Dossier: 

Zonder klimaatgeld gaat de mensheid naar de haaien

Het succes van COP21 hangt in grote mate af van het geld dat de ontwikkelde landen garanderen aan kwetsbare ontwikkelingslanden. Toch is er nog grote onduidelijkheid over de eerder beloofde 100 miljard dollar die rijke landen tegen 2020 toezegden. Ook België komt zijn beloftes niet na.

De beloofde geldstromen zijn de concrete vertaling van de “historische schuld” van de rijke landen, die de grootste verantwoordelijkheid dragen in het klimaatprobleem. Duidelijk aantonen dat het beloofde geld er komt, is de beste manier om vertrouwen te brengen in het onderhandelingsproces en dat vertrouwen tussen arme en rijke landen is waar het proces momenteel het meeste nood aan heeft.

De vraag van 100 miljard

Vanaf 2020 zou de internationale gemeenschap een geldstroom van 100 miljard dollar moeten afgelijnd hebben, die vanaf dan jaarlijks kan gemobiliseerd worden voor klimaatmaatregelen. Dat geld komt van overheden, de private sector en exportkredietagentschappen.

Een recent rapport van de OESO heeft geprobeerd om enige klaarheid te brengen in die zoektocht naar dat geld. Volgens het Climate Finance in 2013-2014 and the USD 100 Billion Goal” rapport, is er inmiddels 62 miljard dollar toegezegd, waarvan 71 procent bilaterale en multilaterale overheidsfinanciering is, 26 procent privéfinanciering en 3 procent afkomstig van exportkredietagentschappen.

De ngo-koepel 11.11.11 wijst er echter op dat een groot deel van dit geld komt uit het budget voor ontwikkelingssamenwerking, in tegenstelling tot de internationale afspraak dat dit geld “additioneel” moet zijn, nieuw geld, specifiek gericht op klimaatmaatregelen. Volgens 11.11.11 werd in 2013 niet minder dan 17 procent van het wereldwijde ontwikkelingsgeld gerecycleerd tot klimaatfinanciering, wat ook voor de Belgische regering het geval was.

België, onbetrouwbare partner voor klimaatfinanciering

Op de klimaattoppen van Kopenhagen (2009) en Cancún (2010) zijn er ook afspraken gemaakt voor klimaatfinanciering voor de kortere termijn, de zogenaamde Snelle Start Financiering. Die moest 30 miljard dollar samenbrengen voor 2010-2011-2012.

België zegde daarin 150 miljoen euro toe, telkens 50 miljoen per jaar. Helaas is ons land die belofte niet nagekomen. In 2010 gaf België 42 miljoen, in 2011 24,4 miljoen en in 2012 26,2 miljoen.

België zegde 150 miljoen toe, maar is die belofte niet nagekomen.

Normaal zou België, vertrekkende van de 50 miljoen, verder moeten opbouwen naar 2020. maar daarvan is niet veel terug te vinden. In 2013 maakte België 33,1 miljoen over. Voor 2014 kreeg ons land een blaam op de conferentie in Lima omdat we nagenoeg het enige rijke land waren dat nog geen bijdrage had toegezegd voor dat jaar.

Na enige aandrang werd er op de valreep 50 miljoen euro toegezegd vanwege de federale overheid. Van die 50 miljoen is 40 miljoen overgemaakt, maar op de resterende 10 miljoen is het nog wachten. Voor 2014 werd ook een miljoen beloofd door Wallonië en 600.000 euro door het Brussels Gewest.

Voor 2015 zegde het Brusselse Gewest 750 000 euro toe, nieuw en additioneel geld, dus niet uit het budget voor ontwikkelingssamenwerking.
Het Waalse Gewest zegde 7 miljoen euro toe voor 2016 en nog eens 7 miljoen voor 2017, nieuw en additioneel.

De Federale regering heeft voor 2015 nog geen toezegging gedaan.
Vlaanderen keurde onlangs een klimaatproject goed voor de komende jaren, voor een bedrag van 3,5 miljoen euro, weliswaar op het budget voor ontwikkelingssamenwerking.

Intussen staat er echter 326,374.195 (oktober 2015) miljoen euro geparkeerd op een rekening op de bank, inkomsten uit de veiling van emissierechten, waarvan een percentage moet besteed worden aan klimaatfinanciering, volgens een Europese richtlijn. Dat geld is geblokkeerd omdat de lastenverdeling tussen de vier niveau’s, bevoegd voor klimaat (Vlaanderen, Wallonië, Brussel en federaal) maar geen akkoord bereiken.

De onverschilligheid van België staat in schril contrast met het engagement van de buurlanden. Duitsland trekt zijn klimaatfinanciering tussen 2014 en 2020 op van 2 naar 4 miljard euro, Frankrijk van 3 naar 5 miljard, Groot-Brittannië beloofde een verhoging met 50 procent, tot 8,03 miljard euro (5,8 miljard £.) Ook 8 groeilanden deden al bijdragen voor internationale klimaatfinanciering. China zegde 3,1 miljard dollar toe.

Voorkomen veel goedkoper dan herstellen

Het Intergouvernementeel Klimaatpanel van de VN (IPCC) berekende in zijn recente rapport dat de kostprijs van klimaatmaatregelen om de opwarming onder de 2°C te houden en de emissies met 80 tot 95 procent te reduceren, neerkomt op 0,06 procent van het globale bbp, uitgespreid over de hele eeuw, op een economische groei van 1,5 tot 3 procent. Een peulschil in vergelijking met de baten die eraan verbonden zijn en in vergelijking met het redden van de banken.

Maar hoe langer we wachten om het klimaatprobleem aan te pakken, hoe meer geld het gaat kosten. Het VN-Milieuprogramma UNEP schat de kostprijs voor adaptatie alleen op 150 miljard dollar per jaar tegen 2025 en 200 tot 500 miljard per jaar tegen 2050.

Als we de opwarming echter uit de hand laten lopen en moeten aanpassen aan een wereld die 4 tot 6 °C opwarmt, kunnen adaptatiekosten oplopen tot 1000 miljard of oneindig veel meer.

Ontwikkelingslanden vragen dat 50 procent van de 100 miljard klimaatfinanciering naar adaptatie zou gaan want zij voelen nu al de nood. Momenteel is 77 procent van de 62 miljard dollar die er al beloofd is, bestemd voor het afremmen van de uitstoot (mitigatie) en slechts 16 procent voor adaptatie.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.