Zo delen geheime diensten binnen de EU informatie met elkaar

Tijdens een debat over contraterrorisme in het Europees Parlement pleitte Europarlementslid Guy Verhofstadt –opnieuw– voor de oprichting van een EU-inlichtingenagentschap. De inlichtingendiensten van de EU delen vandaag voornamelijk intelligence op bilaterale basis. Tussen twee landen onderling dus. En verder? MO* geeft een overzicht van de multilaterale spelers in de Europese inlichtingenwereld. 

Dagelijks passeren duizenden pendelaars de kantoren van de Brusselse Kortenberglaan nabij het Jubelpark.

In een van de anonieme blokken klopt het hart van het Europese inlichtingenwerk. Daar huizen ruim 140 inlichtingenexperts uit alle EU-lidstaten.

Ze werken voor het EU Intelligence Analysis Centre (INTCEN), het inlichtingendirectoraat van de Militaire Staf en de Situation Room.

Nooit van gehoord? Discretie is dan ook het ordewoord. Nog geheimer zijn de informele netwerken tussen inlichtingendiensten, de Club van Bern en de Counter Terrorism Group.

1. Het EU Intelligence Analysis Centre

‘Voor alle duidelijkheid: we zijn géén operationele geheime dienst. We hebben geen interceptiecapaciteit, zetten geen clandestiene operaties op en houden geen persoonsgegevens bij’, zei Ilkka Salmi in 2014 in MO*.

Sinds vier jaar staat de voormalige topman van de Finse staatsveiligheid aan het hoofd van het EU Intelligence Analysis Centre (INTCEN), waar ruim dertig inlichtingenofficieren uit EU-lidstaten en evenveel ambtenaren en diplomaten werken. Het INTCEN is opgericht in 2011. 

© Kristof Clerix

Ilkka Salmia, hoofd van het INTCEN

Salmi: ‘Onze opdracht is strategisch inlichtingenwerk. De geheime diensten van de 28 EU-lidstaten sturen ons op vrijwillige basis analyserapporten door – géén ruwe intel. Wij leggen die puzzelstukjes samen en schrijven er vervolgens rapporten over ter ondersteuning van het beleidswerk van de Europese Dienst Extern Optreden.’

Daarnaast brengen medewerkers van Salmi zelf ook bezoeken aan crisisgebieden. ‘We zijn bijvoorbeeld in Libië ter plekke geweest. Het gaat niet om spionageoperaties maar om kennismakingsmissies. We zeggen duidelijk wie we zijn en praten met de lokale overheden en diensten.’ Een andere informatiebron is het EU-satellietcentrum in Torrejón, Spanje. Salmi: ‘Een satellietbeeld op zich zegt niets, je moet het analyseren. Dat doen wij: de geospatiale intel in zijn context plaatsen.’

Gemiddeld produceert INTCEN zo’n vijfhonderd rapporten per jaar, de helft met de classificatie “restreint”, de andere helft draagt het stempel “confidential” of “secret”. Salmi: ‘Het gaat om halfjaarlijkse overzichten met betrekking tot hotspots, wekelijkse inlichtingenrapporten over recente gebeurtenissen en dagelijkse ochtendbriefings voor de hoofden van de Dienst Extern Optreden.’ De Hoge Vertegenwoordiger van het EU-buitenlandbeleid is de VVIP-klant van de rapporten. Verder krijgt ook een aantal mensen in de Commissie een exemplaar, net zoals de geheime diensten en de ministeries van Buitenlandse Zaken van de lidstaten.

De vraag is natuurlijk waar INTCEN inhoudelijk mee bezig is. Salmi zei in MO* dat hij daarover niet in details kan treden. Ook oudere rapporten vrijgeven zou niet gaan, ‘omdat de inhoud ervan teruggaat op informatie afkomstig van de EU-lidstaten’. En in de 007-wereld is de regel van de “derde dienst” heilig: informatie mag niet worden doorgegeven zonder de uitdrukkelijke toestemming van de oorspronkelijke leverancier.

Salmi: ‘Maar wat ik u wel kan vertellen is dat we ons onder meer richten op het Midden-Oosten en de Syrische crisis. Hoe zal de situatie zich verder ontwikkelen? Wat met de chemische wapens of de moordpartijen op de burgerbevolking? Welke gevolgen zijn er voor de vluchtelingensituatie? Kan de crisis overslaan naar de regio? Verder stellen we regionale analyses op ter ondersteuning van de Europese civiele operaties – denk aan de monitoringmissie in Georgië – en proberen we inzicht te verwerven in de verschillende spelers en fracties van een conflict. Een ander aandachtspunt zijn terrorismetrends. Welke werkwijzen stellen we vast binnen de Europese context? Blijft de terrorist van het eenzamewolftype ook in de toekomst een bedreiging? Dat soort dingen.’

2. Inlichtingendirectoraat van de EU-Militaire staf

Het inlichtingendirectoraat van de EU-Militaire Staf heeft een soortgelijke opdracht als INTCEN.

‘Onze hoofdopdracht is tijdig trends te signaleren die een bedreiging zouden kunnen vormen voor de EU en inzicht te verschaffen in regionale ontwikkelingen die voor de EU van belang zijn’, zei Georgij Alafuzoff in 2014 in MO*. Hij is de voormalige chef van de Finse militaire inlichtingendienst (opnieuw een Fin dus) en sinds 2013 diensthoofd van het inlichtingendirectoraat, met een staf van 41 personen

‘Wij zijn de militaire inlichtingenspecialisten binnen de EU. Onze aanpak is militair, maar we werken nauw samen met het INTCEN. Dat militaire en civiele inlichtingenanalisten zo nauw samenwerken, is best uniek.’

Alafuzoff stuurt zijn analyserapporten naar de civiele en militaire top van de Europese Dienst Extern Optreden én naar de militaire structuren van de EU.

Alafuzoff: ‘We stellen inlichtingenbeoordelingen op, dreigingsbeoordelingen en inlichtingenbriefings, al naar gelang van het belang dat sommige gebieden hebben voor de EU. Uiteraard gaat onze aandacht in de eerste plaats uit naar regio’s met uitdagingen en problemen waar de EU belangen heeft: de Hoorn van Afrika, gelet op onze militaire operatie in Somalië, Mali –waar ook een militaire operatie loopt– en de Centraal-Afrikaanse Republiek, waar de EU in de toekomst militair actief wordt.’

3. Situation Room

En dan is er nog de Situation Room (SITROOM), bemand door 33 medewerkers. Zij zijn een soort Europese 911. Ze monitoren permanent open bronnen zoals de media en sociale netwerken. Neem de bomaanslag tegen de marathon in Boston: SITROOM was als eerste op de hoogte zodra de aanslag in de media was. Daarop stuurde het sms’jes en mails naar een lijst van ontvangers.

© Lectrr

4. De Club van Bern

De Club van Bern, opgericht in 1971, is een feitelijke vereniging van de hoofden van de geheime diensten van West-Europese landen. In hun geheime clubje bespreken ze onder meer ontwikkelingen op het gebied van terrorisme, de radicalisering binnen bepaalde groeperingen, encryptie en cyberterrorisme.

Aanvankelijk waren de geheime diensten van negen landen vertegenwoordigd in de Club van Bern: Zwitserland, Zweden, Groot-Brittannië, België, Luxemburg, Frankrijk, Italië, Denemarken en Nederland. Later werd het ledenbestand uitgebreid tot zeventien landen. In 2005 traden de geheime diensten van Hongarije, Slovenië, Tsjechië, Polen en Letland – vijf van de tien nieuwe EU-lidstaten – toe tot de Club van Bern. België wordt vertegenwoordigd door de Staatsveiligheid.

Het Comité I benadrukte dat de Club van Bern ‘niet de minste wettelijke bescherming biedt met betrekking tot de informatie die wordt uitgewisseld’.

De vergaderingen van de Club van Bern vinden elke zes maanden plaats. Alleen de diensthoofden of hun vertegenwoordiger zijn bevoegd om beslissingen te nemen. Dat moet gebeuren met eenparigheid van stemmen. Voor de andere medewerkers van de geheime diensten vinden eenmaal per jaar ‘les Cours du Club’ plaats. Het doel daarvan is opleidingen op elkaar af te stemmen en de contacten tussen de middle-rank officers te bevorderen. Regelmatig worden werkgroepen georganiseerd waar ook diensten welkom zijn die niet tot het selecte clubje behoren.

5. De Counter Terrorism Group

Als reactie op 9/11 kwam in oktober 2001 in de schoot van de Club van Bern de Counter Terrorism Group (CTG) tot stand. Doel is om de internationale samenwerking in de strijd tegen terrorisme te verbeteren. De groep is opgericht na een besluit van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie van de EU-lidstaten, Zwitserland en Noorwegen.

Belangrijk is dat de CTG geen orgaan is van de EU. De activiteiten vallen dus niet onder de verantwoordelijkheid van de Europese Raad, maar onder die van de nationale ministers, die op hun beurt verantwoording verschuldigd zijn aan hun nationale parlementen.

De CTG kwam in november 2001 voor het eerst samen in Den Haag, onder voorzitterschap van België. Om de drie maanden ontmoeten de diensthoofden en leidinggevende ambtenaren van de antiterroristische cellen van de geheime diensten elkaar in de CTG.

Het verschil met SITCEN is dat de Counter Terrorism Group niet alleen analysewerk doet, maar ook operationele samenwerking opzet. In 2003 werden de geheime diensten van de tien nieuwe EU-lidstaten waarnemend lid van de CTG. Op een buitengewone vergadering van de Club van Bern, in april 2004 in Zürich, werd besloten dat de diensten van de nieuwe lidstaten tot de CTG mochten toetreden.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift