Dossier: 

Het wordt pas lente in Afghanistan als het dooit in Kasjmir

Kasjmir is een explosief mengsel van koloniale katers, nationale identiteiten, regionale ambities, grove mensenrechtenschendingen, schaarser wordend water en een mondiale jihad. Het is dan ook geen verrassing dat het geweld in Kasjmir gekoppeld wordt aan de oorlog in Afghanistan en de gewelddadige opstand in Pakistan. Geografische nabijheid en religieus-ideologische banden spelen daarbij een rol, maar zijn niet doorslaggevend.

  • Gie Goris Kasjmirse talibs of seminaristen in de bergen rond Sonamarg Gie Goris

India en Pakistan betwisten elkaar het volledige grondgebied van de voorheen prinselijke staat Jammu en Kasjmir al sinds 1947 en vochten er sindsdien drie oorlogen over uit. Aangezien er in Jammu en Kasjmir meer moslims dan boeddhisten, hindoes en sikhs woonden, moest de hele staat bij de opsplitsing van het Britse Zuid-Azië aansluiten bij Pakistan, vond men in Islamabad.
De maharadja tekende, na een inval van tribale milities uit Pakistan, echter een toetredingsakte met India, waardoor Delhi de hele staat sindsdien als een integraal deel van zijn grondgebied beschouwt. Sinds 1949 valt 30 procent van Jammu en Kasjmir onder Pakistan en 60 procent onder India, al heeft geen van beide landen de bestandslijn van toen ooit als grens erkend. Sinds de Indiaas-Chinese oorlog van 1962 heeft ook China tien procent van het oorspronkelijke grondgebied geannexeerd.

Lees ook de artikels over religie in Kasjmir, over nationalisme en islamisme in Kasjmir, de geschiedenis van het conflict in Kasjmir en de reportage die Gie Goris al in 1996 schreef over Jammu en Kasjmir. Op www.MO.be/kasjmir

Water is olie op het vuur

De belangrijkste reden waarom het zo moeilijk is voor India en Pakistan om een oplossing te vinden voor dit 63 jaar oude conflict, blijft de symboolwaarde van de Himalayastaat voor beide nationale identiteiten. Anno 2010 is water voor Pakistan echter even belangrijk als religie of natiestaat. Tachtig procent van de Pakistaanse landbouw wordt immers geïrrigeerd met rivierwater dat het land binnenkomst via Kasjmir.
In principe zou dat geen probleem mogen zijn, aangezien de twee landen al in 1960 een waterverdrag tekenden. Daarin werd afgesproken dat het gebruik van de drie westelijke rivieren –Indus, Chenab en Jhelum– aan Pakistan zou toekomen en het gebruik van de drie oostelijke rivieren –Sutlej, Beas en Ravi–aan India.
De voorbije jaren tekent zich echter een toenemende waterschaarste af. Volgens het World Water Development Report 2009 van Unesco kelderde de beschikbare en hernieuwbare watervoorraad per inwoner in Pakistan tussen 2000 en 2005 van 2961 naar 1420 kubieke meter. De redenen voor die dramatische terugval zijn veelvoudig: bevolkingsaangroei, slechte irrigatiesystemen en inefficiënt watergebruik, de impact van de klimaatverandering, maar ook de bouw van enkele elektriciteitscentrales op Indiaas grondgebied.
Alleen dat laatste krijgt ruim aandacht in de Pakistaanse pers en het Pakistaanse officiële discours. Tijdens de jongste ontmoeting tussen Indiase en Pakistaanse staatssecretarissen van Buitenlandse Zaken op 25 februari was water dan ook een van de punten die door de Pakistaanse delegatie op tafel werden gelegd.
De waterschaarste wordt vooral gevoeld in Pakistaans Punjab, de provincie die zowat 75 procent van het Pakistaanse graan produceert en die haar naam ontleent aan de vijf rivieren die er samenstromen in de Indus (panj is vijf en aab is rivier).
Punjab, dat traditioneel ook de legertop levert en dus de centrale posities in het Pakistaanse staatsbestel bezet, wijst graag in de richting van India om te voorkomen dat de stroomafwaartse provincies Sindh en Baloetsjistan de Punjaabse landbouw verantwoordelijk zouden stellen voor de droogte en de verzilting die steeds verder naar het binnenland oprukt.
Pakistan vroeg in 2005 een Wereldbankarbitrage over de Indiase Baghliardam op de Chenab. In grote lijnen erkende het rapport dat India zich aan het Induswaterverdrag hield, maar het vroeg wel om de hoogte van de dam te verminderen en om het vullen van het reservoir te beperken tot de weken tussen 21 juni en 31 augustus – wat India niet altijd doet.

 

 

Pakistaans jihadisme


De ontmoeting van staatssecretarissen Nirupama Rao uit India en Salman Bashir uit Pakistan op 25 februari leverde weinig tastbare resultaten op, er werd zelfs geen afspraak gemaakt voor een volgende bijeenkomst. Dat betekent dat er nauwelijks gesproken is over Kasjmir en de waterproblemen, de twee topprioriteiten van Pakistan. Maar ook de Indiase topprioriteit –het terrorisme– werd zonder veel gevolg afgevoerd. Dat terrorisme verwijst op de eerste plaats naar de spectaculaire aanslagen op Mumbai, eind november 2008, maar meer nog naar het geweld in Kasjmir.
In 1989 brak in en rond Srinagar, de zomerhoofdstad van Indiaas Kasjmir, een gewapende opstand uit tegen Delhi, het gevolg van decennia van gebroken beloften en politieke onmacht. Al snel werd die inheemse opstand overgenomen door islamistische militanten die uit Pakistan kwamen of er getraind, gefinancierd en bewapend werden.
Na 2001 zijn verschillende van die gewapende jihadistische groepen op internationale terrorismelijsten terechtgekomen. Met name Lashkar-e-Taiba (LeT) werkte zichzelf in het internationale vizier, onder andere door betrokkenheid bij aanvallen op het parlement van Jammu en Kasjmir in 2001, maar vooral door de organisatie en uitvoering van de aanval op Mumbai in 2008.
In de beginjaren werden deze militantengroepen opgezet met steun van de Pakistaanse militaire inlichtingendienst ISI, dat erkent intussen ook de regering-Obama in Washington. Of en in hoeverre de tandem ISI - LeT vandaag nog functioneert, valt moeilijk uit te maken.
Jalil Abbas Jilani, de kersverse ambassadeur van Pakistan in Brussel, wijst erop dat de Kasjmir-militanten de voorbije jaren gemene zaak maakten met de Pakistaanse taliban, en dat dit opstandelingennetwerk steeds vaker militaire doelwitten en zelfs expliciet ISI-kantoren aanvalt. Anderzijds is het publieke optreden van verschillende jihadistische groepen en leiders moeilijk denkbaar als hun activiteiten geen hogere bescherming zouden genieten.
Begin februari bijvoorbeeld hielden verschillende –buiten de wet gestelde– militantenorganisaties een publieke conferentie in Muzaffarabad, de hoofdstad van het Pakistaanse deel van Kasjmir. De slotresolutie eindigde met de stelling: ‘Als de Pakistaanse regering geen politieke, diplomatieke of morele steun kan geven aan het volk van Kasjmir, dan moet het minstens de vrije hand laten aan de moedjahedien die India zelf aanpakken.’
Die zelfde eerst week van februari zei de vroegere LeT-supremo en huidig leider van de caritatieve mantelorganisatie Jawaad-ud-Dawa, Hafiz Saeed, in zijn woonplaats Lahore dat de gewapende strijd tegen India moest verdergaan en dat de bevrijding ophanden was – waardoor ook het water van “Pakistans rivieren” bevrijd zou worden. Saeed en zijn organisaties hebben niet toevallig hun hoofdkwartier in Punjab.

 

 

Assertieve indiase diplomatie


Wie verwacht dat het immer explosieve conflict over Kasjmir hoog op de internationale agenda zou staan, lijkt zich te vergissen. De Pakistaanse president Asif Ali Zardari stelde begin januari weliswaar dat de regio –lees: Afghanistan en Pakistan– pas vrede zou kennen als er een eerlijke oplossing voor Kasjmir zou komen, toenmalig VS-president Bill Clinton noemde Kasjmir al in 1998 ‘een van de gevaarlijkste plaatsen op aarde’ en presidentskandidaat Barack Obama zei vijf dagen voor zijn verkiezing dat de Verenigde Staten ‘wellicht zullen moeten proberen de Kasjmir-crisis op te lossen’.
Sinds de verkiezing van Obama wordt het K-woord in Amerikaanse diplomatieke kringen echter gemeden als de pest. De speciale gezant voor de regio, Richard Holbrooke, kreeg wel Afghanistan en Pakistan op zijn taakomschrijving, van Kasjmir was geen sprake. Daar had een assertieve Indiase diplomatie wel voor gezorgd.
De Indiase premier Nehru bracht in 1948 het conflict voor de VN-Veiligheidsraad, maar sindsdien wil India niet meer weten van internationale bemiddeling. En met de wensen van India wordt in de wereld van BRICs en G20 rekening gehouden, ook al heeft president Obama de banden met Delhi minder strak aangehaald dan zijn voorganger Bush. Dat laatste zorgt overigens voor nog meer nervositeit en minder flexibiliteit in India’s leidende kringen, want die zien de oude as Pakistan-China-Verenigde Staten herrijzen.
Somnath Gosh, Rajit Punhani en Gaurav Ahluwalia, drie diplomaten op de Indiase ambassade van Brussel die tijd gemaakt hebben om op de vragen van MO* te antwoorden, zijn in elk geval categorisch: het verband tussen Kasjmir en Afghanistan bestaat alleen in de hoofden van Pakistaanse diplomaten die wanhopig zoeken naar een manier om de internationale aandacht af te leiden van de problemen die Pakistan zelf heeft en creëert met extremisme en terrorisme.
De Pakistaanse ambassadeur Jilani is het daarmee niet eens. Volgens hem is het duidelijk dat vrede in Kasjmir ‘de publiekssteun voor organisaties als Lashkar-e-Taiba drastisch zou verminderen, waardoor de strijd tegen de taliban en andere jihadistische groepen voor zowel het Pakistaanse leger als de internationale coalitie en het Afghaanse leger veel makkelijker zou worden.’ Jilani is er ook niet van overtuigd dat Pakistan het epicentrum is van de regionale onrust en het wereldwijde terrorisme.
Pakistan heeft bewijzen, zegt hij, dat ‘bepaalde elementen van de Indiase veiligheidsdiensten bepaalde anti-Pakistaanse elementen vanuit de consulaten in Afghanistan ondersteunen, trainen en bewapenen’. De ambassadeur kan die bewijzen niet overleggen. Dat soort materiaal wordt niet publiek gemaakt, dat moet ik toch begrijpen.
Daarmee lijkt de cirkel perfect gesloten: India beschuldigt Pakistan van steun aan gewapende groepen die een opstand gaande houden in Kasjmir, waardoor permanent minstens 600.000 Indiase soldaten in Jammu en Kasjmir gestationeerd moeten worden om afscheiding te voorkomen. Pakistan beschuldigt India van steun aan separatistische bewegingen in Baloetsjistan, de provincie die een groot deel van Pakistans bodemrijkdommen én de grootste armoede van het land herbergt. Daardoor zou India de eenheid van het land willen ondermijnen, de ontwikkeling saboteren en het leger bezighouden.

 

 

Verkilling


De wederzijdse paranoia tussen India en Pakistan is historisch medeverantwoordelijk voor de desastreuze toestand waarin Afghanistan zich vandaag bevindt. Begin jaren zeventig hielp India het vroegere Oost-Pakistan om als Bangladesh een onafhankelijk land te worden. Die nederlaag van het Pakistaanse leger liet diepe trauma’s na en zorgde ervoor dat in de kazernes –en dus ook in de regeringen, want Pakistan heeft meer dan zijn deel aan militaire staatsgrepen gehad– een doctrine van “strategische diepte” uitgewerkt werd.
Die kwam erop neer dat Pakistan, bij een eventuele aanval van India, behoefte had aan een betrouwbaar regime in buurland Afghanistan, dat dan gebruikt zou kunnen worden voor een strategische terugtrekking. Die doelstelling werd door de streng islamitische dictator Zia-ul-Haq nagestreefd door Amerikaans en Saoedisch geld en wapens te bezorgen aan de fundamentalistische moedjahedien die in de jaren tachtig tegen de Sovjetbezetting streden. Uiteindelijk leidde die politiek in de jaren negentig tot de creatie van de taliban, onder de vleugels van de alomtegenwoordige militaire inlichtingendienst ISI. Pakistan was dan ook het eerste en bijna enige land dat de talibanregering tussen 1996 en 2001 erkende.
De Pakistaanse steun voor de Afghaanse taliban motiveerde India tot blijvende steun aan de Noordelijke Alliantie, een samenwerkingsverband van Tadzjiekse, Oezbeekse en Hazara-milities die zich niet gewonnen gaven tegen de taliban. Toen de Verenigde Staten eind 2001 die Noordelijk Alliantie in Kaboel aan de macht bracht, sprongen alle lichten in Pakistaanse legerkringen dan ook op rood, wat meteen verklaart waarom de taliban en hun Arabische en Oezbeekse bondgenoten zich ongehinderd konden terugtrekken in Pakistan.
Het feit dat er vandaag meer dan 100.000 buitenlandse militairen nodig zijn om die taliban van een nieuwe machtsovername in Kaboel te houden, is daar een direct gevolg van. India investeerde sinds 2002 meer dan een miljard dollar in de heropbouw van Afghanistan en opende naast een grote ambassade in Kaboel ook nog eens consulaten in Kandahar, Herat, Jalalabad en Mazar-e-Sharif. Dat kan volgens Pakistan alleen betekenen dat Delhi bezig is met een omsingelingsbeweging.
De zware aanslagen op de Indiase ambassade en op Indiase expats in Kaboel van eind februari worden door India dan ook niet gezien als individuele terreurdaden, maar als onderdelen van een samenhangend Pakistaans beleid dat uitbesteed wordt aan taliban en andere jihadistische groepen. Ook Amerikaanse bronnen hebben het over coördinatie tussen de Pakistaanse ISI en het Haqqani-netwerk, de Afghaanse opstandelingen die verantwoordelijk gehouden worden voor de laatste aanslag op de Indiase ambassade.
Voor optimisme over Kasjmir zijn er weinig afnemers. Toch zag het er het voorbije decennium even hoopvol uit, nadat president-generaal Musharraf en zijn Indiase evenknieën een “achterkamerdiplomatie” gelanceerd hadden. Na meer dan 24 ontmoetingen in hotels in Bangkok, Dubai en Londen leek een creatieve oplossing binnen bereik.
Men zou de patstelling over het statuut van Kasjmir doorbreken door het organiseren van zelfbestuur voor de hele regio, gefaseerde demilitarisatie en gezamenlijk bestuur. Die doorbraak werd op het allerlaatste moment onmogelijk gemaakt door de politieke ondergang van Musharraf, de moord op Benazir Bhutto en de aanslagen op Mumbai.
Volgens de Indiase ambassade zijn de informele gesprekken nooit gestopt. Te oordelen naar de koele toon waarop de vijandige buren de voorbije maanden over en met elkaar spreken, blijft er van de creatieve energie van vijf jaar geleden echter niet veel over. Die slag hebben de terroristische organisaties alvast thuisgehaald.
En telkens als de relaties tussen de nucleaire machten India en Pakistan verkillen, rilt de hele regio. De Navo blijft intussen koppig doorvechten in Afghanistan, terwijl de oorlog in andere valleien en hoofdkwartieren gepland wordt.

 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur