetenschappers worden gedwongen contracten te tekenen die de industrie het recht biedt de onderzoeksresultaten uiteindelijk niet te publiceren.’

Beat Späth van EuropaBio, de Brusselse lobbygroep van de biotechnologiesector, vindt die contracten echter volkomen normaal. ‘Als de gewassen nog in ontwikkeling zijn dan zijn producenten terughoudend vanwege bescherming van hun intellectueel eigendom.’ Späth vergelijkt de minderheidspositie van wetenschappers als Hilbeck met klimaatsceptici. ‘Het argument van de tegenstanders komt er op neer dat je risico’s niet tot in de eeuwigheid kan uitsluiten. Dat klopt, maar na twee decennia van grootschalige commerciële toepassing, en letterlijk duizenden risico-inschattingen, kan nog geen activistische wetenschapper zelfs maar een spoor van bewijs vinden.’

Volgens Hilbeck en Then zijn die sporen er wel, maar krijgen kritische wetenschappers die daarover publiceren te maken met smaad en laster. Hilbeck noemt het voorbeeld van Ignacio Chapela, die in 2001 in het tijdschrift Nature publiceerde over vermenging van gentech mais met een lokale Mexicaanse maissoort, en een stortvloed van kritiek over zich heenkreeg.

Onder die druk trok Nature zijn handen af van het artikel, en stelde dat er ‘niet voldoende bewijs’ was geweest voor de publicatie. Een studie uit 2008 bevestigde echter dat Chapela in grote lijnen gelijk had gehad.

Bij Séralini zette eenzelfde storm op. Opvallend was de korte termijn waarop dat gebeurde, en volgens Hilbeck ook het feit dat veel wetenschappers buiten het vakgebied zich in de discussie mengden. ‘Binnen 24 uur waren mensen die nog nooit een rat in een kooi hadden gezien al brieven aan het schrijven. Plots waren moleculair biologen getransformeerd tot toxicologen met verstand van dierstudies. Mij persoonlijk kostte het, terwijl ik al twintig jaar voedingsstudies doe, twee weken om de studie van Séralini goed te begrijpen. Toen pas kon ik er iets zinvols over schrijven.’

Science Media Centre

Interessant is dat het geschut tegen Séralini in stelling werd gebracht door één specifieke organisatie: het Britse Science Media Centre (SMC). Op de website van het SMC verschenen kort na publicatie van de studie kant-en-klare quotes van wetenschappers over de hele wereld die het onderzoek aanvielen. Ook Belgische kranten als De Standaard namen hieruit letterlijk citaten over.

De geheimen van de biotechindustrie

Probeert de biotechindustrie in het geheim het publieke debat te beïnvloeden? Daar lijkt het wel op. In oktober 2011 krijgt de Britse krant The Guardian een opmerkelijke brief in handen. De afzender: EuropaBio, een lobbyclub met leden als Monsanto. De brief is gericht aan bekendheden. ‘Om aan besluitvormers, opinieleiders, en het algemene publiek, de noodzaak uit te leggen voor Europa om haar positie over ggo’s te heroverwegen, rekruteren we momenteel potentiële ambassadeurs’, schrijft de lobbyclub. ‘Om de legitimiteit en impact van het programma te garanderen (…) zal noch EuropaBio, noch haar leden deelnemen aan de activiteiten.’ Volgens de brief zullen voor de ambassadeurs interviews worden opgezet met media als The Financial Times, en zal toegang worden geregeld tot politici in Brussel. In de brief staat dat onder andere Bob Geldof en de voormalig Franse minister van Onderwijs, Claude Allegre, ‘interesse hebben getoond’. Ook zouden Kofi Annan en Mark Lynas ‘mogelijk’ meedoen. Mark Lynas is een milieu-activist die zich heeft ‘bekeerd’ tot voorstander van ggo’s. Alle genoemde personen ontkenden te hebben ingestemd.

‘Het Londonse SMC is opgezet door prominente Britse wetenschappers uit frustratie met het feit dat milieuactivisten succesvol de introductie van genetisch gemanipuleerd voedsel hadden tegengehouden’, schrijft journalist Colin Macilwain in het tijdschrift Nature. ‘Ze waren van mening dat de media te ontvankelijk waren geweest voor de horrorverhalen over de nieuwe technologie.’ Tot de sponsoren van het Science Media Centre behoren multinationals als BP en Coca-Cola, maar ook biotechbedrijven als BASF en Syngenta (en voorheen Monsanto).
    
Nog iets anders valt op. Seralini’s studie werd ingetrokken vanwege het aantal en het soort ratten dat was gebruikt. ‘Gezien het feit dat de Sprague-Dawley rat erom bekend staat vaker tumoren te ontwikkelen, kan natuurlijke variatie niet worden uitgesloten als oorzaak voor het hogere sterftecijfer’, liet de hoofdredacteur van Food and Chemical Toxicology per brief aan Séralini weten. Verdedigers van Séralini wijzen echter op een dubbele standaard die zou zijn toegepast.

‘Ik heb een snelle analyse gemaakt van de onderzoeken gepubliceerd in uw tijdschrift’, schrijft professor Jack Heinemann van de Universiteit van Canterbury aan Food and Chemical Toxicology in een brief naar aanleiding van terugtrekking van de Séralini-studie. ‘Ik vond zeven studies tussen 2004 en nu (…) waarbij Sprague-Dawley ratten een dieet van ggo’s kregen. Al deze studies zijn gepubliceerd door de bedrijven die de desbetreffende ggo’s produceren. (…) Al deze studies gebruikten ongeveer hetzelfde aantal ratten (…). Allen gebruikte ook hetzelfde soort rat.’

De studie van Séralini duurde twee jaar, in plaats van de 90 dagen die voedselagentschap EFSA vereist voor biotechbedrijven. Het was de eerste keer dat NK603 voor twee jaar op proefdieren werd getest. Veel andere langetermijnstudies met ggo’s vonden geen schadelijke effecten.

Maar ondanks dat Séralini’s resultaten door voedselagentschap EFSA in twijfel zijn getrokken, heeft de Europese Commissie wél besloten het onderzoek van de Franse professor te herhalen.
    
In 2014 ging het zogeheten G-TwyST-project van start. ‘Het doel van het G-TwYST project is om (…) de noodzaak te kunnen bepalen van lange-termijn dierstudies’, zegt hoofdonderzoeker professor Pablo Steinberg. Volgens Steinberg zijn dergelijke langetermijnstudies naar ggo’s zeer noodzakelijk. ‘Veel van de controversen in dit onderzoeksgebied komen voort uit het feit dat de kwaliteit van veel voedingsexperimenten zeer laag is.’ Of G-TwYST de discussie over veiligeid nu eindelijk kan beslechten? Daar lijkt het niet op. ‘Deze studie zal beantwoorden of ggo-mais NK603 toxisch is’, zegt hij. ‘De resultaten kunnen niet geëxtrapoleerd worden naar andere ggo’s. Elke ggo zal individueel moeten worden geëvalueerd.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift