De joodse uittocht uit Marokko

Blog

De joodse uittocht uit Marokko

Essaouira had eertijds een grote joodse gemeenschap. Eén van de grootste in Marokko. Wandelen door de oude Mellah, de joodse wijk, is een vreemde ervaring. Het doet denken aan Dresden kort na de oorlog. Of ook wel een beetje aan Brussel-Zuid. Ingevallen, kapotte huizen. Over de lage muren van het gelijkvloers zie je zo binnen in wat ooit een slaapkamer was. De synagogen zijn er nog, sommige worden zelfs onderhouden.

Net buiten de oude stad liggen drie begraafplaatsen broederlijk naast elkaar: de drie volkeren van het Boek, zoals dat heet: Christenen, Moslims en Joden liggen er te rusten. Fatima Mernissi schrijft in “het verboden dakterras,” het boek waarin ze haar jeugd beschrijft in één van de laatste familieharems van Fès het volgende: “De gedachte dat Joden en moslims bij elkaar horen lijkt misschien vreemd, maar de gebeurtenissen in dit boek hadden plaats voor de stichting van de staat Israel in mei 1948.” In die tijd was de opvatting dat er een sterke culturele en historische band bestond tussen joden en moslims inderdaad erg algemeen, vooral in Marokko, waar beide gemeenschappen zich de Spaanse Inquisitie, die in 1492 tot hun uitdrijving uit Spanje had geleid, nog goed herinnerden. In zijn boek “The Jews of Islam” legt Bernard Lewis uit dat veel Europeanen voor 1948 dachten dat joden en moslims in de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw hadden samengespannen tegen de Christelijke belangen. De radicale verandering van de visie op de verhouding tussen de drie religies rond de Middelandse Zee heeft in een ongelooflijk korte tijd plaatsgevonden. Nog aan het eind van de jaren veertig was de Joodse gemeenschap in Marokko indrukwekkend groot en een van de pijlers van de traditie in Noord-Afrika, met diepe wortels die tot ver voor de plaatselijke pre-islamitische Berbercultuur terug gingen. Sindsdien hebben de meeste joden Marokko verlaten en zijn naar Israel en andere landen als Frankrijk en later Canada geemigreerd.

In Essaouira vind je tegenwoordig nog maar enkele joden. In de mellah van Fes wonen nu uitsluitend moslims, en er zijn nog maar enkele honderden joden in het land over. Daarom proberen nu veel Marokkaanse joodse intellectuelen de culturele kenmerken van de joodse gemeenschap in Marokko, een van de oudste ter wereld en op 10 jaar verdwenen, zo snel mogelijk vast te leggen.

Eén van hen is André Azoulay, de man die geinterviewd wordt in de film “le vent de Mogador,” die we hier nog eens gezien hebben. Hij is stichter van de Association Essaouira-Mogador, een culturele stichting en een vredescentrum. Ze werken ook aan stadsontwikkeling en hebben onder meer een samenwerking lopen met Etterbeek bij ons. Azoulay is niet de eerste de beste, hij werd door de nieuwe koning teruggehaald uit Parijs (waar hij directeur was van de Paribas bank) om speciaal economisch adviseur te worden.

André Azoulay is een bekend criticus van de Israëlische politiek. Anders dan Amir Peretz, ook een Marokkaanse jood, weigerde hij zich te laten inpakken door de zionisten (het Zionisme is de heersende ideologie in Israël, ze is extreem nationalistisch van aard en het hele staatsbestel is er op gebaseerd) in Tel Aviv. Het blijft me verbazen hoe iemand met de Marokkaanse ervaring als achtergrond als minister van defensie in Israël (?) verantwoordelijk kan zijn voor de desastreuze inval in Libanon. De hoop dat zijn aantreden iets zou wijzigen in het Israëlische beleid was kortstondig. Maar natuurlijk zou hij nooit aanvaard geweest zijn door het Zionistische establishment als hij een radikaal andere visie in de praktijk zou brengen.

Het gegeven van de joodse diapora (en bij uitbreiding elke diaspora) blijft me bovenmatig fascineren. Vooral omdat er zulke diepe wonden geslagen zijn in de waarde van die diaspora met het ontstaan van de staat Israël. Ik moet ook denken aan het verhaal van Piet de Moor over de teloorgang van de joodse traditie in Oost-Europa. In zijn boek “Schemerland” vertelt hij hoe de joodse gemeenschappen het cement vormden die Oost-Europa bijeen hield. Via hun hechte banden over grenzen heen hielpen ze de volkeren van de regio elkaar te blijven kennen. En dat ondanks een geschiedenis van Europese pogroms waarvan de Holocaust slechts een infernaal hoogtepunt was. En dan te bedenken dat ze hier, in Marokko, vrijwillig zijn weggegaan voor een ideaal dat van bij het begin een luchtspiegeling was… Het wordt me plots vreemd te moede als we met de schrijnende armoede geconfronteerd worden die de wijk nu beheerst.