Getuigenis van de bloederige 5e juni in Bagua.

Blog

Getuigenis van de bloederige 5e juni in Bagua.

Getuigenis van de bloederige 5e juni in Bagua.
Getuigenis van de bloederige 5e juni in Bagua.

Twee maanden trachtten we vruchteloos het Amazoneprotest in het nieuws te brengen. Een opstand van het gehele Amazonebekken in Peru tegen de schaamteloze ontginning van de natuurlijke rijkdommen in dit kwetsbare gebied. Tot de beruchte vijfde juni, de dag dat er korte metten werden gemaakt met het protest. Plots stonden we terug in België, plots was de media overal! Een ooggetuigenverslag.

Vier juni, een doodgewone warme dag in Jaén. We ontvingen een cameraploeg van Frecuencia Latina, een nationale tv ploeg die een reportage kwam maken over het protest in Bagua. Ze hadden ons gevraagd hen rond te leiden omdat we de streek en verschillende inheemse leiders kennen. Nadat we twee maanden vruchteloos probeerden de situatie publiek te maken, werden ze hartelijk verwelkomd.

Ondertussen, 45 minuten verder in de ‘Duivelsbocht’, was het onrustig. Geruchten gingen de ronde dat de politie de blokkade zou ontruimen. De sfeer was gespannen. Terwijl Frecuencia Latina probeerde te vatten hoe de inheemse bevolking hier, nu al 10 dagen, leefden liepen inheemse mannen zenuwachtig op en neer. De politiehelikopters die af en aan vlogen versterkten het vermoeden dat er iets hangende was.

De volgende dag zouden we, met Frecuencia Latina, de 6de petroleuminstallatie van Petroperú bezoeken. Daar, vijf uur rijden vanuit Bagua, waren een 3000 indianen immers al twee maanden aan het protesteren. Ze verhinderden de werking van de 6de petroleuminstallatie die ruwe olie vanuit het Amazonebekken naar de kust pompt, op die manier poogden ze druk uit te oefenen op de Peruaanse regering. Toen ze na bijna twee maanden protest nog steeds geen gehoor kregen zakten ze af naar de ‘Duivelsbocht’ voor een wegblokkade. Een 1000-tal indianen waren achtergebleven om de bezetting van de installaties verder te zetten.

Er werd een vergadering belegd tussen de generaal van de troepen, enkele inheemse leiders, de lokale bisschop en het hoofd van de Rondas Campesinas. De generaal verklaarde dat hij het bevel had gekregen de weg te ontruimen, het lag nu niet meer in zijn handen, hij was niet meer dan een pion maar wist niet wanneer de ontruiming zou plaats vinden, ‘vandaag, morgen of overmorgen’. Die avond belegde de inheemse bevolking een grote vergadering waarin besloten werd de weg de volgende dag te ontruimen en terug te trekken naar het 6de petroleumstation om een nieuwe taktiek te bedenken. Die avond ruimde iedereen op, de sfeer was ontspannen …

Het irritante geluid van een gsm om zes uur in de ochtend wekte ons. Een vrouw vertelde ons dat men was begonnen met het vrijmaken van de weg en ze vroeg ons zo snel mogelijk te komen. Het was niet de eerste keer dat we zo gewekt werden en even dachten we ons om te draaien en verder te slapen. Een zoveelste vals alarm zou deze keer onze nachtrust niet verstoren. “Zouden we toch niet even naar Joel bellen, om te horen of het deze keer niet echt is?” De moment dat hij opnam werden al onze twijfels met de grond gelijk gemaakt. Al lopend en met paniek in zijn stem schreeuwde hij: “Ik heb twee gewonden bij mij, jullie moeten nu komen.”

Van de ene moment op de andere waren we klaar wakker. Terwijl Marijke Frecuencia Latina belde maakte ik onze rugzak klaar. Tien minuten later zaten we met Frecuencia Latina in de auto. De sympathieke chauffeur begreep de ernst van de situatie en duwde zijn gaspedaal diep in, we stoven weg. De sfeer was gespannen en terwijl het prachtige landschap aan ons voorbij flitste werd het muisstil in de auto.

Vier kilometer voor de ‘Duivelsbocht’ ligt de brug Corral Quemado. Al weken werd deze zwaar bewaakt door het leger. De machtige brug over de Rio Marañon was een overwinningssymbool geworden nadat, vorig jaar, een blokkade de overheid had gedwongen toegevingen te doen aan de inheemse bevolking. Dit zou geen tweede keer gebeuren.

Een kleine maand geleden, op 10 mei, hadden enkele van de vandaag aanwezige Awajun en Wampis deze brug opnieuw proberen innemen. Deze actie werd toen met geweld de kop ingedrukt. De inheemse bevolking trok zich toen terug naar Imasa en nam de verschillende gewonden mee. Hernandez Wisum Jankug bleef achter. Vandaag de dag is hij nog steeds vermist. De militaire aanwezigheid en deze actie zorgde ervoor dat de inheemse bevolking nu koos de ‘Duivelsbocht’ te blokkeren in de plaats van de brug.

Enkele militairen versperden de weg toen we aankwamen aan Corral Quemado. “Er is geen doorgang!” Een hevige discussie barste los: ”We zijn pers en komen de situatie filmen, jullie hebben geen recht ons tegen te houden.” Schoorvoetend werd ons doorgang verleend en vol frisse moed staken we de brug over. Onze kwaadheid kreeg niet veel tijd om te bekoelen want nog geen 100 meter verder werd onze wagen opnieuw gestopt. Een korte hevige discussie leerde ons snel dat het weinig zin had hier verder woorden aan vuil te maken. Onze perskaarten maakten weinig indruk en de ogen van de officier spraken boekdelen. We moesten te voet verder, een dik half uur stappen! Onze kwaadheid maakte plaats voor een gevoel van onmacht en frustratie. De schier eindeloze weg die voor ons uitslingerde deed me koken. Ik begon te lopen, uit frustratie en hoop zo weinig mogelijk te missen van wat er verder gaande was. Zou de ontruiming nog bezig zijn? Wat zouden we te zien krijgen? Zou de politie ons doorgang verlenen? De vragen schoten door mijn hoofd. Ik voelde me alleen. Marijke en de twee mannen van de nacionale tv ploeg liepen enkele honderden meters achter me. Het frustreerde me dat zij het zelf niet op een lopen hadden gezet.

Als door god gezonden kwam een mototaxi ons tegemoet. “STOP, STOP” Zwaar beladen met mensen en bagage kwam hij kreunend tot stilstand. “We zijn pers en mochten niet verder met de wagen. We moeten zo snel mogelijk naar de ‘Duivelsbocht’.” De sympathie voor de inheemse bevolking is groot in de regio en twee minuten later waren we gemotoriseerd. Achter ons steunbetuigingen van de passagiers, die plots gepakt en gezakt op de weg stonden: “Dat het nu eindelijk eens in de pers mocht verschijnen!”

Het was al 7 uur toen we eindelijk aankwamen in de ‘Duivelsbocht’ en het was er akelig stil. De eerste blokkade was opgeruimd en buiten enkele agenten was er niemand aanwezig. Zou het al afgelopen zijn, waren we te laat? Waar was de inheemse bevolking? We sprongen uit de taxi en holden naar de bocht. Niemand deed aanstalten ons tegen te houden dus liepen we door. Achter de bocht strekte zich een oorlogsgebied voor ons uit. De eerste 200 meter van de baan was reeds vrijgemaakt. De speciale eenheden van de politie stonden in gevechtsuitrusting in groepen opgesteld. Daarachter lag een gewonde op de grond en tien meter verder de inheemse bevolking. Iedereen stond stil, alles leek rustig; een bevrozen plaatje. Rechts van de weg strekte een open grasland zich uit, slechts sporadisch onderbroken door groepjes struiken. Op verschillende plaatsen stond het droge gras in brand, rook kringelde op. In de verte liepen groepjes mensen verder de heuvels in. Ook enkele kleine patrouilles politieagenten liepen verspreid over het droge grasland. Parabolen van rook, littekens in de blauwe lucht gevormd door afgevuurde traangasbommen, maakten van het beeld een echt oorlogstafereel.

Met mijn camera in aanslag liep ik in de richting van het conflict. Ik passeerde zonder enig probleem de politie en begon foto’s te nemen van de gewonde. De man was er ernstig aan toe, zijn voet bloedde hevig en hij was helemaal verzwakt. Ondertussen was Marijke, met haar geluidsopnemer, op de inheemse bevolking toegestapt, vragend wat er allemaal gebeurd was. Blij dat ze hun verhaal kwijt konden begon iedereen gelijk te roepen.

Deze morgen om 6 uur lagen we te slapen achter de eerste blokkade naast de weg. De politie kwam vanuit de heuvels en begon ons direct aan te vallen. We stonden er met onze lansen en stenen maar het was de politie die begon te schieten, met traangasbommen en wapens. Er zijn gewonden gevallen en waarschijnlijk enkele doden. Terwijl ze afdaalden langs dit deel van de heuvel bleven ze schieten. Er zijn doden gevallen! Er zijn doden gevallen daar op die hoogte van de heuvel, daar waar de rook opkringelt liggen verschillende doden.” (inheemse vrouw)

De politie begon nerveus te worden. Het duurde te lang. Ze moesten verder. Terwijl ik foto’s aan het nemen was begonnen plots de traangasbommen over onze hoofden te vliegen. Een tiental meter verder stoof de inheemse bevolking uit elkaar. We stonden nog steeds bij de gewonde juist in het midden tussen de politie en de inheemse bevolking. Marijke begon te roepen dat ze moesten wachten tot de gewonde was weggebracht. De bommen bleven komen. De gewonde werd weggedragen onder het oog van onze camera en die van Frecuencia Latina. Direct daarna barstte de hel los. We kregen niet de kans om ons terug te trekken want plots waren we omgeven door een dikke plakkerige mist. Ogen schieten vol tranen, ademhalen wordt moeilijk, luchtwegen lijken in brand te staan, braakneigingen, huidirritatie,… Lopen is het enige wat in je opkomt, lopen, lopen en nog eens lopen. Happend naar adem stond ik aan de zijkant van de weg, de tranen beletten me goed te zien. Op de achtergrond hoorde ik schoten, het drong niet tot me door. Naast me hoorde ik Frecuencia Latina verder gaan met de verslaggeving. Ik hoorde de trillingen in zijn stem toen Martin voor de camera de situatie uitlegde. Hun professionele optreden dwong me mijn camera opnieuw vast te nemen en verder foto’s te trekken. Een snelle sluitertijd want mijn handen beefden en automatisch want de tranen belette me manueel scherp te stellen.

In de chaos was Marijke de andere kant opgehold. Ze was enkele mensen aan het interviewen toen ook zij op de loop moesten voor het traangas. Ze was me kwijt. Een gepantserd voertuig naderde met daarop enkele zwaar bewapende agenten. Gasmaskers gaven hen een buitenaardse aanblik. Met traangasgeweren in de hand kwamen ze opdoemen uit de mist. Er werd gemikt. Marijke begon te roepen: ”Niet schieten! Niet schieten! Ik ben Europees! Ik ben pers!” De soldaat liet het niet aan zijn hart komen en richtte de loop recht op haar gezicht. Een inheemse man kon haar nog net neertrekken voor het projectiel haar bereikte. De metalen huls vloog vlak over haar heen. Op de achtergrond klonken schoten. Na de traangasbommen werd er nu met scherp geschoten.

Het werd rustig. De politie begon zich te hergroeperen. Verderop deed de inheemse bevolking hetzelfde. Ook ik werd herenigd met mijn verloofde. We belanden samen met Frecuencia Latina en de lokale pers achter de eerste linie van de speciale troepen van de politie. Al snel begon de politie opnieuw traangasbommen in de menigte te schieten. Sommige Awajun en Wampis probeerden weerstand te bieden tegen het gas, maar het was onbegonnen werk. Terugtrekken was de enige optie. Even verdween de gehele menigte achter een dikke, dikke mist.

Ondertussen hadden de agenten een inheemse man te pakken gekregen. Omsingeld door een tiental agenten werd hij stevig toegetakeld. Schoppen, vuisten en zelfs met wapens werd hij geslagen. De woede bij de militairen was groot. “Jullie hebben vier van onze jongens gedood!“ Geruchten gingen de ronde dat reeds bij het krieken van de dag vier soldaten waren omsingeld door de inheemse bevolking en in koele bloede afgemaakt. De kwaadheid van de militairen werd geprojecteerd op deze inheemse man. Marijke, blind van woede en onmacht, probeerde er tussen te komen en riep dat ze moesten stoppen. Ik riep haar terug te komen. “Er gebeuren hier wel ergere dingen dan een enkeling die in elkaar wordt geslagen. Kom hier, ben je helemaal op je kop gevallen?” Ondertussen werd ze ook bedreigd met een traangasgeweer. Ze droop vol onmacht af. Veel tijd om haar gevoelens een plaats te geven kreeg ze echter niet.

Vanuit het struikgewas aan de linker kant van de weg, werden schoten afgevuurd. De politie dook op de grond en begon terug te schieten. Wij kropen in goot aan de kant van de weg. Ineengedoken hoorden we kogels over ons heen vliegen. Kogels fluiten niet, het is eerder een lichte vibratie in de lucht, vsssssss, vsssssss. Ik weet niet hoe lang we er met ons hoofd tegen de grond gedrukt lagen, 5 minuten, een half uur… tijd wordt een onbestaand begrip, maar na enige tijd werd het stil. Voorzichtig keek ik over de rand van de goot heen en trok enkele foto´s. De politie lag nog steeds op de grond. Aarzelend kropen de agenten recht. Al gauw volgde iedereen. Het was terug rustig. Eén van de agenten stak een sigaret op.

Een helikopter kwam aangevlogen en daalde neer. Verschillende gearresteerde Awajun en Wampis werden naar de helikopter geleid en afgevoerd. In de open velden rechts van ons, ging de vervolging verder. Af en toe kwamen groepjes agenten naar de weg afgezakt met gevangenen. Op verschillende plaatsen brandde het dorre gras in de verzengende hitte, af en toe waren schoten te horen. Verdwaasd staarden we voor ons uit.

Er kwam een ambulance aan gereden. Om de ene of andere reden werd hij tegengehouden door de politie. Ze maakten de achterzijde open en een politieagent ging binnen, al snel kwam hij buiten met iets dat eruit zag als een bundel kleren. Onder het oog van de camera’s werd een AKM uit de jas gerold. “Ze verbergen een wapen!” In de chaos die erop volgde werden drie inheemse mannen naar buiten getrokken en zwaar toegetakeld. Een tiental agenten verdrong zich om ook een stuk van hun frustraties te botvieren op de diegene de ze net te pakken hadden gekregen. De vuisten, bottinnen en geweerkolven veroorzaakten doffe klappen op de weerloze lichamen. Als een mantra werd steeds opnieuw geroepen dat ze schuldig waren aan de dood van vier politieagenten. Ook de ambulancier, een officiële verpleger die we enkele dagen ervoor hadden ontmoet, werd uit het voertuig getrokken, toegetakeld en gearresteerd. De pers stond erbij, keek ernaar en registreerde het brute geweld.

Enkele zenuwachtige agenten kwamen naar ons toe.

Stop met filmen en foto´s nemen! Steek die camera´s weg!”

Plots keek ik in de loop van een traangasgeweer. De ogen van de man aan de andere kant van de loop vertelde me dat het menens was. De cameraman naast me begon te roepen dat het zijn job was, dat er zoiets was als persvrijheid en dat ieder maar zijn job moest doen. Met een doffe klap kwam de loop van het geweer neer op zijn camera. De camera werd uitgezet.

Opnieuw brak er paniek uit. Ik weet niet of er opnieuw geschoten werd maar een ogenblik later zaten we met een achttal journalisten en enkele agenten in een geul naast de weg. Camera´s werden nagekeken en er was even tijd om wat te praten. Ik nestelde me met Marijke in een hoekje. Ze vertelde me dat haar voet pijn deed. Lopen werd moeilijker. Ze was slecht neergekomen toen ze de traangasbom ontweek en, zo zouden we later uitvinden, had een beentje in haar voet gebroken.

Er werd besloten dat het terug veilig was. Met de camera´s in de aanslag kropen we uit onze schuilplaats. De politie rukte verder op. Wat verder stond opnieuw een ziekenwagen. De wagen werd afgeschermd door een rij agenten en opnieuw werd ons belet om foto´s te maken. In de chaos die erop volgde wist ik rond de agenten te lopen en via de andere kant enkele foto´s te maken. In de ambulance lagen twee zwaar gewonde inheemse mannen. De politie werden zenuwachtiger en zenuwachtiger … Ik werd teruggefloten.

Iets verder stond een rij vrachtwagens. Ze stonden hier ondertussen enkele dagen omdat de inheemse protestactie hen de doorgang belette. De politie leek verder oprukken onverantwoord te vinden, zeker omdat er enkele tankwagens tussen stonden. De weg moest eerst worden vrij gemaakt. Terwijl de vrachtwagens werden doorgelaten konden de agenten zich even ontspannen. Het had een moment van reflectie kunnen zijn, een moment waarin nieuwe orders konden worden gegeven en de speciale troepen zich kon bezinnen over een nieuwe aanpak.

Omdat we nu al enkele malen waren bedreigd omdat we foto´s namen en filmden besloten wij en de twee mannen van Frecuencia Latina om verder te lopen. We waren nog maar enkele honderden meters verwijderd van het kruispunt en het leek ons beter daar een strategische positie te zoeken om de rest van het conflict goed en veilig te kunnen volgen, zonder ons te hoeven verantwoorden tegenover de politie.

Ik stapte stevig door naar het kruispunt, op de voet gevolgd door Frecuencia Latina en een mankende Marijke. Achter ons werd de rest van de pers tegen gehouden door de politie. We kruisten een groep mensen. Het waren voornamelijk mensen uit de steden Utcubamba en Bagua die de inheemse bevolking kwamen steunen, nadat ze op de radio hadden gehoord wat hier gaande was. De woede was af te lezen op hun gezichten. Het protest van de inheemse bevolking was een kreet om aandacht. Ze blokkeerden de weg zodat Peru en de wereld zouden weten dat ze hier wonen. Dat het land, dat de Peruaanse regering verkoopt aan multinationale bedrijven, bewoond wordt en dat er rekening met hen moet worden gehouden.

Hun repressieve antwoord kwam dan ook hard aan. Niet alleen voor de inheemse bevolking, maar ook voor de inwoners van Bagua en Utcubamba die ook al jaren de aandacht vragen van de federale overheid in deze vergeten regio van Peru. Voor deze mensen is het dan ook niet het geweld dat op de eerste plaats pijn doet. Het is niet het gejammer na de dood. Het is de koude stilte die volgt na de moedwillige vernietiging van hun stem. De afwijzing van hun legitieme vraag. De onmacht van de kleine man tegen het grote staatsapparaat.

En wie speelt hierin een belangrijke rol: de journalisten. We werden dan ook niet gespaard toen we stevig doorbeenden weg van de politie, weg van het geweld.

“Waar gaan jullie naar toe? Het is daar waar mensen worden vermoord, waar de confrontatie is! Waar was de pers de vorige twee maanden? Waarom is er niets in de kranten verschenen?”

En ze hebben gelijk… Tot dan toe kwam er bijna niets van dit protest in de nationale kranten van Peru. Het hele protest werd door media en overheid afgedaan als een klein protest, onbelangrijk te vernoemen in nationale, laat staan internationale pers.

Later die dag zou de journalist van Frecuencia Latina, één van de belangrijkste televisiekanalen van Peru, onder druk van omstaanders, naar zijn redactie bellen, roepend dat hij nu live op de radio moest want dat hij de enige nationale journalist daar aanwezig was. Hij werd niet gehoord. Op lokaal niveau werd alles op de voet gevolgd, op nationaal niveau bleef het voorlopig stil.

Na een verhitte discussie met de protesteerders en vele beloftes dat we ons best gingen doen dit zo wijd mogelijk te verspreiden, konden we verder. Luid schreeuwend renden de protesteerders de politie tegemoet. Boven op het kruispunt was het een drukte van jewelste. Het grootste deel van de inheemse bevolking had zich ondertussen naar hier teruggetrokken en had zich vermengd met de bewoners van Bagua en Utcubamba die massaal waren toegestroomd om hun steun te betuigen.

Het eenheidsgevoel was groot, maar de sfeer licht ontvlambaar. Overal stonden groepjes mensen, met stenen en manchetten in de hand, de kwaadheid en verontwaardiging in hun ogen te lezen. Van tijd tot tijd werden gewonden vanuit het conflict aangebracht, en ook een dode. De wagen van de procureur was reeds in brand gestoken en iets later zou ook een brandweerwagen volgen. De brandweermannen moesten vluchten onder een regen van stenen terwijl tientallen mannen hun woede op de wagen bekoelden. De kreten “dat het niet nodig was, dat de brandweer er niets mee te maken had” haalden niets uit. Ze waren een stukje van de overheid, meer dan reden genoeg om de wagen in achteruit naast de andere overheidswagen te parkeren en hem hetzelfde lot te laten ondergaan.

We vonden een strategische positie op de rand van een berg achter een betonnen publiciteitsbord. Van hieruit konden we het verloop van het conflict goed volgen. We hadden een goed zicht op de droge grasvelden die zich uitstrekten tot ver tussen de heuvels. De brandende plekken, parabolen van rook van traangasbommen en groepjes mini-mensen ontsierden het anders zo vredige landschap. De grote traangaswolk op de weg en de droge knallen van geweren gaven aan tot waar het epicentrum van het conflict was opgeschoven.

Van op onze berg zagen we de daarvoor zo moedige en strijdvaardige protesteerders in paniek terug rennen, half gebukt om de kans om geraakt te worden te verkleinen, tussen hen in enkele gewonden meedragend.

Vanuit dit oogpunt werd de ongelijke strijd pijnlijk duidelijk. Hier zag je niet enkel de speer tegen de vuurwapens. Je zag de gestructureerde patronen van een goed geoliede machine die onafwendbaar dichterbij kwam aan de ene kant en de hoop mensen, die getrokken tussen weerloosheid en heldhaftigheid, radeloos in golven op en neer bewoog anderzijds. Wetende dat er uiteindelijk enkel meer slachtoffers kunnen vallen, maar te heldhaftig om met neerhangend hoofd naar huis te keren.

Ik stond er samen met Marijke en een vijftigtal Peruanen toen de lichte vibraties boven ons hoofd ons vertelden dat we hier niet veilig waren. Het was de eerste keer dat ik echt het gevaar besefte waarin we ons bevonden. De lichte vibraties waren kogels. Geen rubberen bolletjes of metalen traangashulzen maar venijnige gloeiende bolletjes lood die met een duizelingwekkende snelheid een halve meter boven onze hoofden voorbij zoefden. Het was hier niet veilig, we moeten hier weg. In paniek stormde iedereen de berg af. Twintig meter onder ons branden de wagens verder uit.

Terug beneden op het kruispunt begon iedereen zich voor te bereiden op de aankomst van de politie. Mensen vulden flesjes water om de pijn van het traangas te verzachten, ze zochten een plaats waar ze dekking konden zoeken en anderen vluchten terug naar de steden. Het was duidelijk, hier zou de laatste confrontatie plaatsvinden. Hier zou het stoppen.

Een helikopter naderde. Ik zag hem naderen, de zijdeur was open en het donkere silhouet van een man was zichtbaar. Waar zou hij de eerste bom gooien? Elke vezel in mijn lijf was gespannen. Geconcentreerd volgde ik elke beweging in de helikopter. Een hand kwam naar buiten, de zon weerkaatste in de metalen huls in zijn hand. Lopen! In paniek liep iedereen een andere kant uit. De gevonden schuilplaatsen werden vergeten en iedereen liep weg van het neergevallen projectiel. Sissend verspreidde de giftige rook zich over het kruispunt. De helikopter draaide, een regen van bommen achter zich latend. Ik richtte mijn camera naar de hemel en trok nog enkele foto´s. Rond mij liepen kinderen, vrouwen en mannen naar een veilige haven.

Thomas! We moeten hier weg! Mijn voet doet verschrikkelijk pijn, ik kan niet meer lopen. Dit is te gevaarlijk.”

Ik antwoordde dat ik moest blijven. Ik moet foto´s trekken! Wie weet wat gaat er hier nog gebeuren en ik zie geen enkele andere journalist meer! We kunnen in dit huisje gaan schuilen. Anders ga jij al terug…

Nog voor ik mijn zin had afgemaakt besefte ik de absurditeit van mijn woorden.

Nu moet je eens aan mij denken!”, riep Marijke. “Ik kan niet eens meer weglopen van de traangasbommen, wat als de politie hier aankomt.”

Toen we wegstapten van het kruispunt zagen we in de verte de politie aankomen. Ze kwamen niet enkel over de weg, maar ook op de heuvel zagen we tussen het struikgewas gecamoufleerde agenten opduiken. De traangasbommen kwamen nu niet enkel meer uit de lucht gevallen.

De terugtocht was ingezet. Overal vluchtten mensen terug naar de steden. Te voet, met de fiets, brommer, mototaxi, auto of camion op alle mogelijke manieren probeerden de mensen terug te keren naar de veilige stad. Drie inheemse mannen die we goed kenden kwamen met een mototaxi aangereden. We sprongen erbij en vatten de terugtocht aan.

Onderweg naar Utcubamba vertelden ze ons in detail hoe de ochtend was verlopen. Ze werden verrast door agenten in de heuvels boven de wegblokkade. Terwijl ze nog lagen te slapen werden ze beschoten met traangasbommen. Niet veel later werden ook vuurwapens ingezet. Ook vanuit een helikopter werden schoten en traangas afgevuurd.

Als ze ons gewoon van de baan wilden verwijderen, waarom kwamen ze dan via de bergen? We moesten gaan lopen, wat kunnen we doen met onze speren tegen kogels. Het was gewoon een afslachting. Ik heb makkers van me voor me zien neergeschoten worden.”

Het klopt dat enkel van ons een groepje agenten heeft kunnen omsingelen. We hebben ze afgemaakt met onze speren en hun wapens afgenomen.”

We hebben altijd opgeroepen tot vredevol protest en we hadden geen wapens, maar we laten ons niet weerloos afslachten!”

In Utcubamba scheidden onze wegen, ze moesten zich opnieuw organiseren en ik trok met Marijke naar het ziekenhuis. Het was er een drukte van jewelste. In de chaos konden we enkel de licht gewonden bezoeken. De zwaar gewonden lagen momenteel op de operatietafels en werden gescheiden van iedereen, familie en pers inclusief. We interviewden enkele gewonden, keer op keer bevetigde de inheemse bevolking het verhaal dat ze s´morgens vroeg werden verrast door de politie. Ook waren er verschillende mensen uit Utcubamba zelf die getroffen waren door verdwaalde kogels.

In de stad waren ondertussen rellen uitgebroken. De mensen waren woedend en hadden enkele overheidsgebouwen en wagens in brand gestoken. Op straat hadden zich honderden mensen verzameld. Ik ging een kijkje nemen. Toen ik enkel mensen aansprak om te vragen wat hier gaande was, werd er vlak in de buurt geschoten. Ik dook weg in de kant van de weg, opbotsend tegen paniekerige dorpelingen. Het werd terug rustig. Ik moest hier weg! Ik dook twee huizen verder een hotel binnen en klom naar het dak. Hier hadden enkele andere journalisten zich ook verzameld. Ze informeerde me dat de inwoners van Utcubamba probeerden het commissariaat te bestormen. De politie reageerde met geweervuur. Ik trok enkele foto´s maar kon het allemaal moeilijk in beeld brengen. Het was tijd om hier door te gaan.

We trokken naar Bagua. Deze stad bevond zich op dezelfde afstand van de ‘Duivelsbocht’. Frecuencia Latina was hiernaartoe gegaan en ze hadden nog steeds onze mobiele telefoon. In de chaos en paniek waren we elkaar kwijt geraakt en we moesten onze telefoon terug hebben voor ze terug keerden naar Lima. We namen een mototaxi die ons via een binnenweg naar daar zou brengen.

We kwamen aan het hoofdplein van Bagua. Het was volledig uitgestorven, de stad leek wel een spookstad, op het commissariaat na waar een overweldigende politiemacht zich verzameld had. De straten lagen bezaaid met stenen en uitgebrande banden. Een beetje verder hadden de achterblijvers zich verzameld. Ze toonden ons een verzameling kogelhulzen en traangasbommen. De rellen waren hier zo mogelijk nog erger geweest dan in Utcubamba. Iets verder smeulde het gebouw van de regionale overheid nog na en op de binnenplaats bekoelden relschoppers verder hun woede. Op straat lagen de karkassen van een uitgebrandde auto en twee brommers.

Na ons te hebben herenigd met de televisieploeg van Frecuencia Latina gingen we naar het hospitaal van Bagua. Ook hier was het een chaos van jewelste. Mensen verdrongen zich voor de deuren op zoek naar verloren familieleden en vrienden. We werden binnengelaten en gingen één van de zalen binnen. Al de bedden waren bezet; mensen lagen op de grond, op in de haast bijeen gesprokkelde matrassen en wegens plaatsgebrek moesten minder gelukkige  gewonden zich behelpen met stoelen. We spraken er een 16 jarige jongen die, bij het verlaten van zijn huis, in zijn onderbeen was getroffen door een verdwaalde kogel. Iemand anders werd getroffen in zijn schouderstreek en leed erg veel pijn, maar hij moest nog even wachten alvorens geopereerd te worden want ergere gevallen gingen voor. De kogel zat nog in borst toen hij ons met zwakke stem te woord stond. Buiten onder de blakende zon stonden twee lijken voor de deur van het mortuarium terwijl een derde binnen gewassen werd.

In het ziekenhuis ontmoeten we enkele vrienden; mensen van het Vicariaat van Jaén en de burgemeester van Imacita. Hij was samen met de procureur teruggegaan naar de ‘Duivelsbocht’ om de lijken van de inheemse bevolking op te halen. Hij vertelde dat de politie hen geen doorgang wou verlenen. Hij was beginnen discussiëren. Het was zo ver gekomen dat ze schoten hadden gelost. “Ze hebben op mij en de procureur geschoten. Kun je het je voorstellen? Een afgevaardigde van de regering!

We besloten een team samen te stellen met mensen die de kracht hadden hier tegenin te gaan. Een advocate, enkele afgevaardigden van het vicariaat, de burgemeester, wij en Frecuencia Latina als journalisten. Een twee uur nadat de doorgang was geweigerd aan de fiscal keerden we terug naar de ‘Duivelsbocht’. De politie was ondertussen vertrokken. Onder een plastieken zeil, links van de weg, troffen we twee lijken aan. De advocate droeg me op goede foto´s te trekken want deze zouden later van groot belang kunnen zijn. In een waas begon ik aan de lugubere opdracht. Het was de eerste keer dat ik op zulke brutale wijze met de dood werd geconfronteerd. “Hier, trek hier nog een foto van, en hier,..” Eén van de omstaanders draaide het lijk om en wees me op de schotwonden in de rug. De geur van dood vlees dat de hele dag in de zinderende hitte had gelegen steeg op. In trance trok ik nog enkele foto’s en vertrok zonder veel te zeggen naar het tweede ‘tentje’, aan de andere kant van de weg, waar nog drie lijken lagen. Hun ogen glazig van de dood en enkele hardnekkige vliegen die niet weg te houden waren. Ook deze lichamen waren erg toegetakeld. Door het brandende droge gras was de bovenste huid op verschillende plekken weggebrand. Bloederige kleren, blauwe plekken, wonden en gebroken tanden verrieden dat dit niet veroorzaakt was door enkele verdwaalde kogels. Hier waar het allemaal was begonnen lagen de lichamen die het sterkst waren toegetakeld.

Op zoek naar verdere bewijzen beklomen we de heuvel naast de weg, daar waar het allemaal begon. In de blakende zon sloeg plots de vermoeidheid toe. Ik had die nacht maar enkele uren geslapen en die dag nog niets gegeten. Het kostte me moeite om me naar boven te slepen. Ik liep langs de klif. Hier hadden we enkele dagen geleden geslapen toen er geruchten waren dat ze de volgende dag de weg zouden vrijmaken. Het leek een veilige plek omdat je van hier de politie goed zag aankomen. Het was hier waar de politie de inheemse bevolking verraste door niet via de weg te komen, maar een grote omweg te doen en te voet, via de achterliggende heuvels, hen te besluipen.

De vragen van de inheemse bevolking kwamen terug naar boven: “Waarom zijn ze langs daar gekomen? Als je gewoon de weg wil vrijmaken en je hebt traangas, helikopters en tanks, waarom moet je dan door de bosjes de mensen besluipen? Het was een protest geen oorlog, waarom hebben ze ons aangevalen? Gewoon enkele mensen die schreeuwen om aandacht en daarom niet willen vertrekken. Waarom moet je hen besluipen en verrassen?”

Het viel me op hoe leeg het hier was. De getuigenissen van de inheemse bevolking waren unaniem. “De politie heeft ons verrast, we waren nog aan het slapen.” Ik herinnerde me dat toen we bleven slapen het hier vol lag met dekentjes, rugzakjes met kledingstukken, en andere rommel. Nu lag er bijna niets. Verderop vond ik een bebloed laken, enkele kogelhulzen en traangasbommen maar het was hier verdacht proper. De zwartgeblakerde plekken in het droge gras, nasmeulend van de ontmoeting met de traangasbommen, de kogelhulzen die hier en daar verspreid lagen en de bloedvlekken die de ruwe rotsen besmeurden waren achtergebleven illustraties van een verhaal dat waarschijnlijk nooit helemaal verteld zal worden.

Het was tijd om naar huis te gaan…